Zijn prediking » Overdenkingen » 1 februari


“Wanneer het Gode behaagd heeft... Zijn Zoon in mij te openbaren”.
(Galaten 1:15a en 16a)

Wanneer de Heere Jezus Christus in het hart is geopenbaard, dan ziet de mens, dat hij het altijd bij de Wet heeft gezocht. Niemand had hem ooit daarvan kunnen overtuigen. Hij had toch somtijds zo’n aangename gestalte; hij kon soms zo hartelijk wenen. Er waren tijden waarin het scheen dat hij zich dood zou schreien om het gemis van God! En wie of wat zou nu in staat zijn geweest om deze mens ervan te overtuigen dat dat alles wetswerk was? Daarvan is de mens niet te overtuigen! Maar als de Heere Jezus in het hart is geopenbaard, dán is hij volkomen ervan overtuigd dat ook dat, dus het beste dat hij had, nooit iets anders was geweest dan wetswerk. Doch ook, dat het werken met het Evangelie, het werken met de Heere Jezus, wordt begonnen door de inwoning en door de leiding van de Heilige Geest.

Wanneer de Heere Jezus Christus in het hart is geopenbaard, dan verstaat een mens het onderscheid tussen zijn werk en Gods werk. Het rechte onderscheid had hij nooit gekend. Wat had hij gedaan, of wat zou hij hebben gedaan, wanneer het hem zou zijn toegelaten? Dan had hij zijn godsdienstig werk op rekening van de Heilige Geest gezet. Dit kunt u overal horen! Men zet zijn bidden, zijn bijbellezen, zijn ernst en ik weet niet wat al meer, op rekening van de Heilige Geest, zolang het wordt toegelaten. De mens wist het onderscheid niet tussen vlees en Geest en nooit had iemand het hem kunnen laten zien.

Maar als de Heere Jezus in het hart is geopenbaard, dan behoeft niemand het hem meer te zeggen, hij ziet het! Hij ziet hoe hij werkzaam was van beneden naar boven. Maar tegelijkertijd ziet hij hoe God is gekomen van boven naar beneden, en zó laag is afgedaald, dat Hij onder hem was. Eerst dan verstaat een mens het onderscheid tussen vlees en Geest, het onderscheid tussen zijn eigen werk en Gods werk.

(Uit: Overdenkingen, 1 februari. Preek over 1 Petrus 1:3-4, 3 oktober 1938 te Delft. Bundel 1991-’93, blz. 65-66.)