Zijn prediking » Overdenkingen » 28 januari


“En die Hij gerechtvaardigd heeft, deze heeft Hij ook verheerlijkt”.
(Romeinen 8:30d)

In de kanttekening van de Statenbijbel lezen we tot verklaring van het woord “verheerlijkt”: “Namelijk hier, in de beginselen door de heiligmaking en aanneming tot kinderen, en hiernamaals, door de volle bezitting van deze heerlijkheid”.

De heiligmaking betekent de afzondering. De apostel Petrus predikte immers: “Wordt behouden van dit verkeerd geslacht” (Hand. 2:40). Als nu een mens wordt gekipt en uit de grote hoop wordt gehaald, dan is dit de heiligmaking des Geestes. Waarvan is deze mens dan afgezonderd? Van zichzelf. Hij heeft zichzelf verloochend. De Heere Jezus Christus zei eens: “Indien iemand tot Mij komt, en niet haat zijn vader en moeder, en vrouw en kinderen, en broeders en zusters, ja, ook zelfs zijn eigen leven, die kan Mijn discipel niet zijn” (Luk. 14:26). Nog eens, wat heeft hij gedaan? Al het zijne heeft hij eraan gegeven en als een arme heeft hij zich laten verrijken. Maria sprak dit uit in haar loflied: “Hongerigen heeft Hij met goederen vervuld, en rijken heeft Hij ledig weggezonden” (Luk. 1:53).

Er is wat losgelaten en er is wat aangenomen. Tot op dat ogenblik zocht die mens altijd beide te hebben: het zijne en Christus, ofschoon hij niet wist, noch wat het zijne, noch wat Christus was. Zo kan een mens zijn leven lang de Waarheid lezen, onder de prediking ervan zijn neergezeten, met behoud van het zijne. En dan komt dit altijd vroeg of laat aan de dag.

Wilt u het woord van zo’n afgezonderd mens horen, luistert dan naar het getuigenis van de apostel Paulus in Filippenzen 3:7 en 8: “Maar hetgeen mij gewin was, dat heb ik om Christus’ wil schade geacht. Ja gewisselijk, ik acht ook alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus mijn Heere; om Wiens wil ik al die dingen schade gerekend heb, en acht die drek te zijn, opdat ik Christus moge gewinnen”, enzovoort. Zijn oogmerk is dus Christus te mogen gewinnen. Die mens is afgezonderd van het zichtbare en tastbare en van de wereld. Hij zit daar niet meer aan vast. Hij is daar uitgehaald.

(Uit: Overdenkingen, 28 januari. Preek over 1 Petrus 1:2, 5 november 1930 te Delft. Bundel 1988-’90, blz. 317-319.)