Zijn prediking » Overdenkingen » Doe Uw aangezicht lichten over Uw knecht


“Doe Uw aangezicht lichten over Uw knecht”.
(Psalm 119:135)

De dichter spreekt hier tot Iemand, en hij had het voorrecht dat hij wist, dat hij weten mocht, tot Wie hij sprak. Hij sprak tot de Hoge en Verhevene, tot de Heere, Die aan Zijn Verbond gedenkt en aan het Woord dat Hij ingesteld heeft, tot Hem Die onveranderlijk is en trouwe houdt tot in eeuwigheid. Zulk een gebed en naderen op deze wijze tot de Heere, veronderstelt het een en ander. Wat veronderstelt het?

Kennis. In de eerste plaats zelfkennis. Want wanneer men zichzelf in zijn verlorenheid in Adam niet heeft leren kennen, dan verstaat men niet dat en waartoe men de Heere nodig heeft. Het gebed zou dan zijn een slag in de lucht, maar geen aangrijpen van de Heere.

Het veronderstelt ook de kennis Gods, een kennis van het hoge Wezen, verkregen niet door lezen of door horen, maar door openbaring. Een mens, we hebben het u al vele malen in ons leven gezegd, kent God niet, tenzij dat Hij tot hem gekomen is, of liever, tenzij dat hem getoond wordt dat dit geschied is. Als een mens mag verstaan dat de Heere staat aan de deur van zijn hart, kloppende, dan begint hij tot God te roepen. En zulk een gebed vinden we in de bekende gelijkenis: “O God, wees mij zondaar genadig” (Luk. 18:13). Zal een mens het gebed dat we in onze tekst hebben, uitspreken, dan moet hij verenigd zijn met de weg die het Opperwezen heeft uitgedacht, gelegd en ingewijd, om tot de zondaar te kunnen naderen, en de zondaar tot Hem te doen naderen.

Het gebed geeft te kennen: vertrouwen. Zonder vertrouwen geen geloof, en zonder geloof geen verhoring. Vertrouwen, vertrouwen op de gerechtigheid van de Heere Jezus, en op de barmhartigheid Gods, geopenbaard in de Persoon en in het werk van de Heere Jezus Christus. Kortom, het gebed van onze tekst veronderstelt het geloof. En wij weten wat de apostel Paulus zegt: “En al wat uit het geloof niet is, dat is zonde” (Rom. 14:23).

“Doe Uw aangezicht lichten”. Nu, God is een Geest en Hij heeft geen aangezicht. Wanneer van Zijn aangezicht gesproken wordt, dan is dat in een oneigenlijke zin, en dan betekent het aangezicht Gods Zijn tegenwoordigheid. Deze tegenwoordigheid is verschrikkelijk of liefelijk. Er staat in de 34e Psalm, het 17e vers: “Het aangezicht des HEEREN is tegen degenen die kwaad doen, om hun gedachtenis van de aarde uit te roeien”. In dit geval is het aangezicht Gods verschrikkelijk. Een mens vliedt van dit aangezicht. Kaïn, en Adam ook, ja de gehele wereld vlucht voor God. En haar godsdienst, voorzover die geschiedt buiten de Heere Jezus Christus, is ook nog het vluchten, of liever gezegd, het trachten te vluchten van God.

Wanneer u uzelf hebt leren kennen, dan is het u bekend dat wanneer God een mens staande houdt en arresteert bij zijn schuld, deze mens dan ziet dat hij met zijn rug naar God staat. En het is dan door de onwederstandelijke genade, dat hierin verandering komt.

In Numeri 6 vinden we: “De HEERE verheffe Zijn aangezicht over u en geve u vrede!” (vs. 26). Hier is nu het aangezicht Gods liefelijk, en dit aangezicht wordt gezocht. Psalm 27, het 8e vers: “Mijn hart zegt tot U: Gij zegt: Zoekt Mijn aangezicht; ik zoek Uw aangezicht, o HEERE”. Het aangezicht Gods is liefelijk in Christus en verschrikkelijk buiten Hem. Hebreeën 12:29: “Want onze God is een verterend Vuur”. In Zijn Zoon is Hij een genadige en vriendelijke Vader, van Wie men alle goeds verwachten kan en verwachten mag.

Een mens wordt aan zijn aangezicht gekend en zo is het hier ook. God wordt gekend in Christus. U kunt wijsgerige beschouwingen houden over God, en men heeft dit ook gedaan, maar op deze wijze heeft men God nooit leren kennen. Hij is een onbekende gebleven. God wordt gezien in Christus. Dit zegt de Heere Jezus Zelf: Die Mij ziet, ziet Degene Die Mij gezonden heeft (Joh. 14:9).

Het is hoogst merkwaardig, en brengt tot aanbidding en tot verwondering, dat wanneer de Heere Jezus Christus Zich in ons hart openbaart, we dan in Hem de drie-enige God aanschouwen. Hij is toch maar één Persoon van het Goddelijke Wezen, maar wordt Hij bekend, dan zien we de drie Personen van het Goddelijke Wezen. Om het kort te zeggen, wij zien in Hem God!

De Zoon Gods is God, geopenbaard, geopenbaard in het vlees. Wanneer wij Hem aanschouwen, dan zien we alle deugden Gods. Dat heeft de apostel Paulus zo onovertroffen schoon gezegd in 2 Korinthe 4, het zesde vers: “Want God, Die gezegd heeft dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is Degene Die in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus”.

En nu vraagt de dichter van de 119e Psalm dat de Heere Zijn aangezicht over hem mocht doen lichten. Als dit gebeurt, wat heeft er dan eigenlijk plaats? Als de Heere Zijn aangezicht over ons doet lichten, dan bewijst Hij ons genade. Een godsdienstig mens spreekt wel van genade, maar hij weet toch niet wat genade is, en niemand weet het voordat het aangezicht Gods over hem licht. Want als dit gebeurt, dan zien we door Christus in Gods hart. En nu staat er dat God is liefde. We zien dus de liefde, de Vaderlijke liefde, en we verstaan en geloven dat God is liefde.

Wanneer Hij Zijn aangezicht over ons doet lichten, dan toont Hij ons de blijken van de genade. Want het is niets om te zeggen: dit en dat is genade – dat moet gezien worden bij Goddelijk licht. En als nu de Heere Zijn aangezicht doet lichten, dan zien we wat genade – laat me het zo eens zeggen – dan zien we wat ware genade en wat valse genade is.

Wanneer de Heere Zijn aangezicht over ons doet lichten, dan laat Hij ons zien dat de blijken van de genade gevonden worden in ons hart. En om het alles maar in het kort te zeggen: Als de Heere Zijn aangezicht over ons doet lichten, dan geeft Hij ons vrijmoedigheid om door de Heere Jezus Christus te naderen tot Hem als tot een Vader: “Vader! Abba, Vader!” (Rom. 8:15, Gal. 4:6). We hoeven niet te zeggen dat hier veel meer van naar voren zou kunnen worden gebracht.

En hoe stond nu de dichter ermee? Wel, de dichter had genade. God had hem overtuigd van zonde, had hem zijn machteloosheid doen kennen, had hem het geloof geschonken, en door dit geloof was hij overgegaan in de Heere Jezus, en had hij al de dingen die we genoemd hebben, en nog vele andere, leren verstaan. Maar nu was dit voor de dichter niet genoeg. Méér wenste hij, méér! Hij wenste meer licht, meer licht in God. En zijn begeerte was om meer te mogen smaken de liefde en de goedheid Gods, hartelijker zijn vertrouwen op de Heere te kunnen stellen. En daar kwam nu dat gebed “Doe Uw aangezicht lichten over Uw knecht” vandaan.

Een mens, toehoorders, een christen, kan in grote moeilijkheden zijn. Hij kan aangevochten worden door de vorst der duisternis. Nu, dat is zeer zwaar. De mensen spreken wel gemakkelijk over de duivel, maar het is te vrezen dat ze niet veel van hem weten. Hij kan bestreden worden door de mensen, en dat gebeurt ook, want de Waarheid gelijk ze in Jezus is, wordt overal tegengesproken. En zij die deze Waarheid aanhangen, worden genoemd een sekte die overal tegengesproken wordt (Hand. 28:22). Men kan zich bevinden in een weg waarin men niet weet wat men doen moet. Men kan zich in allerlei moeilijkheden bevinden.

Als nu de Heere Zijn aangezicht over ons doet lichten in zulke omstandigheden, wat heeft er dan plaats? Dan wordt alles goed, en verenigt men zich met de woorden: “Uw wil geschiede, gelijk in de hemel, alzo ook op de aarde” (Matth. 6:10), in welke omstandigheden men zich ook moge bevinden. Dan is men verwonderd! De verwondering zal in de hemel tot in alle eeuwigheid zijn, maar hier begint ze! Wie zich nooit verwonderd heeft over God, die komt ook niet in de hemel. Men is dan ook beschaamd, beschaamd over het ongeloof, en men wordt in staat gesteld – en dit is het doel en het gevolg van des Heeren genadige handeling – om zichzelf en al het zijne in de hand Gods te stellen. En wat is er groter dan dit! Wat is er groter dan zichzelf kwijt te raken, en te kunnen geloven dat God nu alles voor Zijn rekening genomen heeft!

Bidt de dichter: “Doe Uw aangezicht lichten over Uw knecht”, dan houdt hij de Heere Zijn Verbond voor. Want ieder recht gebed is niet anders dan een pleiten op het Verbond Gods. Wie het Verbond Gods niet in het oog heeft, die heeft God ook niet in het oog. Hij houdt de Heere Zijn Verbond voor, en hij geeft tegelijkertijd te kennen dat hij van de Heere het verwacht, het verwacht! Dus die man of die vrouw, die jongen, dat meisje, dat kind staat daar alleen, alleen met God. Hij is hier op de rechte wijze een eenzame. En nu moet u weten, en ik hoop dat het u bekend is, dat men nooit gelukkiger is dan wanneer men alleen is – in deze zin van het woord genomen – alleen met God.

(Uit: Preek over Psalm 119:135, 8 augustus 1951 te Den Haag. Bundel 1994-’96, blz. 424-427.)