Zijn prediking » Overdenkingen » 2 februari


“Gelijk Hij Die u geroepen heeft, heilig is, zo wordt ook gij zelf heilig in al uw wandel; daarom dat er geschreven is: Zijt heilig, want Ik ben heilig”.
(1 Petrus 1:15-16)

We moeten niet denken dat, wanneer er geschreven staat: “Zijt heilig, want Ik ben heilig”, er dan iets van de mens wordt verwacht. Iemand die deze woorden leest, kan de schrik om het hart slaan, ja het gevoel hebben dat het met hem voor eeuwig verloren is. In zichzelf bemerkt hij niets anders dan het tegenovergestelde. Hij zit vol lusten en begeerlijkheden. En dan heilig te moeten zijn, zoals God heilig is! Ach, denkt dan somtijds iemand, dan is het ook voor eeuwig afgedaan!

Maar nu is dit toch niet de bedoeling van God. Als God zegt: “Zijt heilig, want Ik ben heilig”, dan is dit eigenlijk niets anders dan een belofte, de belofte dat God ons heilig zal maken. Wie zegt: “Zijt heilig, want Ik ben heilig”? “Hij”, zegt de apostel Petrus, Hij zegt dat, “Die u geroepen heeft”. En nu geldt het woord: “Hij Die u roept, is getrouw, Die het ook doen zal” (1 Thess. 5:24). Heeft nu een verslagen mens (alleen een verslagen mens doet dat) het oog op Jezus gevestigd en door Jezus op God – nog eens: heeft iemand die verschrikt is in zijn binnenste door het oordeel Gods de blik op het Evangelie gevestigd, waarin God niet als Verderver, maar als een Behouder verschijnt, dan merkt die mens God aan zoals Hij is in Christus Jezus. Wat doet die mens dan? Zo dikwijls het hem wordt geschonken tot Hem Die hem geroepen heeft, te naderen, zegt hij: “Heere, dat wat U belooft, heb ik nodig, maar door mijzelf kan ik dat niet tot stand brengen. Wat ik nodig heb en U hebt beloofd, mag ik dat van U verwachten? Wilt U dat doen? Met deze vraag kom ik tot U, omdat U de belofte gedaan hebt aan al degenen die door Uw genade het oog slaan op de Heere Jezus Christus, de Zoon Uwer liefde”.

Dan verschrikt zulk een hart niet meer. Integendeel, men is blij dat dit er staat, en men hoort daarin een ander Schriftwoord: “... opdat zij zouden weten, dat Ik de HEERE ben, Die hen heilig” (Ezech. 20:12).

Zo is er altijd wel veel beschaamdheid bij de Kerk des Heeren, bij ieder gelovige, nochtans gaat hij niet van zijn God af, maar hij zegt: Doe Gij, Heere, gelijk Gij gesproken hebt (2 Sam. 7:25).

(Uit: Overdenkingen, 2 februari. Preek over 1 Petrus 1:15-16, 29 december 1931 te Delft. Bundel 1991-’93, blz. 377-378.)