Zijn prediking » Belangrijke onderwerpen » De sacramenten


De sacramenten

Bij de prediking hoort het sacrament; Doop en Avondmaal

Bij de prediking van het Evangelie hoort het sacrament, dat van de Doop en dat van het Heilig Avondmaal. Wie de prediking niet verstaat, begrijpt ook het sacrament niet, en men laat als men kinderen heeft, deze kinderen dopen uit sleur, gewoonte of uit bijgeloof. Het heeft, althans voor de doopouders, niet alleen niets te betekenen, maar het maakt hun schuld groter.

De Doop, wat is dat eigenlijk voor een sacrament? Wel, het is het sacrament van onze inlijving in de Kerk van Christus. Wanneer deze inlijving heeft plaatsgehad, dan vinden we deze inlijving en al wat erbij gebeurd is, betekend en verzegeld door de Doop. Wanneer iemand Christus en Zijn Gemeente ingelijfd is, en hij neemt het formulier van de Heilige Doop, dan leest hij daarin wat God hem deed ondervinden. En zo is hij in staat om daar amen op te zeggen. (…)

Het sacrament van het Heilig Avondmaal is het sacrament van onze groei in de Kerk, in de christelijke religie. Dus eerst de Doop en dan het Heilig Avondmaal.

(Uit: Preek over Johannes 21:15, 10 juni 1951 te Den Haag. Bundel 1991-’93, blz. 197.)


De Doop verzegelt het Verbond der genade

De Doop is een teken en zegel van het Verbond der genade. “Ja, dat weten we allen uit de Catechismus en de Geloofsbelijdenis”, zegt ge. Dat is zo. Dáár wordt gevonden dat God de Vader, in Jezus Christus Zijn Zoon, door de Heilige Geest, betuigt en verzegelt dat Hij met ons een eeuwig Verbond der genade opricht, gelijk God gesproken heeft tot Abraham, de vader aller gelovigen, en in hem tot ons en onze kinderen, zeggende: “Ik zal Mijn Verbond oprichten tussen Mij en tussen u en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God en uw zaad na u” (Gen. 17:7).

Door de Doop ontvangt de Kerk het teken en zegel, dat God haar een Vader wil en zal zijn in Christus Jezus, in Wie zij heeft de vergeving der zonde en de vernieuwing des levens; hetgeen betekent: de rechtvaardigmaking en de wedergeboorte, deze genomen als het beginsel van de heiligmaking. Hierom is het dat de Schrift de Doop het bad der wedergeboorte en de afwassing der zonden noemt (Heidelbergse Catechismus, antwoord 71; Tit. 3:5; Hand. 22:16). Deze twee zaken worden dus door de Doop betekend en verzegeld.

(Uit: Preek over Handelingen 1:4, 5, 20 mei 1926 te Delft. Bundel 1979-’81, blz. 249.)


Doop en geloof horen bij elkaar

Doop en geloof horen bij elkaar. Markus 16:16: “Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden”. De Doop is een teken en zegel. Zo veronderstelt de Doop dus het waarachtig geloof. De kamerling van Candacé, de koningin der Moren, zei tot Filippus: “Ziedaar water; wat verhindert mij gedoopt te worden?” En het antwoord van de evangelist was: “Indien gij van ganser harte gelooft, zo is het geoorloofd”. Waarop hem door de kamerling werd gezegd: “Ik geloof dat Jezus Christus de Zone Gods is” (Hand. 8:36, 37).

(Uit: Preek over Handelingen 16:15, 17 oktober 1929 te Rotterdam. Bundel 1970-’72, blz. 262.)


De betekenis van de Doop; de kinderdoop

De Heere Jezus wordt niet alleen aan grote mensen aangeboden, Hij wordt ook aangeboden aan de kinderen van de grote mensen. Dat blijkt uit de Bijbel, want er staat in Handelingen 2: “Want u komt de belofte toe en uw kinderen en allen die daar verre zijn, zovelen als er de Heere onze God toe roepen zal” (vs. 39). Christus Zelf heeft de kinderen tot Zich geroepen: “Laat de kinderkens tot Mij komen” (Luk. 18:16). En toen de stokbewaarder uit Handelingen 16 gebracht werd tot het geloof en vroeg: “Wat moet ik doen, opdat ik zalig worde?” (vs. 30), is het antwoord geweest, dat hij zou geloven en zich laten dopen, zichzelf en zijn huis. Dat kun je allemaal in de Bijbel vinden.

Neem aan dat iemand tot het geloof gekomen is. Christus werd niet alleen aangeboden aan hém, maar ook aan zijn kinderen. Dus die mens neemt Christus aan, maar hij doet dat niet alléén; hij doet het ook als vader of moeder, of ook: zij doen het als ouders. Hun kinderen hebben zij bij zich.

Nu komt bij de prediking het sacrament, dat van de Doop en dat van het Avondmaal. Wat is een sacrament? Teken en zegel! Dus een sacrament laat ons iets zien; dat doet het als teken. Het verzegelt ook iets, dat doet het als zegel.

Wat doet het als teken? Als teken laat het sacrament ons zien, wat het Evangelie ons laat horen. Wat? Dit, dat in Christus is de behoudenis, het leven. Wat is het leven? Het leven bestaat uit de rechtvaardigmaking en de heiligmaking, uit de vergeving der zonden en de vernieuwing des levens. Dat laat nu het sacrament van de Doop zien. Eerst was er de Doop door onderdompeling, nu door besprenging, maar in wezen maakt dat geen verschil. Wie ondergedompeld werd, was weg. Voordat iemand gelooft, is hij weg, is hij dood. Dat heeft hij uit de Wet geleerd. Want de Wet stelde hem onder de eis en bekleedde hem met de vloek. Door het Evangelie aan te nemen, bekende hij dat hij onder de vloek lag en onder de eis van de Wet. Dus hij boog; hij was dood. Maar de ondergedompelde bleef niet onder water. Hij kwam weer uit het water op. Dat wordt betekend door de Doop, want iemand die gedoopt wordt, wordt gereinigd zoals iemand die in het water komt, gereinigd wordt. Maar iemand die gedoopt wordt, staat ook op in een nieuw leven, zoals iemand die onder water geweest is (dus weg geweest is) en opstaat uit het water, in een nieuw leven komt. Daar heb je de beide zaken die door de Doop betekend worden: de afwassing der zonden en de vernieuwing van het leven. Dus iemand die zich laat dopen, geeft daarmee te kennen dat hij de Wet gehoord heeft, zijn zonden en dood heeft gevoeld, tot Christus gekomen is, en in Christus gevonden heeft het leven dat hij in zichzelf niet had.

Nu komt de Doop die dat betekend heeft, dat ook te verzegelen. En wat verzegelt dan de Doop? De Doop verzegelt dat God geen God zal wezen, als Hij de zonden niet vergeeft en als Hij de zonden er niet allengskens onder brengt. Met andere woorden, dat God geen God zal zijn als Hij die mens niet voor rechtvaardig houdt en vernieuwt. Dus hieruit zie je nu dat het sacrament van zeer grote betekenis is.

Wanneer nu een mens komt tot de Doop en hij heeft van tevoren niet geloofd, dan is hem diezelfde Doop tot verdoemenis. Want hij heeft God laten verzegelen dat God hem die gelooft, voor rechtvaardig zal houden en vernieuwen. Maar hij heeft niet geloofd; zijn geloof is schijn geweest! Daarmee heeft hij uitgesproken dat hij verdoemd is, althans zolang als hij niet komt tot het geloof.

Maar ik zeg: de ouder die tot het geloof gekomen is, die komt als hij kinderen heeft, niet alleen. Hij brengt die kinderen mee, de kleine kinderen (wij hebben het nu over de Doop aan de kleine kinderen). En de kleine kinderen ontvangen ook de Doop, want de Doop – dat kun je vinden in de Bijbel – wordt bediend aan de kinderen der gelovigen. Als nu zo’n ouder sterft, dan gaat hij naar de hemel, daar hij van God in Christus gerechtvaardigd en geheiligd is. Als zo’n kind sterft als kind, dan mogen de gelovige ouders deze troost hebben, dat dat kind niet verloren is, maar behouden. Ik zeg: de gelovige ouders. Er is wel eens gezegd: “Als het kind uitverkoren is tenminste”. Nee, wij werken met de uitverkiezing niet, althans zó werken wij er niet mee. Wij moeten een tastbare zaak hebben. Voor de zaligheid van iemand moeten wij met de Bijbel terecht kunnen. Wij moeten zien en lezen dat de Bijbel hem zalig verklaart. Dus zo’n kind is dan voor de gelovige ouders niet verloren.

Maar als de ouders, die met hun kind ten doop zijn gekomen nu niet gelovig zijn, zoals dat in de meeste gevallen toch voorkomt – ouders die niet gelovig zijn, laten toch hun kinderen dopen, veronderstel dat dit gebeurt – hoe is het dan met die ouders en hun kinderen? Wel, die ouders kunnen dan natuurlijk geen troost hebben als het kind sterft. Want er is geen troost voor een mens die buiten het Verbond is, die ongelovig is, want er staat: “Die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden” (Mark. 16:16). Dus een mens die bestemd is om verdoemd te worden – veronderstel dat hij niet komt tot het geloof – wordt door God niet getroost ten aanzien van zijn kinderen. Hij kan alleen getroost worden als hij zelf tot het geloof komt, tot het geloof in Christus. En komt hij daartoe, dan wordt hij ook getroost en hij zou óók getroost worden als zijn kleine kind kwam te sterven, veronderstel dat hij nog een klein kind had. (…)

Wanneer gelovige ouders zich laten dopen en dan ook hun kinderen, dan ligt hierin opgesloten dat deze ouders hun kinderen zullen opvoeden in de leer die zij in God gevonden hebben, dus in de leer die naar de Godzaligheid en de zaligheid is, dus in de Waarheid. Dat zullen zij ook doen, want als zij zelf gelovig zijn, dan is er niets dat hun zo zwaar weegt als het lot van hun kinderen in betrekking tot de eeuwigheid. Daar is de positie van zo’n kind in de wereld niets bij vergeleken. Gelovige ouders hebben tenslotte maar één zorg in betrekking tot hun kinderen, en dat is deze: Hoe zal het met mijn kinderen gaan in betrekking tot de eeuwigheid? En al het andere is voor deze ouders bijzaak. Dus dit sluit in dat zij hun kinderen zullen opvoeden in de Waarheid gelijk zij in Jezus Christus is. (…)

Zie, zo liggen deze zaken. De Doop is immers van grote betekenis! Want hij is een verzegeling zoals ik je gezegd heb. God zegt in het sacrament, dat Hij ophouden zal God te wezen, als Hij niet doet wat Hij in de Doop beloofd heeft, namelijk de gedoopte te houden voor rechtvaardig en hem te vernieuwen naar Zijn eigen beeld. Maar de voorwaarde hiervan is het geloof; dit dus, dat de mens zelf het Verbond heeft ingewilligd en de genade, het leven, bestaande uit vergeving der zonden met het recht op het leven en de vernieuwing in, met en door de Heere Jezus Christus aangenomen heeft. Als dat geloof er nu niet is – je kunt zelf de conclusie trekken, nietwaar – dan komt alles anders te liggen en in plaats dat de Doop dan een troost zou zijn, is hij een oordeel.

“Dan”, zul je misschien denken, “is ’t het beste, voor mij althans, mijn kinderen niet te laten dopen en ik heb spijt dat ik het gedaan heb”. Goed, ik hoor u dat zeggen. Hierop antwoord ik: Dan moet u toch wel weten dat u openbaar, voor uzelf en voor uw kind, het Genadeverbond verwerpt. Vergeet dat niet! Wie zijn kind laat dopen zonder gelovig te zijn, verwerpt het Verbond. Wie weigert zijn kind te laten dopen, verwerpt het Verbond én voor zichzelf én voor zijn kind. Daarom heb ik wel gezegd, wanneer iemand mij vroeg: “Als ik onbekeerd ben, mag ik dan toch mijn kind laten dopen?”: “Je zou willen dat ik je de ene of de andere kant op wees, maar dat doe ik niet. Maar ik zeg je: God eist van je, dat je je ogenblikkelijk bekeert en dat je ook je kind laat dopen.” En daar is niets aan te veranderen. Zo liggen de dingen.

Wat is nu de betekenis verder van de Doop? Ik heb je één betekenis genoemd, maar er zijn er nog twee andere te noemen. Ten eerste moet door de Doop – en dit is ook het geval met het Avondmaal – de Gemeente openbaar worden. Als er alleen de prediking was, dan bleef de Gemeente verborgen. Maar ter verheerlijking Gods, ter verheerlijking van de kennis en de genade Gods, moet de Gemeente of de Kerk openbaar worden. Hiervoor dient de Doop. Want als nu de gelovige ouders, de leden van de Kerk, verschijnen om hun kinderen te laten dopen, dan kan gezegd worden: “Hier is de Kerk”. Zij wordt dus daarin openbaar. Dus ook door het sacrament van het Heilig Avondmaal.

De Doop als teken en zegel heb ik als eerste betekenis genoemd, maar de verheerlijking Gods had ik eigenlijk in de eerste plaats moeten noemen.

En de derde betekenis is, dat zo ook de Kerk naar haar zichtbare gedaante in stand moet blijven. En daarom heeft Christus de Doop ingesteld met de prediking en gezegd: “Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld” (Matth. 28:20). Dus tot aan de voleinding der wereld wil de Heere de Doop en het Avondmaal, en de prediking in de eerste plaats, doen zijn. De uitverkorenen, zij die door de prediking van het Evangelie gekomen zijn tot het geloof, komen bij de Doop en het Avondmaal openbaar, zodat men zeggen kan: “Hier is de Kerk”.

Dat zijn de drie oogmerken die God heeft met de sacramenten. Dus ter wille van de ere Gods en dan ook ter wille van de zaligheid van de mens heeft God de sacramenten ingesteld.

(Uit: Catechisatie over “De betekenis van het sacrament van de Heilige Doop”, 7 juli 1944 te Den Haag. Bundel 1985-’87, blz. 219-223.)


De ouders vertegenwoordigen hun kind

Nu hebt u hier de plaats van de ouders. Wat is dan deze plaats? Zij geloven voor of in de plaats van hun kind. Die ouders zijn om zo te zeggen algemene of publieke personen, die nog een ander ook vertegenwoordigen, zoals Adam de gehele mensheid vertegenwoordigde, en zoals Jezus Christus Zijn gehele Gemeente vertegenwoordigde. Christus was behalve Borg een algemeen Persoon. Zo ook met de ouders; zij zijn tot op zekere hoogte algemene of publieke personen. Zij vertegenwoordigen hun kind, zij handelen voor hun kind dat minderjarig is in tijdelijke dingen; zo ook in het geestelijke. De ouders handelen voor of in de plaats van hun kind.

Dus dat kind krijgt de Doop in de veronderstelling van het geloof. Dus een ouder die voor zijn kind de Doop begeert, gelooft voor dat kind (*). Nietwaar, zo liggen de zaken. Hij moet dan ook van dat geloof belijdenis afleggen. “Opdat het dan openbaar worde dat gij alzo gezind zijt, zult gij van uwentwege hierop ongeveinsdelijk antwoorden” (Formulier van de Heilige Doop). Daar doet nu die ouder belijdenis van zijn geloof. Hij doet dat niet ten bate van, maar in de plááts van zijn kind. En als dat kind nu gedoopt is, op grond van het geloof van de ouders, en omdat dat kind heilig is (1 Kor. 7:14), dan moet dat opgroeiende kind om zo te zeggen doen wat de ouders in de plaats van hem gedaan hebben, dat is, het moet zich bekeren, geloven. Het moet voor zichzelf geloven, geloven met het rechtvaardigmakend en heiligend geloof.

(*) Vergelijk kanttekening 11 bij Lukas 19:9 en kanttekening 68 bij Handelingen 16:31 (Statenvertaling).

(Uit: Preek over “De betekenis van het sacrament van de Heilige Doop”, 15 april 1945 te Den Haag. Bundel 1988-’90, blz. 78-79.)


Het sacrament van het Avondmaal

Het sacrament van het Heilig Avondmaal is het sacrament van de groei. Het veronderstelt het sacrament van de Heilige Doop. Dit sacrament is het teken en zegel van de geboorte. Gij weet dat de Heere Jezus eens sprak: “Voorwaar, voorwaar zeg Ik u, tenzij dat iemand wederom geboren wordt, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien” (Joh. 3:3). Als nu deze wedergeboorte heeft plaatsgehad, dan vindt de mens aan wie deze weldaad geschonken is, in de leer van de Doop, zoals wij deze vinden in het Formulier van de Heilige Doop, uitgedrukt en beschreven hetgeen hij nu door de genade en de werking van de Heilige Geest heeft ondervonden. Het is dus duidelijk dat, waar het sacrament van het Heilig Avondmaal teken en zegel van de groei is, er vooraf moet zijn het sacrament van de Heilige Doop of het teken en zegel van de geboorte, van de ingang, van de inlijving in de kerk van Jezus Christus.

“Voor wie”, zo vraagt onze catechismus (vr. 81), “is het Nachtmaal des Heeren ingesteld?” En toehoorders, het is noodzakelijk dat wij van deze vraag ons nauwgezet rekenschap geven. Ons Formulier zegt dat Christus het Heilig Avondmaal ingezet heeft voor de gelovigen. En dat is waar! Want zo staat er in het Woord: “al wat uit het geloof niet is, dat is zonde” (Rom. 14:23). Als men niet gelooft, dan leeft men niet, ons ontbreekt dan het geestelijk leven. En wanneer men niet leeft, dan kan men niet eten, ook niet onderscheiden.

Voor de gelovigen. – Dus voor degenen die in Christus zijn. Want het geloof is de vereniging met Christus. Die gelooft, verenigt zich met de Heere Jezus Christus. Voor hen die gerechtvaardigd en geheiligd zijn. Want rechtvaardiging en heiliging zijn vruchten van een waar zaligmakend geloof, zoals u vinden kunt in Romeinen 5:1 en Handelingen 15:9. Voor hen, die in het Verbond zijn. Want het Heilig Avondmaal is evenals de Heilige Doop teken en zegel van het Verbond der genade.

Mógen alleen zij toegelaten worden, die wedergeboren zijn? Neen, toehoorders. Toegelaten mógen worden allen die gezond in de belijdenis zijn en door hun leven geen ergernis geven. Het is altijd de overtuiging van de kerk van Jezus Christus geweest, dat er door ons over het hart niet mag worden geoordeeld. Maar dit neemt natuurlijk niet weg dat ieder geroepen is om zichzelf te onderzoeken of voor hem persoonlijk het Heilig Avondmaal ingesteld is.

Als iemand gelooft, dan wordt hij veranderd, veranderd van staat en hart beide. Hij wordt van staat veranderd door de rechtvaardigmaking. Hij wordt van hart veranderd door de wedergeboorte. Wanneer er dan gezegd wordt dat men zich zal onderzoeken, dan moet men zich niet verliezen in allerlei algemeenheden, maar zich afvragen of men veranderd is van hart en staat; nog eens: van hart door de wedergeboorte, van staat door de rechtvaardigmaking.

Er moet dan een onderzoek plaatshebben. De Heere eist van de Zijnen dat zij dit zullen doen. In 1 Korinthe 11:28 vinden wij immers: “Maar de mens beproeve zichzelf, en ete alzo van het brood en drinke van den drinkbeker”. “Beproeve zichzélf”, want ieder moet zijn eigen geloof leven.

Het is mogelijk zich te beproeven. De mens weet wat er tussen God en zijn ziel is omgegaan en nog omgaat. Het is hem bekend dat hij – zo dit waarlijk geschied is – geworden is voor God: een zondaar, zonder meer, en dat de Heere in het ogenblik waarin alles onder de voeten wegzonk, Zich heeft geopenbaard. Het is hem bekend – nog eens, als hij een begenadigde is – wat op dit alles gevolgd is. Hierom zeg ik dat het onderzoek kán plaatshebben.

Maar het móet ook plaatshebben, omdat het van zo groot gewicht is. Want wie aanzit, spreekt het uit dat hij een gelovige is, dat hij gerechtvaardigd en geheiligd is, dat hij in een verbond met God staat, dat de Heere voor hem alles is, dat hij niet van déze wereld maar van een ándere wereld is, enzovoort. Als dit nu zo niet was, wanneer hij zich hierin vergiste, zich bedroog, dan zou dit toch verschrikkelijke gevolgen kunnen hebben?

Bij het onderzoek hebben wij behoefte aan een leidraad. Ik heb al gezegd dat wij ons in algemeenheden niet moeten verliezen. Deze leidraad hebben wij in onze Catechismus. In de 30e afdeling, het laatste gedeelte, vinden wij de vraag: “Voor wie is het Nachtmaal des Heeren ingesteld?” (Heidelbergse Catechismus, vraag 81). Dat is dus de vraag. En op deze vraag moet een antwoord wezen, een zodanig antwoord dat er van zelfbedrog geen sprake meer kán wezen. Wij doen dus goed, wanneer wij op het antwoord dat in de Catechismus gegeven wordt, nauw acht geven. Dit antwoord is u bekend.

(Uit: Voorbereidingspreek, 12 november 1952 te Den Haag. Bundel 1951-’54, blz. 446-448.)


Nodiging tot het Avondmaal

Genodigd worden allen die kennis hebben van, en smart over de zonde, en wel wilden dat God met wortel en tak bij hen alles uitroeide wat niet is naar de reinheid des Geestes; mensen die zichzelf verfoeien, ofschoon nooit diep genoeg, die zichzelf vernederen, zodat niemand hen kan beledigen; mensen die Gods eer stellen boven zichzelf, en voor wie alleen eeuwige waarde heeft: Jezus Christus en Dien gekruisigd. Zij worden daar uitgenodigd, en de anderen moeten niet komen.

Genodigd worden, die rusten in de gehoorzaamheid van Christus, in Zijn Persoon, en door Christus in de barmhartigheid des Vaders. “Jezus, Uw verzoenend sterven, blijft het rustpunt van ons hart” – dát – “als wij alles, alles derven, blijft Uw liefd’ ons bij in smart” – zúlke zaken!

Genodigd worden degenen van wie het de voornaamste lust is om boete te doen over hun leven, en die zeggen met de dichter, en dit ook dagelijks herhalen, onder alle omstandigheden van het leven: “Wien heb ik nevens U in den hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde” (Ps. 73:25).

(Uit: Preek over Johannes 19:39a, 25 maart 1956 te Den Haag. Bundel 1955-’57, blz. 294.)