Zijn prediking » Overdenkingen » 24 januari


“Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave”.
(Efeze 2:8)

Wij geloven dat het geloof een gave van God is, en wij belijden dat het geloof een schepping van God is, zoals het in het 3e en 4e hoofdstuk, punt 12 van de Dordtse Leerregels (één onzer belijdenisschriften) is uitgedrukt. Men moet zich afvragen hoe men weet dat het geloof een gave van God is. Men moet onderzoek doen naar de oorsprong van zijn geloof. Het geloof heeft zijn oorsprong uit God en het komt in ons, wanneer de Heere de belofte, dus het Evangelie, in ons hart verzegelt. En dán verstaan we de woorden van Johannes 3:33: “Die Zijn getuigenis aangenomen heeft, die heeft verzegeld, dat God waarachtig is”. Dus als de Heilige Geest het Evangelie in ons hart heeft verzegeld, dan horen we God door het Evangelie tot ons spreken, en zo ontstaat in ons het waarachtige geloof. Zó ontstaat het en zó moet het bij ons ontstaan zijn, en dit bevestigen de woorden van Psalm 27:8 en 9: “Mijn hart zegt tot U: Gij zegt: Zoekt mijn aangezicht” (dit is de verzegeling) – en nu komt het antwoord: “Ik zoek Uw aangezicht, o HEERE. Verberg Uw aangezicht niet voor mij, keer Uw knecht niet af in toorn”.

Nu denkt een mens die het algemene werk des Geestes heeft, dat hij dat alles doet en dat hij dat alles allang heeft gedaan. Hij verstaat de dingen niet. Niemand verstaat de dingen, of hij moet eerst hebben gezien, dat hij ze nooit had verstaan. Dat is een kenmerk van het waarachtige geloof.

Wordt in u het waarachtige geloof gevonden? Weet u dat wanneer men op zijn best meent te zijn, men dan op zijn slechtst is? Is u er ooit aan ontdekt, dat uw godsdienst, uw geestelijke schatten, niet deugden en niet deugen, omdat Christus er niet in was en is? Ze deugden niet, omdat in uw hart de wortel der bitterheid werd gevonden. Dit gewaar te worden is de overtuiging van zonden. Dit is het begin van het begin, want het begin begint niet van onze kant, want bij ons is geen begin, bij ons is niets (1 Kor. 1:28-29).

(Uit: Overdenkingen, 24 januari. Preek over 2 Korinthe 5:20, 22 maart 1928 te Rotterdam. Bundel 1967-’69, blz. 257-258.)