Zijn prediking » Overdenkingen » 8 februari


“Bidt, en u zal gegeven worden”.
(Mattheüs 7:7a)

Wij bidden. Ik doe het en u doet het. U doet het ’s morgens en ’s avonds, vóór en ná het eten, en het is te hopen dat u bepaalde tijden van afzondering hebt om u voor God neer te leggen en uw hart voor Hem uit te storten. Maar nu moeten wij ons bidden vergelijken met het gebed van de Kerk, van de gelovigen, zoals dit staat opgeschreven in de Heilige Schrift. Doet u dat? Hebt u dat ooit gedaan? Wij moeten ons gebed vergelijken met het “Onze Vader”. Christus is zo goed geweest Zijn discipelen dit gebed te leren, op hun verzoek: “Heere, leer ons bidden” (Luk. 11:1). U stemt toe dat niet elk gebed goed is, dat een gebed niet goed behoeft te zijn omdat het de naam van “gebed” heeft. De tollenaar ging naar de tempel om te bidden, maar de farizeeër is ook opgegaan om te bidden, doch deze heeft niet goed gebeden.

Een waar gebed is een vrucht des geloofs. Begrijpt u dat? Verstaat u het, wanneer ik zeg: een waar gebed is een vrucht van het geloof? Het gebed – luistert eens goed – is niet het eerste, maar het geloof. Ja, laat dit maar eens diep in uw ziel zinken! Want ik denk wel, dat u zult hebben gezegd: Het gebed eerst en dan het geloof, want wij bidden immers om geloof en bekering. Doch u hebt ongelijk en ik heb de waarheid aan mijn zijde: het gebed is een vrucht van het geloof. Verstaat u dat? Een vrucht van het geloof, maar dat is eigenlijk zo klaar als de dag, want er staat dat God over de Gemeente “de Geest der genade en der gebeden zal uitstorten” (Zach. 12:10). Deze Geest is de Geest des geloofs. Wanneer een mens gelooft, dan heeft hij een vrucht en de eerste vrucht is het gebed. Nog eens, wanneer een mens gelooft, dan kan hij een antwoord geven op de tweede vraag van de Catechismus: “Hoeveel stukken zijn u nodig te weten, opdat gij in deze troost zalig leven en sterven moogt?” Antwoord: “Drie stukken. Ten eerste: hoe groot mijn zonden en ellende zijn. Ten tweede: hoe ik van al mijn zonden en ellende verlost worde. En ten derde: hoe ik Gode voor zulke verlossing zal dankbaar zijn”. De apostelen Jakobus en Paulus zeggen het niet anders in Jakobus 1:6 en 7 en Romeinen 14:23.

(Uit: Overdenkingen, 8 februari. Preek over Psalm 86:11, 23 september 1943 te Den Haag. Bundel 1942-’47, aflevering 5/44, blz. 7.)