Zijn prediking » Overdenkingen » 16 februari


“Jaagt de vrede na met allen”.
(Hebreeën 12:14a)

Wat is het aangenaam, wanneer men met zijn omgeving in vrede leeft. Het tegenovergestelde is verdrietig. Maar als men daaronder toch vrede met God heeft, vrede heeft (legt vooral nadruk op deze twee woorden), wat is er dan nog dat hem kan hinderen? Ik weet niets te noemen. De vorst der duisternis kan hem soms tot aan de rand van de afgrond brengen – niet verder, want wat de Heilige Geest in het hart gebracht heeft, haalt geen aanvechting eruit. Want bij de gave van de Heilige Geest is het de Heilige Geest Zelf, en Deze wint het van de vorst der duisternis. De omstandigheden kunnen zeer moeilijk zijn (en voor wie zijn ze niet moeilijk?) en ze zouden nog zoveel moeilijker kunnen worden. Wie vrede heeft, is door de genade Gods in staat om het ergste het hoofd te bieden. De mensen kunnen hem tegen zijn. Hij kan tegenstand in eigen omgeving ontmoeten. In de grond is het geen tegenstand. Het is maar van de zijde van de mens, van de kant van het zichtbare, maar niet van de zijde van het onzichtbare. Want er is nooit een kind van God geweest, of hij heeft gezegd dat hij vrede had met alles. De apostel Paulus heeft het in meer dan één tekst bekendgemaakt, vooral in dit woord: “En wij weten, dat degenen die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, namelijk degenen die naar Zijn voornemen geroepen zijn” (Rom. 8:28).

Wanneer een kind van God wordt benadeeld, kwaad gedaan wordt, dan voelt hij het ook wel. Wanneer het hem werd toegelaten, dan zou hij eindigen in hem die hem kwaad doet. Maar dat wordt hem niet toegelaten. Het wordt hem gegeven te eindigen in God, Die maar gebruik maakt van degene die op de één of andere wijze onrecht bedrijft. Dat is vrede te hebben.

En zo is er altijd geneigdheid om te vergeven. Niet op voorwaarde van dit of dat. Dat is huichelarij! De vrede wordt niet opgewekt door de belijdenis, evenmin door de echtheid van de belijdenis. Neen, de vrede ís er. Er is vrede met God en met alle mensen.

(Uit: Overdenkingen, 16 februari. Preek over Hebreeën 12:14, 17 september 1950 te Den Haag. Bundel 1951-’54, blz. 119-120.)