Zijn prediking » Belangrijke onderwerpen » De soevereiniteit Gods; de verkiezing


De soevereiniteit Gods; de verkiezing

De verkiezing het hart van de Kerk

“Gode zijn al Zijn werken van eeuwigheid bekend” (Hand. 15:18). Hoe meer we de genade leren verstaan, des te meer liefde krijgen we tot de verkiezing. Deze zaak is eerst een struikelblok voor alle nadenkende mensen, maar later, als iemand genade deelachtig geworden is, dan wordt het anders. Weet u wel wat de Kerk in de Reformatie van deze zaak zei? De Kerk in de dagen van de Reformatie zei dat de verkiezing is: “cor ecclesiae”. Dat zijn twee latijnse woorden en ze betekenen: het hart van de Kerk. Dat is schoon gezegd: het hart van de Kerk. Neem deze leer weg, ontken ze, spreek ze tegen – de Kerk is ook weg. Want als het hart er niet meer is, dan is er alleen maar de dood. “Cor ecclesiae”, hart van de Kerk.

(Uit: Preek over Hooglied 1:4, 13 september 1953 te Den Haag. Bundel 2003-’05, blz. 12.)


De laatste grond het welbehagen Gods

Als een mens begenadigd wordt, waarom geschiedt dat? Veronderstel dat hij eens zei (hij zal dat niet zeggen), maar veronderstel dat hij eens zei: “Omdat ik zo getrouw ben geweest in de dingen, of omdat ik ze onderzocht heb, of omdat ik mijn leven lang de Wet onderhouden heb, zoals de rijke jongeling”. Veronderstel dat hij zo eens sprak. Het gebrek aan zelfkennis zou heel duidelijk zijn, maar dat is nog tot daaraan toe. Maar hij zou zijn naaste drukken door zichzelf boven zijn naaste te plaatsen. En als iemand zichzelf boven zijn naaste plaatst, wees er dan maar van overtuigd dat hij zich ook boven God zet. Maar als iemand begenadigd is, dan spreekt hij zo niet; hij ziet dan de gronden waarop hij begenadigd is geworden. Hij ziet in de Persoon en in het werk van de Heere Jezus Christus de eerste en naaste grond, in wat Christus gedaan heeft, dus niet in wat hij gedaan heeft – hij heeft niets gedaan dat van enige waarde zou kunnen genoemd worden – in wat Christus gedaan heeft. In dat ontzettende lijden in Gethsémané en op Golgotha en in het lijden van Zijn ganse leven, in Zijn gehoorzaamheid, in Zijn zelfverloochening, wereldverzaking, daarin ziet hij de grond van zijn behoudenis. En hij is hiervan zo overtuigd, dat hij zegt: “Als dat niet had plaatsgehad, dan zou ik geen druppel water hebben en geen sneetje brood, ook geen kleding; ik zou niets anders hebben dan eeuwige ondergang”. Zo ziet een mens het die begenadigd is.

Maar nu begrijpt hij dat er nog een andere grond is. Want hij is omgeven van mensen die de dingen zo niet zien, ze niet verstaan, ze niet zoeken, ze niet missen. Hoe komt het nu dat er voor hem een tijd aanbrak waarin hij voelde dat hij ze miste en niet kon missen? En hoe komt het dat ze na kortere of langere jaren hem werden geopenbaard en nu geopenbaard zijn? Hoe komt dat? Hier is een andere grond. En deze grond is genoemd in de bekende woorden van de apostel Paulus: “Wanneer het Gode behaagd heeft Zijn Zoon in mij te openbaren” (Gal. 1:15, 16). Het welbehagen Gods, dat is de andere grond. Dat is, om zo te zeggen, de tweede en laatste grond, het welbehagen Gods. En een mens die begenadigd is, die daar als een begenadigd mens staat of ligt, krijgt een vergezicht in de eeuwigheid, en hij aanschouwt het welbehagen. Dat is de verkiezing. Eer iets van mij begon te leven, was ik al in Uw boek geschreven (Ps. 139:9 ber.).

U voelt dus wel, dat is geen leerstuk, nog eens, waarover men zou kunnen twisten, maar dat is een stuk leven, leven in het hart, in het hart van de begenadigde, leven, waarachtig leven, door de kennis waarvan deze mens in staat wordt gesteld om God de eer te geven. Want u voelt het misschien wel, hier valt de mens geheel buiten, al bij de eerste grond die ik u genoemd heb, en nog meer bij de laatste grond, waar ik nu iets van gezegd heb, hier valt de mens geheel erbuiten, en nu geeft hij God dan ook de eer. En daar zijn de psalmversjes vandaan gekomen en de getuigenissen, onder andere dit: “Door U, door U alleen, om ’t eeuwig welbehagen” (Ps. 89:8 ber.). Dat is het lied van de verlosten, dat hier wel eens gezongen wordt, maar dat in de eeuwige heerlijkheid tot in alle eeuwigheid zal gezongen worden: “Door U, door U alleen, om ’t eeuwig welbehagen”.

(Uit: Preek over Hooglied 1:4, 30 augustus 1953 te Den Haag. Bundel 2003-’05, blz. 3-4.)


Verkiezing en verwerping

“Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods?” (Rom. 8:33).

“Uitverkorenen Gods”. Zij zijn afgezonderden: in de tijd door de roeping; in de eeuwigheid van vóór de grondlegging der wereld door een besluit, door een besluit van God drie-enig. Ik zei: zij zijn afgezonderd in de tijd door de roeping. De roeping maakt Gods bedoeling met hen, aan de uitverkorenen bekend. Of wij behoren tot de uitverkorenen dan wel tot de verworpenen, daar weten we niets van totdat de roeping plaatsheeft. Niet zodra heeft God ons geroepen, of wij krijgen te verstaan, dat het Gods voornemen was om niet alleen anderen, maar ook ons vergeving van zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid te schenken. (…)

Door de genade der roeping zijn de uitverkorenen afgezonderd in de tijd. Door een besluit zijn zij afgezonderd vóór de grondlegging der wereld, door een besluit van God drie-enig, waarom zij genoemd worden: “uitverkorenen Gods”. God de Vader zonderde ze af. Waarom hen en geen anderen? Dat zal eeuwig verborgen blijven. God de Vader zonderde ze af van eeuwigheid. God de Vader legde Zijn hand op hen en gaf ze daarop aan de Zoon, want in de zaligmaking van de zondaar bedoelt God de openbaarmaking van Zijn heerlijke deugden. “Ik doe het niet om uwentwil, gij huis Israëls, maar om Mijn heiligen Naam” (Ezech. 36:22).

De Zoon nam ze uit de hand des Vaders aan en kwam onder de verplichting, nadat Hem in een mens de menselijke natuur zou bereid zijn, door lijden en sterven de uitverkorenen, die Hij als gevallen in Adam zag, te rantsoeneren, vrij te maken van het verderf en los te maken van satan en verdoemenis.

En de Heilige Geest, de derde Persoon in het Goddelijke Wezen, Die bij deze onderhandeling tegenwoordig was, zegde toe, wat weggelegd was door de Vader en verworven zou worden door de Zoon, door Zichzelf mee te delen en te gaan werken in het hart der uitverkorenen, de uitverkorenen toe te passen of hen in bezit te stellen van de zaligheid.

Door dit besluit van God drie-enig waren zij afgezonderd van eeuwigheid en tot in eeuwigheid, zodat er, wanneer de mens zou geschapen zijn, al de eeuwen door tweeërlei volk zou wezen: een volk dat verkoren was door God en een volk dat verworpen was door God; want de verwerping is de keerzijde van de verkiezing. Was er geen verwerping, dan zou er van geen verkiezing kunnen worden gesproken. “Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods?”

(Uit: Preek over Romeinen 8:33, 7 april 1932 te Schiedam. Bundel 1973-’75, blz. 164, 166-167.)


De leer van de verkiezing verootmoedigt de mens

De grond van onze behoudenis is onze verkiezing. Dit is de laatste grond. De rechtvaardigheid van God eist onverbiddelijk de ondergang van de mens, maar de barmhartigheid van God leidt tot onze behoudenis. Vraagt iemand: Waarom heeft God mij liefgehad? Waarom was het op mij gemunt? Dan worden we gewezen naar de grond van de Goddelijke liefde, en deze is: het eeuwig voornemen van God. Dus vraagt iemand: Waarom was het op mij gemunt? Hoe komt het dat God mij bedoelde, aan mij gedachtig was, met voorbijgaan van zo onnoemelijk veel medemensen, met voorbijgaan van die en die? Dan is het onveranderd antwoord: “Zó behaagde het Mij, zó was het Mijn voornemen, zó was Mijn liefde! Ik heb u liefgehad! Ik heb u van eeuwigheid gekend!” (Jer. 31:3). En zalig is de mens die in de Goddelijke liefde mag geloven en die het getuigenis van Zijn Goddelijke liefde mag aannemen. Deze mens beleeft zijn verkiezing. Voor hem is die verkiezing niet alleen een waarheid die in Gods Getuigenis is te vinden, maar ook een levend ding. Hij aanvaardt ze. Het is een proeven en smaken “dat de Heere goed is” (Ps. 34:9).

Deze leer verootmoedigt de mens en deze leer alleen! De mens is niets, God is alles! Dat is het kort begrip van de Christelijke religie. De mens is niets! Ze liggen allen op een hoop bij elkaar: de wereldse mens en hij die uit de wereld is getrokken. De mens is niets, God is alles, gelijk er staat in Romeinen 9:11: “Want als de kinderen nog niet geboren waren, noch iets goeds of kwaads gedaan hadden, opdat het voornemen Gods, dat naar de verkiezing is, vast bleve, niet uit de werken, maar uit den Roepende”. “Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen” (Rom. 11:36). Ook staat er in Filippenzen 2:12 geschreven: “Werkt uws zelfs zaligheid met vreze en beven”; maar er volgt op: “Want het is God Die in u werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen” (vs. 13).

(Uit: Preek over Johannes 3:16, 12 februari 1931 te Rotterdam. Bundel 1973-’75, blz. 22-23.)


De verkiezing is een verborgenheid

Wíe uitverkoren zijn en wíe door God zijn voorbijgegaan, dát weten wij niet. “De Heere kent degenen die Zijne zijn” (2 Tim. 2:19). Dit wordt ons ook niet bekendgemaakt. Wanneer nu iemand denkt (en dit komt voor): “Ach, als ik nu toch eens niet uitverkoren was, wat dan?” – Deze vraag is niet bestemd om beantwoord te worden. Men wacht op het antwoord op deze vraag tevergeefs. Het wordt níet gezegd, nóch wie uitverkoren, nóch wie verworpen is. Zij moeten een andere weg inslaan, en dat moet ons geleerd worden. Er ís zaligheid. Dat de zaligheid er is, betekent dat het zalig worden voor u mogelijk is. Wanneer iemand zegt: “Voor mij niet”, dan zondigt hij tegen een duidelijke waarheid. De zaligheid is in de Heere Jezus; niet in ons, in de Heere Jezus. Niet voor een deel in ons, in de Heere Jezus alléén. Hij heeft haar verworven en nu wordt de zaligheid ons bekendgemaakt, voorgesteld, aangeboden, door de prediking, door het Woord in het algemeen. Hier moeten wij nu acht op geven.

(Uit: Catechisatie, 11 maart 1953 te Den Haag. Bundel 1951-’54, blz. 514.)


Laat u in met wat geopenbaard is

Geliefden, zegt niet: “Misschien ben ik niet uitverkoren”. Laat dat na! Bemoeit u niet met verborgenheden, maar laat u geheel in met wat geopenbaard is, met wat de genade is die u nodig hebt.

(Uit: Preek over Johannes 6:37b, 10 november 1932 te Schiedam. Bundel 1973-’75, blz. 328.)


Bewustheid van verkiezing; lofprijzing

Zeg ik dat de verkiezing voor ons niet bloot ligt, dan wil ik daarmee niet hebben uitgesproken dat een mens zich niet van zijn verkiezing tot zaligheid door God in Christus kan bewust zijn. We stellen het tegendeel! Niet zodra heeft iemand door een waarachtig geloof Christus aangegrepen, of de Zoon van God geeft hem een blik te slaan in de onbegonnen eeuwigheid, zodat hij gevoelt met de dichter van Psalm 89: “Door U, door U alleen, om ’t eeuwig welbehagen” (vs. 8 ber.).

(Uit: Preek over Johannes 3:17, 30 november 1926 te Vlaardingen. Bundel 1964-’66, blz. 346.)