Zijn prediking » Overdenkingen » 4 februari


“Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden”.
(Mattheüs 5:6)

Aan de woorden “hongeren en dorsten” wordt een verkeerde uitlegging gegeven. Is een mens veranderd, ernstig geworden, en zoals het dan wordt gezegd: werkzaam geworden met de eeuwige dingen, somtijds wat ziet, somtijds ook eens wat voelt, dan wordt wel gezegd dat dit hongeren en dorsten is naar de gerechtigheid. Maar dat is het niet!

Misschien denkt iemand: hoe zal ik dit dan onderscheiden? Want om eerlijk te zijn, ik houd dat ook voor “hongeren en dorsten naar de gerechtigheid”. Ik begrijp niet goed dat dit kan worden tegengesproken. Ja, ik ben er niet klaar mee, en recht vertrouwen doe ik het ook meestal niet, want ik weet niet of het wel van de Heere is – wist ik het maar! Als ik mij maar niet hierin bedrieg. Ach, als dit nu geen hongeren en dorsten is, hoe moet ik dat dan te weten komen, of kan een mens dat niet te weten komen?

Dat komt een mens te weten, als het hem waarlijk wordt gegeven te hongeren en te dorsten naar de gerechtigheid. Want in dát ogenblik, waarin het hem wordt gegeven te hongeren en te dorsten naar de gerechtigheid, ziet hij het verschil tussen wat hem nu is geschonken en dat wat hij meende of hoopte dat hongeren en dorsten was.

Eigenlijk moet u dergelijke vragen niet te veel doen; en u moet vooral niet trachten te veel in de kwestie in te dringen, want: wij moeten bekeerd worden! We moeten niet wat te weten komen, maar wij moeten bekeerd worden, en de bekering is: de onderwijzing van God. Er staat: “Een iegelijk dan, die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot Mij” (Joh. 6:45). En: “Al uw kinderen zullen van de HEERE geleerd zijn, en de vrede uwer kinderen zal groot zijn” (Jes. 54:13). Wij moeten het onderwijs van de Heere hebben, dat is, van het Woord en de Heilige Geest. Als wij dit mogen ontvangen, dan worden de dingen opgelost en verklaard.

(Uit: Overdenkingen, 4 februari. Preek over Psalm 19:8, 20 september 1934 te Rotterdam. Bundel 1976-’78, blz. 302-303.)