Zijn prediking » Overdenkingen » 17 februari


“Door het geloof zijn de muren van Jericho gevallen”.
(Hebreeën 11 :30a)

Wij hebben geen steden in te nemen, maar op onze schouders ligt een taak die veel zwaarder is. Zonden moeten door ons worden overwonnen. Alle zonden! Wanneer de Heere in deze ogenblikken kwam, zou Hij ons in strijd moeten vinden tegen alle zonden. Het middel om de zonden te overwinnen is het geloof. Johannes schrijft: “En dit is de overwinning die de wereld overwint, namelijk ons geloof” (1 Joh. 5:4).

Maar ach, zegt een begenadigde, ik lijd nog zo dikwijls de nederlaag. ’t Is wel mijn voornemen om bij de Heere te blijven, maar het gelukt mij niet altijd. Er staat geschreven: “Maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden” (Matth. 24:13). Geeft de moed niet op, maar strijdt, blijft strijden! Eindelijk zult ge zien wat de strijd des geloofs oplevert. Van de triomferende Kerk wordt gezegd, dat zij heeft overwonnen door het bloed des Lams (Openb. 12:11). Het is het geloof, dat dit bloed aangrijpt.

Het had niet de schijn dat het rondom de stad gaan deze in hun handen zou brengen, maar zij hebben toch het middel gebruikt. Zo moeten wij ook doen. Het heeft niet de schijn dat een gedrukt Woord, zoals wij hier voor ons hebben, ons in staat zal stellen om God, Die toch voor ieder mens onzichtbaar is, te aanschouwen en ons door deze aanschouwing ertoe zal brengen om met verloochening van onszelf Hem te zoeken. Laat u door de schijn niet terughouden. Het had er niet veel van dat Naäman, door zich te wassen in de Jordaan, gezond zou worden, en toch is hij door dit middel gezond geworden. Gij ziet het in het leven van de kamerling. Daar heeft het Woord het toch gedaan. Zolang de kamerling zelf alleen het Woord aangreep, had het niet plaats. Maar terwijl de kamerling het Woord aangreep, kwam de Heilige Geest en greep het Woord ook aan en tóen geschiedde het.

Aan de middelen zijn wij gebonden en moet u zich laten binden.

(Uit: Overdenkingen, 17 februari. Preek over Hebreeën 11:30, 26 juli 1950 te Den Haag. Bundel 1951-’54, blz. 140.)