Zijn prediking » Overdenkingen » 27 januari


“En die Hij geroepen heeft, deze heeft Hij ook gerechtvaardigd”. (Romeinen 8:30c)

De rechtvaardigmaking is een vrucht of een gevolg van het waarachtige geloof. Van nature is de mens begrepen in zijn eerste stamhoofd, in Adam. Zo staat de schuld die Adam heeft gemaakt, op zijn rekening. Ook is hij verdorven, want God heeft als een rechtvaardig God hem Zijn beeld onthouden. Hij is onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. Alleen de Heere Jezus Christus heeft gerechtigheid.

Wanneer een mens deze gerechtigheid, de Heere Jezus Christus Zelf, Hem Die ons in de Schrift wordt aangewezen als “de HEERE onze gerechtigheid” (Jer. 23:6), heeft omhelsd door een oprecht geloof, dan is hij in Jezus Christus rechtvaardig voor God.

De toerekening van de schuld van Adam betekent onze veroordeling. De toerekening van de gerechtigheid van Christus betekent onze rechtvaardiging.

De rechtvaardiging is niet dit, dat iemand er door rechtvaardig wordt gemaakt. De rechtvaardigmaking is een daad van God als Rechter, waardoor een zondaar rechtvaardig wordt verklaard. Nog eens: rechtvaardig wordt verklaard en aangenomen bij God, nadat hij door de Heilige Geest gelovig is gemaakt in Christus Jezus.

De rechtvaardigmaking is dus een uitspraak, een uitspraak of verklaring van God. Waar moet deze uitspraak worden gezocht? In het heilig Woord des Heeren. “Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest” (Rom. 8:1). Geen verdoemenis dus voor degenen die geloven, want door het geloof, door het ware geloof, is men in Jezus Christus. “Want de rechtvaardigheid Gods wordt in hetzelve (in het Evangelie) geopenbaard uit geloof tot geloof; gelijk geschreven is: Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven” (Rom. 1:17).

(Uit: Overdenkingen, 27 januari. Preek over Romeinen 8:33, 21 april 1932 te Rotterdam. Bundel 1973-’75, blz. 194-195.)