Zijn prediking » Overdenkingen » 13 februari


“Gij zijt in Hem volmaakt”.
(Kolossenzen 2:10)

Wanneer iemand waarlijk heeft gezien op het Lam Gods, dat is, zich met de Heere Jezus Christus heeft verenigd door het geloof, want zien is geloven, dan verkeert hij in volstrekte veiligheid. Weet gij dat wel? En gelooft gij het? Daarom zegt de apostel Paulus niet tot een enkele, maar tot de gehele Kerk van Christus: “Gij zijt in Hem volmaakt”.

Maar mijn zonden? ’t Is, zo denkt misschien iemand, dominee, alsof u geen zonden kent. Ach, houd daar maar over op! De Schrift zegt: “Gij zijt in Hem volmaakt”. En de Schrift zult gij laten staan. “Over alles wat heerlijk is, zal een beschutting wezen” (Jes. 4:5). En “de Heere kent degenen die Zijne zijn” (2 Tim. 2:19). En Hij weet ook wat Hij gewerkt heeft in Christus. Hij laat niet varen de werken Zijner handen. “Vertrouwende ditzelve, dat Hij Die in u een goed werk begonnen heeft, dat voleindigen zal tot op de dag van Jezus Christus” (Filipp. 1:6).

Maar de zonden dan? Die moogt gij belijden. Maar ze zijn vergeven. Als iemand bidt: “Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren”, dan heeft hij God aangesproken als “Vader”, al heeft hij dan ook deze Naam niet gebruikt. Hij bidt tot een met hem in Christus verzoend God en Vader.

Maar de zonden moeten toch worden vergeven? Ik heb u gezegd: ze zijn vergeven, aan hen namelijk, die in Christus zijn. “Er is geen verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn” (Rom. 8:1). Maar u moogt ze belijden, om de liefde des Vaders en de genade des Zoons en de troost des Heiligen Geestes bij vernieuwing te mogen genieten.

(Uit: Overdenkingen, 13 februari. Preek over Johannes 1:29, 7 februari 1951 te Den Haag. Bundel 1951-’54, blz. 235-236.)