Zijn prediking » Overdenkingen » Gij dan, bidt aldus


“Gij dan, bidt aldus”.
(Mattheüs 6:9a)

Toehoorders, laat het bidden niet na. Gij moet niet zeggen: “Bij mij is de ellende zo groot. Ik ben zo’n goddeloos mens. Ik ben zo onkundig. Er is van mij nooit iets te verwachten. Er komt van mij ook nimmer iets terecht.” Dat moet gij niet doen. Gij moet de eenzaamheid zoeken. Valt op uw knieën. Slaat een weg in, waarin niemand u ziet, als u dit kunt doen, en valt op uw knieën en volhardt! Wie weet, God mocht Zich wenden en een zegen achter Zich overlaten! Dit geldt ook uw nabestaanden. “Dat kind, die man, die vrouw, daar kan nooit iets van komen”; dat moet u nooit zeggen. Ten eerste moet gij uw kind nooit loslaten, of wie het dan ook is. En in de tweede plaats moet u denken aan een oud Hollands spreekwoord: Zolang er leven is, is er hoop. Maar u moet God geen voorwaarden stellen, de weg Hem niet voorschrijven, de maat, waarin Hij hulp bieden zal, niet bepalen of de tijd noemen. Gij moet het aan God overlaten, want Hij is God en niemand meer.

Als gij bidt, dan laat gij er maar alles uitkomen, alles! Uw dieverijen, uw afhoereren, uw echtbreuk, uw stelen, uw kwaadspreken, uw lasteren, uw hoogmoed, uw trots, uw onreinheid. Steekt maar af naar de diepte en daar vindt u nooit iets anders dan modder, dan gruwelen. Laat ’t er maar uit komen. Zegt ’t maar tot de Heere. Breidt het maar voor Hem uit. Hij weet toch wel wie u is. “Wat ook iemand zij, alrede is zijn naam genoemd.” (Pred. 6:10). Er is geen sterveling op aarde vroom. Er is er maar één geweest, die vroom was: de Heere Jezus. Wij zijn goddeloos, veel meer dan wij weten en van elkander geloven willen, volstrekt goddeloos. Maar omdat wij goddeloos zijn, hoeven wij niet verworpen te worden, want de apostel Paulus schrijft, dat God de goddelozen rechtvaardigt om niet. Zij zijn juist de voorwerpen van Gods liefde, namelijk die goddelozen, die zijn kunnen, wat zij zijn. ’t Is geen geringe zaak om een goddeloze te zijn en weer te worden. Aan de rand van de wanhoop leert men wel eens verstaan, hoe moeilijk het is te geloven, maar óók dat het een gave Gods is. Wij moeten alles door ondervinding leren en wie de ondervinding niet heeft, heeft de kennis niet en wie de kennis niet heeft, die praat maar zo wat en spreekt in het wilde weg.

’t Gebed moet ook geleerd worden. Wij zongen met elkander Psalm 143. Kreegt gij aandacht te schenken aan de inhoud van deze verzen? Ik zal u op twee verzen wijzen, waaruit u kunt zien, hoe er eigenlijk gebeden moet worden. Hier hebt u het eerste vers:

O HEER’, wil mijn gebeden horen;
Neig tot mijn smeken gunstig’ oren;
Verhoor m’, o Oppermajesteit,
Om Uwe trouw, aan mij gezworen;
Verhoor m’ om Uw gerechtigheid.

Kreegt gij er aandacht aan te schenken, toen wij het zongen? Dat is het rechte bidden. “Om Uwe trouw aan mij gezworen”. Ja, daar zit u nu misschien, en toch is dit de waarheid. “Om Uwe trouw aan mij gezworen”. Als er geen eed Gods is, dan is er geen gebed ook. Ik zeg niet, dat u dan op moet houden met bidden. Ik heb ’t u in ’t begin van mijn toepassing al gezegd. Verstaat u nu het vers? Misschien verstaat u het morgen, over een jaar of later. Tot zulk een God moeten wij naderen, tot Wie wij vrijmoedigheid hebben om te zeggen: “Gij hebt het onder ede bekrachtigd.” Dit alleen geeft houvast. Ik weet wel: het is heel moeilijk. Maar wat is er gemakkelijk? Gemakkelijk is: zich te laten gaan, te zondigen. Dat is gemakkelijk, daar heeft men alles in mee, vlees en bloed, zoals wij van nature staan. Maar het andere moet tegen alles in. Dat is de grondslag van het gebed, bezworen trouw, maar niet direct aan ons, indirect aan ons, direct aan Christus en in Christus aan ons.

Dat is het rechte gebed. Als u bidt, dan moet u niet beginnen met bidden, want dat helpt niet. U zult zeggen: “Wat nu? Zo’n gebed wordt niet verhoord? Nu begrijp ik ’t helemaal niet meer!” Ik zal het u uitleggen. Als u bidt, moet u beginnen met te danken. Vindt u dat zo vreemd? Moeilijk is het, moeilijk; dat geef ik onmiddellijk toe. Ik heb zo-even gezegd: Wat is gemakkelijk? Neen, als je niet weet, waar je blijven zult van de pijn (er zijn er velen onder ons, die wel eens zo ondragelijke smarten geleden hebben), dan is het moeilijk om met je hart te zeggen, dat God goed is. En het zou niet moeilijk zijn in zulke omstandigheden te vloeken, God te verlaten of wanhopig te worden. Als men nu bidden zal, wanneer men bijna niet kan leven van de pijn, dan moet men beginnen met te danken, anders wordt ons gebed niet verhoord. En dit leert de Heilige Schrift. Want de Heilige Schrift zegt: Weet gij niet, “dat de goedertierenheid Gods u tot bekering leidt?” (Rom. 2:4). Er is niets dat de mens tot bekering leidt dan de goedertierenheid Gods. Wie niet ziet, dat God goed is, wie dat niet erkent, komt nooit tot bekering.

En nu zal ik het andere versje voorlezen, waar mijn aandacht onder het zingen op gevallen is; het is het vijfde versje:

Ik denk in ’t midden der gevaren,
Nog aan Uw gunst van vroeger jaren;
Ik tracht Uw werken na te gaan.
O God, wie kan U evenaren?
Hoe heerlijk zijn Uw wonderdaân!

Duidelijk nietwaar? Duidelijk. Hier is het. De goedertierenheden Gods leiden tot bekering. En dan nooit ophouden! Moet u verloren gaan, gaat dan biddende verloren! Nooit opgeven! Er is geen enkele reden om ’t op te geven, want bij de Heere zijn uitkomsten tegen de dood. Hem zij de lof en de dank tot in alle eeuwigheid.

(Uit: Preek over Mattheüs 6:9, 10 februari 1946 te Den Haag. Het gebed, blz. 61-64. Bundel 1948-’50, blz. 195-197.)