Zijn prediking » Overdenkingen » 9 februari


“In Uw licht zien wij het licht”.
(Psalm 36:10b)

In dit licht ziet een mens. In het hart, in de ziel van een mens die met het waarachtige licht werd begiftigd, is een venster geplaatst en door dat venster stroomde het licht naar binnen. Toen hij dit gewaarwerd, kon hij met de blindgeborene zeggen: “Eén ding weet ik, dat ik blind was, en nu zie” (Joh. 9:25). Dat is de ervaring van al Gods kinderen.

En wat ziet men dan? Ach, de dingen zijn zo groot. Daarom moet men er nooit zonder aarzeling over spreken. Niet omdat ze niet waar zijn, en ook niet omdat ze niet vast zijn, maar omdat ze zo groot zijn. Dan ziet een mens God in Zijn heerlijkheid. Hij had van God gelezen, zeer waarschijnlijk had hij over de Heere gesproken, die Naam dikwijls genoemd; maar hij was altijd zonder enige waarachtige kennis geweest. Dát ziet hij nu! Als die verlichting niet was gekomen, dan zou hij dit nooit hebben gezien.

Wanneer u dit overweegt, dan begrijpt u wel dat de Waarheid móet worden tegengesproken. Wanneer u niet wordt tegengesproken, dan is het geen Waarheid. U begrijpt dan wel, dat het volk van God “uitvaagsel” moet zijn en “aller afschrapsel”, zoals de apostel Paulus zegt (1 Kor. 4:13). Want deze dingen zijn niet in waarde, omdat de wereld ze niet kent. Zij kent God niet in Zijn heerlijkheid en evenmin de Heere Jezus. Want de heerlijkheid Gods wordt aanschouwd in de Persoon en in het werk van de Heere Jezus Christus. God bewoont een ontoegankelijk licht. Niemand moet denken dat hij een Wezen Dat in zulk een licht woont, ooit zou kunnen benaderen. Maar God heeft Zich geopenbaard. Hij is vlees geworden. Hij is mens geworden. In de menselijke natuur vertoont Hij Zichzelf, zodat Zijn heerlijkheid, de heerlijkheid van Zijn rechtvaardigheid, van Zijn heiligheid, van Zijn barmhartigheid, van Zijn goedertierenheid, van Zijn liefde en van Zijn ontferming gezien, aanschouwd wordt in Jezus Christus. Een ontdekking die men nooit vóór die tijd had gehad.

(Uit: Overdenkingen, 9 februari. Preek over 1 Johannes 1:7, 5 mei 1949 te Den Haag. Bundel 1951-’54, blz. 86-87.)