Zijn prediking » Overdenkingen » 5 februari


“Het komt, dat Ik vergaderen zal alle heidenen en tongen; en zij zullen komen en zij zullen Mijn heerlijkheid zien”.
(Jesaja 66:18)

Komen is geloven. Deze woorden worden dan ook door elkaar gebruikt. Bijvoorbeeld in Johannes 6:35: “En Jezus zeide tot hen: Ik ben het Brood des levens; die tot Mij komt, zal geenszins hongeren, en die in Mij gelooft zal nimmermeer dorsten”.

Wat is dit komen? De mensen denken dikwijls dat dit komen is: proberen te komen. De mensen hebben zo enige woelingen, ze wenden wat pogingen aan om tot een Jezus Die hun niet is geopenbaard, te komen. Dit noemen de mensen dan “komen”. Zo wordt het hun in de kerken voorgehouden en ook op de gezelschappen. De één maakt het de ander wijs en bijna ieder neemt het aan. ’t Is wat anders!

Komen tot Christus veronderstelt gebrek, en wel gebrek aan alles. Wie niet alles mist, komt niet. “Hongerigen heeft Hij met goederen vervuld” (Luk. 1:53). De mensen zeggen: “Ik mis de Heere, maar daarom zou ik niet gaarne alles willen ontkennen”. Dit houdt u van de Heere af. Ge denkt iets te bezitten, maar gij hebt niets als gij God niet bezit, en al wat gij hebt zonder God is louter waan, waaraan ieder mens bestemd is vroeg of laat ontdekt te worden. Erkentenis, gevoel van gebrek is nodig, en daarom heeft de Heere Jezus gezegd: “Die gezond zijn hebben de medicijnmeester niet van node, maar die ziek zijn” (Matth. 9:12).

Komen veronderstelt roeping. “Zacheüs, haast u en kom af; want Ik moet heden in uw huis blijven” (Luk. 19:5). Wanneer de mens niets meer heeft dan hetgeen hem voor God verdoemelijk doet zijn, dán wordt hij door Christus geroepen, en dit betekenen de woorden: “Hij roept zijn schapen bij name” (Joh. 10:3).

Komen geeft te kennen, dat men ziet dat in Christus alles is. De apostel schrijft dit aan de Kolossenzen: “Christus is alles en in allen” (Kol. 3:11). Zal een mens komen, dan moet hij dit eerst hebben gezien.

(Uit: Overdenkingen, 5 februari. Preek over Jesaja 66:18, 14 december 1926 te Rotterdam. Bundel 1955-’57, blz. 395-396.)