Zijn prediking » Overdenkingen » 22 februari


“Die in de Zoon van God gelooft, heeft de getuigenis in zichzelf”.
(1 Johannes 5:l0a)

Door het geloof verstaat de mens dat de gerechtigheid van God hem persoonlijk wordt aangeboden. Hij ziet dat God hem deze gerechtigheid geeft en nu ontvangt hij haar uit de hand van God. En dat hij dat doet, daarvan heeft hij het getuigenis in zijn hart, en dit getuigenis is het getuigenis van de Heilige Geest. Als een mens de gerechtigheid van God heeft aanvaard uit de hand van God, dan weet hij ook dat hij dit gedaan heeft.

Menigmaal heb ik horen zeggen: “Een mens kan het wel bezitten zonder dat hij het weet”. Maar dat is slechts tot op zekere hoogte waar, want een mens kan nooit de hand uitsteken naar de gerechtigheid Gods, wanneer hij niet het getuigenis heeft dat hem deze gerechtigheid wordt aangeboden.

Kennis en vertrouwen zonder de zekerheid is niet het ware geloof. Hierom hebben onze vaderen - die de dingen bij ervaring hadden leren kennen - gezegd dat de zekerheid die in het geloof is, ook niet voor een enkel ogenblik kan worden afgescheiden van het geloof. Wanneer dus iemand zou zeggen dat hij geen zekerheid heeft dat zijn geloof het ware geloof uit God is, dan kan dit niet als het echte werk van de Heilige Geest, ten opzichte van de genade van het geloof, worden aangemerkt. Maar, zo vraagt misschien iemand, hoe is het dan met de bestrijding? De mens die gelooft, staat zeer zeker bloot aan bestrijding in zijn binnenste; maar de bestrijding zetelt niet in het geloof. De gelovige heeft zijn ganse leven hier op aarde met de bestrijding te kampen, maar, nog eens, in het geloof zelf is de zekerheid, hetgeen de Heilige Schrift noemt: “Volle verzekerdheid der hoop” (Hebr. 6: 11).

In de tijd van de Reformatie weigerde de Kerk van Christus gemeenschap te hebben met degenen die deze dingen tegenspraken. Als er een predikant was die een van de zuivere leer der waarheid afwijkende prediking liet horen, dan werd zo’n predikant op grond van de kerkelijke tucht geschorst! Dergelijke predikanten noemden onze vaderen “gehuurde blaffers van de antichrist”. Daar ben ik het van harte mee eens en ik hoop dat u het met onze vaderen ook eens moogt zijn geworden!

(Uit: Overdenkingen, 22 februari. Preek over Mattheüs 6:33, 10 oktober 1939 te Delft en preek over Romeinen 6:5, 27 augustus 1946 te Utrecht. Bundel 1942-’47, aflevering 11/42, blz. 5-6 en aflevering 3/47, blz. 3.)