Zijn prediking » Overdenkingen » 20 februari


“En dit gesproken hebbende, zeide Hij tot hem: Volg Mij”.
(Johannes 21:19)

Hebt u wel veel gemediteerd over de inhoud van deze woorden: “Volg Mij”? Wat zouden wij elkaar hiervan kunnen zeggen? Ik vrees, nog maar heel weinig.

Weet u wat nog veel ontbreekt bij het overblijfsel naar de verkiezing der genade in deze tijd? Dit: “Ik sterf alle dag” (1 Kor. 15:31). En: “Wij die leven, worden altijd in de dood overgegeven” (2 Kor. 4:11). Dit is dan ook de reden waarom wij weinige verborgenheden krijgen op te merken. Dit is de oorzaak van de armoede van ons leven. De Kerk van Christus is zo arm in deze tijd! Dit is er de oorzaak van.

Volgt de Heere. Ziet te weten te komen wat de Heere van u wil! Want zolang dit u niet bekend is, kunt u de Heere niet volgen. U moet te weten zoeken te komen wat de Heere van u wil.

Hoe leven wij? Naar eigen zin en lust. Wij kiezen een beroep. Wij beginnen een handel. Wij treden in het huwelijk. Wij doen dit en wij doen dat met onze kinderen, enzovoort, enzovoort. Weest nu eens eerlijk, is ’t misschien niet alles buiten God omgegaan tot op dit ogenblik? Ziet, dat is niet het volgen van de Heere.

Er moet een toeleg in ons leven zijn om te weten waartoe God ons roept. Daar is een beroep, daar is een handel... Het is al groot als een mens vraagt: Mag ik dat beroep aanvaarden, mag ik deze handel hebben? Maar er moet meer zijn: Wilt U dat ik dit beroep heb? Wilt U dat ik deze handel begin? enzovoort. Dat zou dan een volgen zijn van de Heere.

Wij worden dagelijks geconfronteerd met het leven, dat is, dagelijks komt het leven voor ons te staan, voorspoed of tegenspoed, aangename of onaangename dingen. En dan worden wij geroepen na te gaan hoe wij daar nu tegenover staan. Laten wij dit na, dan worden we door het leven overwonnen. Ons ontbreekt dan het antwoord op de vragen die het leven ons stelt.

Hoe staan wij tegenover het leven? Ziet, dát moest het werk van een begenadigd mens zijn! Wat een schat zou hij dan deelachtig worden, een schat van wijsheid, voortgesproten uit geestelijke kennis. En hoe menigmaal zou hij dan misschien zijn naaste een uitnemende dienst kunnen bewijzen!

(Uit: Overdenkingen, 20 februari. Preek over Johannes 1:29, 23 maart 1951 te Den Haag. Bundel 1951-’54, blz. 249-250.)