Zijn prediking » Overdenkingen » 6 februari


“En zij zullen komen en zij zullen Mijn heerlijkheid zien”.
(Jesaja 66:l8b)

Een mens die geroepen is, gekomen is, en aanschouwd heeft de heerlijkheid Gods, heeft zijn verlorenheid in Adam leren kennen, en als dat gebeurt, valt alles; hij heeft niets, niets dan schuld en zonde. Zijn werkzaamheden liggen onder de vloek zowel als zijn persoon. De mensen zoeken dat alles te handhaven en door de kerken van onze dagen worden zij erin gestijfd, maar het is niets. De arbeid van God is wél wat, anders zou de apostel in Galaten 3:4 niet hebben gezegd: “indien maar ook tevergeefs!”

Maar de werkzaamheden die de mens buiten God heeft, die zijn niets. Daar moet de mens achter komen, want dán heeft hij zich in zijn doodsstaat leren kennen. Als hij zich in zijn doodsstaat heeft leren kennen, dan ziet hij dat hij alles in een verkeerde richting heeft gedaan, zich in een staat van vijandschap en afkerigheid van God bevindt en zich met louter waan heeft opgehouden.

In de tweede plaats: die geroepen is, gekomen is en de heerlijkheid Gods heeft aanschouwd, heeft het buiten zichzelf gezocht en gevonden. Hij heeft in zijn hart wat de apostel Paulus getuigt: “Want ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u dan Jezus Christus, en Die gekruisigd” (1 Kor. 2:2).

In de derde plaats: zulk een mens is vernieuwd, zodat hij met zijn hart begrijpt wat de apostel Paulus uitdrukt in de woorden: “Zo dan, indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan, zie, het is alles nieuw geworden” (2 Kor. 5:17). We kunnen veel veranderingen ondergaan zonder vernieuwd te worden. Als wij veranderd worden en niet vernieuwd, doen we niets anders dan ronddolen, omzwerven en ons al verder van de Heere verwijderen, zeggende met sprekende daden: “Wijk van ons, want aan de kennis Uwer wegen hebben wij geen lust” (Job 21:14).

Eindelijk, geef acht op al deze dingen, want u wordt er niet meer voor gewaarschuwd. Het tegenovergestelde wordt u geleerd. Let vooral op het werk van de Geest in uw hart. Als u dat hebt leren doen, zult u het zó hebben bevonden. Een mens die de heerlijkheid Gods heeft aanschouwd, is gebracht tot het doen van Gods wil, en bidt: “Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal?” (Hand. 9:6).

(Uit: Overdenkingen, 6 februari. Preek over Jesaja 66:18, 14 december 1926 te Rotterdam. Bundel 1955-’57, blz. 398-399.)