Zijn prediking » Belangrijke onderwerpen » Het leven des geloofs


Het leven des geloofs

Hang de Heere aan

De weg die God met een mens houdt, is altijd hem te brengen in de laagte. En de weg die de mens met God houdt, is altijd om zichzelf te brengen in de hoogte. “Op dezen zal Ik zien, op den arme en verslagene van geest en die voor Mijn woord beeft” (Jes. 66:2).

Leid een biddend leven, nacht en dag. Als u wakker zijt, bid. Als u naar bed gaat, vraag de Heere of Hij, wanneer ge opstaat, met u wil wezen. Leid een zoekend, onderzoekend, doorzoekend leven. Verwonder u veel. Een gelukkig mens is hij die zich verwonderen kan, zich verwonderen kan over de grootheid en de heerlijkheid Gods. Leid een dankend leven. Dank God iedere dag dat Hij u niet wilde overlaten aan uzelf, dat Hij u getrokken heeft en trekt met mensenzelen en koorden der liefde (Hos. 11:4). En hang de Heere aan, ook in een weg waar eigenlijk geen weg is. Dit zijn doorgaans de beste wegen. Denk aan Psalm 68: “U zullen, wanneer uw pad loopt door de zee, geen golven overstromen” (vs. 11 ber.). Waag het met God altijd. Waag het nimmer met uzelf. Waag het ook niet met uw naaste, al zou hij de naam hebben van begenadigd te wezen. Waag het met geen sterveling. Kijk uit uw eigen ogen, dat wil zeggen, uit de ogen die men ontvangt in de wedergeboorte. Als u uit zulke ogen ziet, dan ziet u de dingen zoals God ze ziet. En spreek wat de Heere u geeft te spreken, en niet wat uw vroomheid u ingeeft.

(Uit: Preek over Romeinen 8:1a, 24 oktober 1954 te Den Haag. Bundel 2003-’05, blz. 311-312.)


God onderhoudt het goede werk

De Heere begint met het geloof te werken en Hij gaat voort met het geloof te werken. In één van de psalmversjes die wij dikwijls zingen, komen de woorden voor: “Eerst schiep, en sinds bewaarde” (Ps. 121:1). Zo is het ook in betrekking tot de herschepping. Als dit niet zo was, dan zou de genade in ons weer te gronde gaan. Zonder onderhouding kan het heelal niet bestaan. Onderhield God niet wat Hij gemaakt heeft, het zou wederkeren tot niets. Maar de genade moet ook in stand gehouden worden. Vlees en bloed doet het niet. Vlees en bloed beërft het Koninkrijk Gods niet. De discipel Petrus deed eens een Godvruchtige, Godverheerlijkende belijdenis: “Gij zijt”, zo sprak hij, “de Christus, de Zoon des levenden Gods. En Jezus antwoordende zeide tot hem: Zalig zijt gij, Simon, Bar-Jona; want vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is” (Matth. 16:16, 17).

Maar de ingewrochte genade doet het ook niet! Hierom heeft de Heere Jezus gezegd in de dagen van Zijn omwandeling op aarde: “Want zonder Mij kunt gij niets doen” (Joh. 15:5). Van Hem is niet alleen het begin, maar ook de voortzetting. Het is de mens geheel uit de hand genomen. Het is de Heilige Geest aan Wie het werk is opgedragen. Daarom staat er: “Want zovelen als er door den Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods” (Rom. 8:14). En we vinden ook dit: “Maar zo iemand den Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe” (Rom. 8:9). En ook dit: “En niemand kan zeggen Jezus den Heere te zijn, dan door den Heilige Geest” (1 Kor. 12:3). Nederig en vertroostend schreef de apostel Paulus aan de gemeente van Filippi: “Vertrouwende ditzelve, dat Hij Die in u een goed werk begonnen heeft, dat voleindigen zal tot op den dag van Jezus Christus” (Filipp. 1:6).

Waardoor onderhoudt God het goede werk? Door de Wet en door het Evangelie. Wet en Evangelie zijn altijd aan elkaar verbonden. U moet nooit van het Woord afwijken. Ons moet geschonken zijn het Woord te bewaren! Het Woord doet alles. Wij moeten niet denken dat de mens het doen moet. Wij kunnen het niet doen en wij zullen het niet doen. Het Woord doet het!

“Onderhoudt God ook door de Wet het aangevangen werk in de gelovige?”, zo vraagt u misschien. Ja, geliefden! En op welke wijze doet de Heere dat? Het antwoord op deze vraag vindt u in de 44e Zondag van onze Catechismus. Daar staat in de 115e vraag: “Waarom laat God ons dan alzo scherp de tien geboden prediken, zo ze toch niemand in dit leven houden kan?” Antwoord: “Eerstelijk, opdat wij ons leven lang onzen zondigen aard hoe langer hoe meer leren kennen, en des te begeriger zijn om de vergeving der zonden en de gerechtigheid in Christus te zoeken. Daarna, opdat wij zonder ophouden ons benaarstigen, en God bidden om de genade van de Heilige Geest, opdat wij hoe langer hoe meer naar het evenbeeld Gods vernieuwd worden, totdat wij tot deze voorgestelde volkomenheid na dit leven geraken.”

(Uit: Preek over 1 Petrus 1:2b, 1 januari 1931 te Delft. Bundel 1988-’90, blz. 377-378.)


Sterven aan zichzelf

Een gelovige is gestorven. Ware het anders, dan zou hij geen gelovige kunnen genoemd worden. Hij is gestorven: zijn verstand, zijn wil, zijn beoging (*), zijn wensen en begeerten. Een gelovige is aan de wereld gestorven. Hij is aan de zonde gestorven, althans aan de overheersende kracht van de zonde. Hij is zichzelf gestorven. Dat hij in vele dingen nog iets ziet, bijvoorbeeld in de kleine vreugden van het leven, ten koste van en zonder de vreugde in God, ook dát is hem nog tot schuld!

(*) beoging = wat een mens beoogt, zich als doel stelt.

Maar nu is de gelovige niet helemaal gestorven. Ware het maar zo! Maar zover komt het hier niet. Het zal wezen in de hemel, maar niet op de aarde. En dit is hetgeen een gelovige doet: verlangen naar de eeuwigheid. Blij vooruitzicht, verlost te zijn van dit afschuwelijke leven! Hoor me goed! Hoor me goed! Ik zeg niet, dat het leven afschuwelijk is, maar het leven dat, en voor zover het een leven in de zonde is, dat is afschuwelijk. Wie hieraan blijft hangen, geeft daarmee het bewijs dat hij het andere leven niet kent. En omdat nu de gelovige niet geheel gestorven is, zo is er nog een verstand waarop hij afgaat. Als u een gelovige zijt, dan weet u ’t wel. Dan weet u wel wat het betekent, wanneer er in de 36e Psalm gezegd wordt: “’t Verstand laat na den waren grond van ’t weldoen op te merken” (vs. 1 ber.). In uw verstand zit de grootste boosheid, wordt de ergste vijandschap tegen de Heere gevonden.

De gelovige heeft ook nog zijn voornemens. Vooral heeft hij die wanneer het eens in een of ander opzicht misgegaan is. En zo vertrouwt hij op eigen kracht, op zichzelf. Hij zou dit niet doen als hij geheel gestorven was. Er is niet één begenadigde, die dit niet ondervonden heeft tot z’n schande en grote droefheid. De Heere Jezus, Die de mens door en door kende, sprak eens in één van de gewichtigste ogenblikken van Zijn leven: “Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak” (Mark. 14:38).

(Uit: Preek over Johannes 21:15, 20 mei 1951 te Den Haag. Bundel 1988-’90, blz. 327-328.)


Vruchten van genade

Genade is zachtmoedig, barmhartig, nederig, welwillend te mogen zijn. Deze dingen waren tot dusver onder de mensen geacht, maar, toehoorders, wanneer worden ze bij de mens gevonden? Wanneer hem genade bewezen is. Is hem genade bewezen, dan is hij nederig. Hij heeft geen hoge gedachten van zichzelf en hij mag hoge gedachten van de Heere hebben. Waarlijk, hij kan zeggen: Mij, mij, de voornaamste der zondaren, is barmhartigheid geschied (1 Tim. 1:16). Ik had het nooit gedacht! Ik had het nooit gedacht dat dit zou geschieden aan iemand als ik ben! Maar mijn gedachten waren Gods gedachten niet. Mijn wegen waren des Heeren wegen niet (Jes. 55:8, 9). Het is toch gebeurd!

En, toehoorders, wanneer men nederig is, dan staat men ook welwillend tegenover zijn naaste. U gelooft toch wel dat er grote liefde was in de uitroep van de Samaritaanse vrouw: “Komt, ziet een Mens Die mij gezegd heeft alles wat ik gedaan heb; is Deze niet de Christus?” (Joh. 4:29), dat is, de Messias. Zó was deze vrouw tegenover haar naasten komen te staan door de genade die haar bewezen was.

Als ons genade bewezen is, dan zijn wij ook zachtmoedig, zachtmoedig in ons oordeel. Wat zachtmoedigheid in ons oordeel is, weten wij niet, want wij zijn de hardheid zelf, tegenover onszelf, tegenover God en tegenover de naaste. Maar als ons genade bewezen is, dan kunnen wij niet hard zijn in ons oordeel. Dan is er liefde, liefde Gods, maar ook liefde des naasten! Men kan dan een ander begrijpen en men gevoelt dat er in de gehele wereld geen zonde is waar men zichzelf niet aan schuldig gemaakt heeft. Is het bij ons niet uitgebroken, niet overgegaan in daden, dan offert men niet aan eigen garen, en rookt men niet aan zijn net (Hab. 1:16), maar men schrijft het aan Gods goedheid toe, want men weet dit: Liet God ons één ogenblik los, en gaf Hij ons één ogenblik over aan onszelf, dan zou het met ons voor eeuwig afgelopen zijn.

Als ons genade bewezen is, dan zijn wij ook barmhartig. Ach, dan zoeken wij het niet bij de tweede oorzaak, bij onze naaste, en dan vragen we niet hoe het gekomen is dat het verkeerd ging, maar ons hart voelt wat voor de naaste en dan is dit gebed in het hart: “Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren” (Matth. 6:12).

Genade is in de derde plaats enige omgang met God te mogen genieten. Ach, omgang met God te hebben, is zoiets wonderlijks! Dit is niet het werk van een ogenblik of van een half uur. Het is zoiets dat zich gedurende enige dagen, misschien wel enige weken gevoelen doet. Schijnt het dat het weg is, de Heere komt weer! Is het dat het weg is, dan spreekt de Heere: “Komt herwaarts tot Mij” (Matth. 11:28). “Doe uw mond wijd open, en Ik zal hem vervullen” (Ps. 81:11). Of, zoals ook in het Hooglied staat: “Mijn duive, zijnde in de kloven der steenrots, in het verborgene ener steile plaats, toon Mij uw gedaante, doe Mij uw stem horen; want uw stem is zoet en uw gedaante is lieflijk” (Hoogl. 2:14). Ach, dan duurt Gods goedheid de ganse dag!

Laat ieder ’s HEEREN goedheid loven;
Want goed is d’ Oppermajesteit;
Zijn goedheid gaat het al te boven;
Zijn goedheid duurt in eeuwigheid. (Ps. 118:1, 14)

(Uit: Preek over 1 Petrus 1:17a, 20 december 1932 te Delft. Bundel 1994-’96, blz. 195-196.)


Vordering in de genade

De vordering in de genade betekent niets anders dan dat een mens al dieper zijn afhankelijkheid van Christus gevoelt. Hoe meer vordering in de genade, des te dieper leert de uitverkorene de betekenis verstaan van de woorden door Christus gesproken: “Want zonder Mij kunt gij niets doen” (Joh. 15:5). Het is God Die, zoals de apostel Paulus zegt, in de gelovige werkt “beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen” (Filipp. 2:13).

Al ligt het in de grond goed, zo kan de mens zelf toch niets doen, hij heeft geen kracht om uit te voeren wat God wil dat hij doen zal. Hoe meer iemand begenadigd is, hoe machtelozer en krachtelozer hij in zichzelf is en des te dieper hij gevoelt de waarheid van de woorden van Josafat (2 Kron. 20:12): “O onze God, zult gij geen recht tegen hen oefenen? Want in ons is geen kracht tegen deze grote menigte die tegen ons komt; en wij weten niet wat wij doen zullen, maar onze ogen zijn op U.”

Nu wil de Heere de Zijnen door zo’n weg leiden, opdat zij meer en meer te weten zullen komen uit welke grote nood en dood zij zijn verlost en nog worden verlost (2 Kor. 1:10); wat ze te danken hebben aan de vrije genade van God, aan het bloed des Lams en aan de gezegende arbeid van de Heilige Geest.

En als ze in zo’n weg worden geleid, dan kunnen ze ook inkomen in de toestand waarin ze soms hun naaste zien en worden ze in staat gesteld tot de verlegene, de onwetende een woord te rechter tijd te spreken. Ze worden in staat gesteld om in te komen in hetgeen waarin anderen zich bevinden. Waar ze weten dat zij niets zijn, en God alles is, worden ze in staat gesteld om anderen te begrijpen.

(Uit: Preek over Johannes 6:65, 21 november 1928 te Delft. Bundel 1967-’69, blz. 370-371.)


Gebed

Bij het gebed moeten altijd twee dingen plaatsgrijpen: men moet bukken en men moet zich opheffen. Wordt een van deze twee zaken gemist, dan is het gebed geen gebed meer. Eerst bukken, dat is, een ingaan in zijn schuld en zondigheid, in zijn verdoemelijkheid voor God, in zijn machteloosheid en krachteloosheid, in zijn onwaardigheid. Dan, toehoorders, zich opheffen tot God. Hierbij heeft men dan het oog op de Middelaar, op “het bloed der besprenging, dat betere dingen spreekt dan Abel” (Hebr. 12:24), want in onszelf hebben wij geen waardigheid. De profeet Daniël wierp zijn smekingen neer voor het aangezicht des Heeren. Hij zag niet op zijn smekingen. Hij eindigde met zijn smeekbede niet in zichzelf, maar hij had een blik gevestigd op de waardigheid van de Zoon Gods, de Heere Jezus Christus. Langs deze ladder klom hij op tot de Heere. En langs deze ladder klimt de mens op tot God. Christus heeft daarvan gesproken in de bekende woorden van Johannes 14:6: “Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven. Niemand komt tot den Vader dan door Mij.”

Het is een uitgaan uit onszelf. Het is een zich laten leiden tot de Vader. Daar komt het hart tot rust. Dat hart kan niet rusten, maar het rust aan ’s Vaders hart. En wat is deze rust? Dat kan met een paar woorden misschien niet gezegd worden. Het is een zich gedragen gevoelen door de Heere, “van onder eeuwige armen”, zo staat er in Deuteronomium 33:27. Het is een overtuiging dat God niet stil is, maar werkt, naar het woord van de Heere Jezus Christus: “Mijn Vader werkt tot nu toe, en Ik werk ook” (Joh. 5:17), en dat het bij dit werk gaat overeenkomstig het welbehagen, om de eeuwige raad Gods. Hier is alles leven! Hier is God, de God des levens, de levende God. Daarom zei Jakob in het nachtgezicht te Bethel: “Gewisselijk is de HEERE aan deze plaats, en ik heb het niet geweten. En hij vreesde en zeide: Hoe vreselijk is deze plaats! Dit is niet dan een huis Gods, en dit is de poort des hemels” (Gen. 28:16, 17).

Het is de overgave van zichzelf, van alle dingen, van zijn belangen en van die der zijnen, in de hand des Heeren. Veel vindt men hiervan in de Heilige Schrift, voornamelijk in de Psalmen. Zo staat er in Psalm 42:10: “Ik zal zeggen tot God: Mijn Steenrots”. En in Job 5:8 zegt Elifaz tot Job: “Doch ik zou naar God zoeken, en tot God mijn aanspraak richten”. Hier wordt de aanspraak gericht alleen tot God. Want óf men is met het zichtbare en tastbare en niet met de Heere, óf men is met de Heere. En dan is men met de Heere alleen! Hier wordt de aanspraak gericht tot God. En de genieting van het hart is beschreven in de zo-even aangehaalde Schriftwoorden. Het is naar het woord van de apostel Paulus: “De vrede Gods, die alle verstand te boven gaat” (Filipp. 4:7). Het is een diepe blijdschap, welke gepaard gaat met een grote droefheid. Het is een wonderbare rust temidden van grote onrust. Het is zoals we gezongen hebben uit Psalm 65:2: “De lofzang is in stilheid tot U, o God”.

Toehoorders, ik dacht vandaag over deze woorden na. Het is God Die het stil maakt! Hoe maakt de Heere het stil? Doorgaans op de volgende wijze: door ons kruis op te leggen of rampen over ons te doen komen. Onder deze omstandigheden onttrekt de mens zich wat aan het gewoel van de wereld en aan het gewoel van zijn eigen hart. Hij wordt gewaar dat het leven ernstig is en er grote en belangrijke dingen zijn. Doorgaans is het zo dat er gedacht kan worden aan “een grote en sterke wind, scheurende de bergen en brekende de steenrotsen”, waarvan in de geschiedenis van de profeet Elia gesproken wordt. De storm gaat vooraf aan de stilte. “Doch de HEERE was in de wind niet” (1 Kon. 19:11). En toch was de wind onmisbaar. De Heere was na de wind, na de aardbeving en na het vuur in “het suizen van een zachte stilte” (vs. 12). En het zou nooit stil worden in het hart van de begenadigde zonder het suizen van een zachte stilte, geliefden. De Heere is in deze stilte door Zijn goedertierenheid in Christus te openbaren. Dan is het stil! Vandaar de uitspraak: “De lofzang is in stilheid tot U, o God” (Ps. 65:2). Dan heeft men genoeg aan de Heere en verstaat men enigermate wat de inhoud is van een woord als dit: “Wien heb ik nevens U in den hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde” (Ps. 73:25).

Somtijds geeft het Opperwezen dit. Niet dikwijls. Neen, niet dikwijls! Maar somtijds behaagt het de Heere dit te schenken, tot sterkte en vertroosting op de weg waarin men is of straks zijn zal. Als Elia in de Naam des Heeren vierhonderdvijftig Baälsprofeten gedood heeft, en om zijns levens wil vluchtende is voor Izebel, de vrouw van koning Achab, dan verschijnt hem de engel des Heeren en zegt tot hem: “Sta op, eet, want de weg zou voor u te veel zijn” (1 Kon. 19:7).

Dit is de weldadigheid die een trouw en onveranderlijk God aan Zijn overblijfsel naar de verkiezing der genade bewijst. Dat zijn de goedertierenheden waarvan de profeet Jeremia gesproken heeft in Klaagliederen 3:22 en 23: “Het zijn de goedertierenheden des HEEREN, dat wij niet vernield zijn, dat Zijn barmhartigheden geen einde hebben. Zij zijn allen morgen nieuw.”

(Uit: Preek over 1 Petrus 1:17a, 18 oktober 1932 te Delft. Bundel 1994-’96, blz. 136-138.)


Worsteling om de belofte

Er komt voor iedere begenadigde een tijd dat het Woord van God voor hem het enige in dit leven is. Het Woord, niet zoals het naar onze opvatting of ons gevoel ons voorkomt, maar het Woord, zoals het hier ligt. (…)

Wat hebt u nu nodig, geliefden? De belofte, de belofte Gods! Zou u er wat aan hebben, als u nog twijfelen moest? Daarom is deze zaak van zo grote betekenis, want er komen ogenblikken in ons leven dat God moet komen in onze grote nood. En wat zegt dan het hart van de gelover? “Heere, dát zegt U in Uw Woord, en Gij weet dat ik het voorwerp van deze belofte ben op dit ogenblik of in deze tijd. Heere, zult Gij niet verhoren? Zult Gij Uw Woord niet gestand doen? Zult Gij het niet doen om de gerechtigheid van de Zoon Uwer liefde, Die er Zijn bloed voor gestort en Zijn gebed voor opgezonden heeft?”

Ziet, toehoorders, zó worstelt dan een mens met God! En in deze worsteling heeft men wel niet van het begin af de genoegzame zekerheid, maar in de worsteling neemt de zekerheid toe en zegt de worstelaar: “Heere, Gij zult zeker doen wat in Uw Woord geschreven staat, want ik ben het voorwerp van deze belofte. En waar het een belofte van U is, daar zult Gij het doen! Ik weet het, ik ben ervan overtuigd, dat U het doen zult!” Dát is de geloofsworsteling! En zo komt de waarachtigheid naar voren van het woord van David in Psalm 37:25: “Ik ben jong geweest, ook ben ik oud geworden, maar heb niet gezien den rechtvaardige verlaten, noch zijn zaad zoekende brood”. Er is niets zo zeker als de vervulling van de belofte voor een mens, die door God tot het voorwerp van Zijn belofte is verkoren!

(Uit: Preek over “De werking van de Heilige Geest”, 17 mei 1937 te Delft. Bundel 1982-’84, blz. 197-198.)


Werkzaam zijn met de beloften

De Schrift is vol beloften, en deze zijn in de Heere Jezus waar. En zodra iemand met de Heere Jezus verenigd is, heeft hij recht op de beloften Gods. En nu mag hij de Heere op de beloften wijzen en vragen of het Opperwezen, of de Heere, of de Vader niet aan Zichzelf, aan Zijn Verbond verplicht is om de beloften te vervullen. Dit is de gebruikmaking van de beloften. Om het met een enkel voorbeeld toe te lichten: iemand heeft een taak van de Heere ontvangen, en hij heeft deze taak omhelsd, ziende dat het de wil Gods was, maar nu brengt hem de vervulling van deze taak in moeilijkheden, en hij weet niet wat hij doen zal. Deze mens komt nu tot de Heere en zegt: “Staat er, Heere, niet geschreven: “Ik zal raad geven, Mijn oog zal op u zijn” (Ps. 32:8)? En is het U nu niet bekend dat ik raad nodig heb en dat ik zelf geen raad weet? Heere, wilt U nu niet aan Uw Verbond denken en Uw belofte vervullen?” Zo is men dan werkzaam met de Heere. “En dan?”, zal misschien iemand vragen. “En dan? Komt er dan direct uitkomst?” Zo blijft men werkzaam tot er een ogenblik komt waarin de ziel loslaat. Jakob zegt, nietwaar, aan de beek Jabbok: “Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent” (Gen. 32:26). Hij wilde wel loslaten, maar dan moest hij eerst gezegend zijn. En zo is het ook hier. Als nu de Heere gezegd heeft dat Hij het geheel voor Zijn rekening genomen heeft, en dat Zijn genade genoeg zal zijn, dan laat de ziel los. En dan? Dan kan het er ineens komen, maar het kan ook zijn dat het niet onmiddellijk tot stand gekomen is. Dan ziet men uit: “Ik zal uitzien naar den HEERE, ik zal wachten op den God mijns heils” (Micha 7:7).

Dit is iets gezegd van het werkzaam zijn met de belofte. En wie er kennis aan heeft, die weet dat het zo is. Dus deze mens gaat niet naar zijn naaste, en hij vraagt de god van Ekron niet, maar hij wacht, hij wacht op de Heere. Daarvan wordt menigmaal in de Psalmen gesproken.

Wacht op den HEER’, godvruchte schaar, houd moed;
Hij is getrouw, de bron van alle goed;
Zo daalt Zijn kracht op u in zwakheid neer;
Wacht dan, ja wacht; verlaat u op den HEER’ (Ps. 27:7).

(Uit: Preek over 1 Timotheüs 3:16, 5 december 1951 te Bennekom. Bundel 1997-’99, blz. 256.)


Niet in zonden blijven liggen

Zijt gij van de Heere onderwezen, en is het u mogelijk om enige verklaring te geven van uw getrokken zijn uit de duisternis tot Gods wonderbaar licht (1 Petr. 2:9)? Zie dan dat ge de Heere looft, dankt en prijst, dat ge, zonder iets terug te houden, uzelf geeft, zo dat ge niets hebt en tegelijkertijd alles bezit, niets in uzelf, alles in de Heere. Want wie het goede wil zien en genieten, die moet gekomen zijn en komen in het onvoorwaardelijke. De zonde, dat afschuwelijkste ding van alle dingen, de zonde, de wereld, de vorst der duisternis, de eigengerechtigheid, vlees en bloed zoeken zich te stellen tussen God en de ziel. Wanneer nu de ziel dat toelaat, dan kan ze nog wel genade bezitten, maar geen vrede en geen waarachtige blijdschap.

Dat ons geschonken worden mocht om dit in overweging te nemen en dat we mogen roepen tot dat alles: “Henen uit, henen uit!” (Jes. 30:22). “Wijkt van mij, gij boosdoeners, dat ik de geboden mijns Gods moge bewaren” (Ps. 119:115). Bekennen, bekennen en loslaten, en de woorden geloven: En als wij somtijds uit zwakheid in zonden vallen, zo moeten wij aan Gods genade niet vertwijfelen, noch in de zonden blijven liggen, overmits wij een eeuwig Verbond met God hebben (Doopformulier). En dit zo haastig mogelijk. Volgen, niet voor eigen zaken opkomen, volgen! Achter de Heere aan komen, geloven in Hem Die alle dingen werkt naar Zijn vrijmachtig welbehagen en het voor zeker houden dat er tussen de uitvoering van Zijn welbehagen en onze zaligheid geen strijd is.

Is het op het ogenblik niet zo met u, en houdt u het er toch voor dat u genade bezit? Dan moet u worstelen, zolang totdat het zover is. En denk dan aan de woorden van de 68e Psalm: “Die door de vlakke velden rijdt; Zijn Naam is HEER’ der heren” (vs. 2 ber.). Er is dan somtijds heel wat te overwinnen. We worden gedreigd met armoede en met andere dingen. Er is niets dat enige macht bezit buiten God, geloof dat! En als u genade bezit, dan hebt u dat geloofd, en deze macht hebt u ondervonden. Zoek uw geluk niet in wegen die van God afleiden, maar in die welke uit Hem zijn en tot Hem voeren. “Mijn hart zegt tot U: Gij zegt: Zoekt Mijn aangezicht; ik zoek Uw aangezicht, o HEERE. Verberg Uw aangezicht niet voor mij” (Ps. 27:8, 9).

En hebt u geleefd in afzakking gedurende lange tijden, hebt u toegegeven aan zonden en ongerechtigheid, blijf de Heere verbeiden. Als u genade bezit, zal Hij gewisselijk komen en niet achterblijven (Hab. 2:3). Maar denk aan het woord van de Heere Jezus: “Strijdt om in te gaan door de enge poort; want velen (zeg Ik u) zullen zoeken in te gaan, en zullen niet kunnen” (Luk. 13:24). Hier moet niets ontzien worden.

(Uit: Preek over “De Persoon en het werk van de Heilige Geest”, 20 juli 1952 te Den Haag. Bundel 2000-’02, blz. 62-63.)


Wederzijdse vereniging

Naar het lichaam is Christus alleen in de hemel, maar naar zijn Godheid, genade, majesteit en Geest – dat zijn de woorden van onze Catechismus (vr. 47) – wijkt Hij nimmermeer van ons. Naar Zijn Geest is Hij in het hart van de Zijnen, en de getrokkene heeft het hart overgebracht in Christus. Dus een wederzijdse vereniging, een vereniging echter van geestelijke aard. En deze vereniging kan nooit ontbonden worden, zal ook niet ontbonden worden.

Het liefdeleven tussen de Bruidegom en de bruid verslapt helaas. Niet dat de Bruidegom daarvan de schuld zou wezen, de schuld heeft de bruid. En weet u hoe het komt dat dat liefdeleven verslapt, dat – om in de taal van de Schrift te spreken – de eerste liefde verlaten wordt, weet u hoe dat komt? Men houdt op te waken en te bidden, daar komt het van. Men houdt op te waken en te bidden. Van ogenblik tot ogenblik, de ganse dag door, moest men bezig zijn met deze dingen. Er moesten drie zaken zijn, de ganse dag door. De eerste is het gebed, de tweede is de overdenking, en de derde is de verwerking van de aanvechting. Wanneer men hierin verslapt, dan komt de wereld weer dichterbij, en de zonde begint haar woord mee te spreken, en de achteloosheid. Dat is de oorzaak: men houdt op te waken en te bidden. Maar weggenomen wordt de band nooit. Daarom schreef de apostel Paulus: – maar er zijn zoveel woorden die hierop betrekking hebben – “Vertrouwende ditzelve, dat Hij Die in u een goed werk begonnen heeft, dat voleindigen zal tot op den dag van Jezus Christus” (Filipp. 1:6). En na een tijd van verslapping komt er weer een tijd van ijver, van waken en bidden. En zulk een tijd was voor de bruid aangebroken. En in deze tijd heeft ze gebeden: “Trek mij, wij zullen U nalopen. De Koning heeft mij gebracht in Zijn binnenkameren; wij zullen ons verheugen en in U verblijden; wij zullen Uw uitnemende liefde vermelden, meer dan den wijn; de oprechten hebben U lief” (Hoogl. 1:4).

(Uit: Preek over Hooglied 1:4, 30 augustus 1953 te Den Haag. Bundel 2003-’05, blz. 7.)


Waarin bestaat de vreze Gods?

De vreze Gods veronderstelt dat men gezien, gevoeld, beleden en betreurd heeft zijn zonden en zondigheid, zijn vloek- en doemwaardigheid, zijn afkerigheid en vijandschap. Dat men verstaan heeft dat men volkomen onmachtig is om iets dat de Heere welbehagelijk is, aan te brengen. Dat ons de Heere geopenbaard is in het hart, God, de Drie-enige, Vader, Zoon en Heilige Geest, in Zijn Zoon. Dat ons door middel van deze openbaring is geschonken het waarachtig geloof. – Ik heb u altijd geleerd, dat waar God is, daar het geloof is; dat het geloof geen betekenis zou hebben wanneer de Heere er niet was, want Hij is het voorwerp van het geloof. – Dat wij door het geloof zijn uitgegaan uit alles en zijn overgegaan in de Heere. Dat wij ons in de Heere met God hebben laten verzoenen. Dat wij ontvangen hebben de Heilige Geest en Zijn gezegende gaven. Dat wij in Jezus Christus een nieuw schepsel zijn geworden. Dat wij van harte onze ongerechtigheden hebben beleden en beweend. Dat wij uit de hand Gods hebben ontvangen de vergeving van onze ongerechtigheid. Dat wij ons daarop bekeerd hebben tot de Heere.

En waarin bestáát nu de vreze Gods? Laat ons enkele zaken noemen. Ik heb u nu gezegd wat zij veronderstelt, en ieder die de genoemde zaken heeft ondervonden, weet wat ik zeg. Want onmiddellijk nadat hij deze bewerkingen had ondergaan, zag hij wat het is God te vrezen.

De HEERE te vrezen is een diepe indruk te hebben van God, dus enige kennis van Hem, een kennis die ons om zo te zeggen doet óndergaan in onszelf. Jesaja riep uit: “Wee mij, want ik verga” (Jes. 6:5), en Job: “Met het gehoor des oors heb ik U gehoord, maar nu ziet U mijn oog. Daarom verfoei ik mij, en ik heb berouw, in stof en as” (Job 42:5, 6). Tegelijkertijd een indruk te hebben van onze eigen nietigheid. “Ik ben geringer dan al deze weldadigheden” (Gen. 32:10), dat was het woord van Jakob. “Stof en as”, zo drukte Abraham zich uit (Gen. 18:27). “Als een druppel van een emmer, en als een stofje van de weegschaal”, zo Jesaja (Jes. 40:15). Zodat iemand die God vreest, in zijn hart vernederd is, en er door de genade Gods bij is om zijn naaste niets toe te rekenen, zichzelf in alles als de schuldige te zien. Dat is de vernedering des harten. De tollenaar in de gelijkenis stond alleen. Als u genade bezat, dan zou u geen van allen in de gehele wereld iemand hebben op wie u iets aan te merken had, en gij zoudt in staat zijn om tot uw bitterste vijand te zeggen: “En toch heb ik u lief, want gij zijt een schepsel van mijn God en Vader in Jezus Christus”.

Bekommering te hebben, dat is God te vrezen. Bekommering dat men Hem onteert. Er staat in Spreuken 28:14: “Welgelukzalig is de mens die geduriglijk vreest”. Wat vreest deze mens? God te onteren, en buiten Hem te komen, van het rechte spoor af te raken.

God te vrezen is het kwade te haten. Paulus schrijft: “Het goede, dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik” (Rom. 7:19). Het kwade te haten, het gebod van God lief te hebben.

Wie God vreest, heeft geleerd God boven zichzelf te plaatsen. Wij lezen van de jonge Samuël, dat hij sprak: “Spreek, HEERE, want Uw knecht hoort” (1 Sam. 3:9).

Waar geen weg gezien wordt, daar gaat hij die God vreest, zoals u dat vindt in het leven van Abraham, van wie aangetekend staat dat hij uitgetrokken is “niet wetende waar hij komen zou” (Hebr. 11:8).

God te vrezen, dat is geen zichtbare of tastbare dingen meer te zien. Er staat van Mozes dat hij zich vasthield “als ziende den Onzienlijke” (Hebr. 11:27).

God te vrezen is te belijden zijn zonden. Hij die God vreest, kan het buiten de Heere niet stellen, en daarom komt hij tot belijdenis wanneer hij overtreden heeft. Hij klaagt zichzelf aan, rechtvaardigt God en neemt zijn toevlucht tot het bloed der verzoening van Jezus Christus en tot de barmhartigheid Gods.

Wie God vreest, durft niets aan te pakken zonder dat de wil des Heeren hem is bekendgemaakt. Hierom is zijn gedurig gebed: “Heere, bewaar mij voor mijzelf”. En als een mens voor zichzelf bewaard is, dan is hij ook bewaard voor zijn naaste.

Wie God vreest, durft het gebod dat hem van de hemel is bekendgemaakt, niet te laten liggen. Zij het ook na of onder veel strijd, hij zegt: “Dat wil, dat zal ik doen, ik zoek den zegen alleen bij U, o Bron van troost en licht” (Ps. 27:5 ber.).

God te vrezen, dat is zijn godsdienst-betrachtingen te verrichten met het oog op God. De meeste mensen hebben het in eigen hand, dat wil zeggen, zij houden rekening met hun zin en met hun lust. Maar iemand die waarlijk gestorven is, heeft niets meer over zichzelf te zeggen, zodat hij vraagt: “Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal?” (Hand. 9:6).

God te vrezen is over zichzelf te zuchten. “Wie zou de afdwalingen verstaan? Reinig mij van de verborgen afdwalingen” (Ps. 19:13).

(Uit: Preek over Spreuken 14:26, 9 november 1949 te Den Haag. Bundel 1951-’54, blz. 101-103.)


Afgoderij van de begenadigde

Zolang wij aan deze zijde van het graf ons bevinden, is er geen zonde door ons geheel overwonnen, niet één! Dat zou alleen mogelijk zijn als we geen vlees en bloed, geen natuur, geen ongeheiligde natuur meer met ons omdroegen. En zo is ook de afgoderij niet geheel overwonnen. En als u genade bezit, dan is het te hopen dat u nog veel strijd hebt met de afgoderij.

Waarin bestaat dan deze afgoderij van een begenadigd mens? Laat een begenadigd mens niet veel afhangen van de omstandigheden? Als ik het genadeleven versta, dan zeg ik dat we door het geloof door het zichtbare en tastbare heen moeten zien. En dan moet dat zichtbare en tastbare er voor ons niet wezen. Ik kan niet aannemen dat iemand grond heeft uit de Bijbel om mij hierin tegen te spreken. Wat ik zeg wordt bevestigd door vele woorden, die me ineens te binnen schieten: “Hij hield zich vast, als ziende den Onzienlijke” (Hebr. 11:27), om maar één van al deze woorden te noemen. “Hij hield zich vast, als ziende den Onzienlijke”. Als men dat doet, dan bestaan er geen omstandigheden, dan alleen in die zin dat God die in de hand heeft. Dan komt het kwaad dat direct van God komt, maar ook indirect ons bereikt, alleen van God. Dan staat er geen mens tussen. Er is geen tussenpersoon en we hebben alleen met God te doen. En dan weet u wel het gezang van Lodenstein:

Zijn ze zuurheid, zijn ze zoetheid,
Laat ons altijd zwijgen stil,
Want de wezenlijke Goedheid
Maakt het goed met dat Zij ’t wil

God alleen, alleen! “In God is al mijn heil, mijn eer” (Ps. 62:5 ber.). Dat betekent toch niet dat ik dat alleen maar kan zeggen wanneer de wateren effen zijn? Dat ik dit alleen maar kan getuigen in een land van vrede? (Jer. 12:5). Nee, als ik het waarlijk getuig, dan moet ik het getuigen zowel bij de verheffing van de Jordaan als in een land van vrede, hoe de omstandigheden ook zijn. En is dat nu altijd zo bij een begenadigd mens? O, ’t scheelt véél, het scheelt er veel aan. O, dat is een schande voor de Kerk van deze tijd, dat ze daar zo goed als niets van weet, maar zich gedraagt als een natuurlijk mens, en niet als een door God geestelijk gemaakt mens.

Laat een begenadigd mens het niet dikwijls afhangen van dingen en mensen? Als ik nu denk dat mijn lot en mijn geluk, althans voor een deel, afhankelijk zijn van de gedragingen van een mens, welke deze mens ook moge wezen, al zou hij mijn eigen moeder zijn, of mijn eigen vrouw, of mijn eigen kind – heb ik dan een God? Dan pleeg ik afgoderij en niets anders, niets anders. Dan heb ik geen God. Dan zeg ik: Wijk van mij, ik zoek het in andere wegen.

Als een mens, een begenadigd iemand, eens wat ondervindt, en hij gaat daarop enigermate of in ruime mate zijn vertrouwen stellen, op zijn ondervindingen, op de verwijding van zijn hart, op zijn uitredding, enzovoort, wat is hij dan? Dan is hij een afgodendienaar. Dan dient hij een afgod en niet God. Als hij werkelijk een begenadigd mens is, dan weet hij de betekenis van de woorden: “Gedenk des woords, tot Uw knecht gesproken, op hetwelk Gij mij hebt doen hopen. Dit is mijn troost in mijn ellende; want Uw toezegging heeft mij levend gemaakt” (Ps. 119:49, 50). Dat is het echte. Zo spreekt het geloof als geloof. Maar wanneer is het niet anders, heel anders? Psalm 62 heb ik al aangehaald: “In God is al mijn heil”, enzovoort. Is het niet menigmaal anders in het leven van een begenadigde? Als het niet menigmaal anders was in het leven van een begenadigde, dan zou hij niet klagen over z’n naaste of over toestanden en omstandigheden. Hij zou helemaal niet klagen. Hij zou alleen maar klagen over z’n zonde. En zo zou God hem vinden. Maar hoe dikwijls is het anders. En wat kunnen we niet afgodisch hangen aan een vrouw, aan een man, met wie we getrouwd zijn, aan een ding in huis, aan een vriend, vriendin, enzovoort – afgoderij! De dichter van de 43e Psalm had er enig licht en gezicht in en hij bestrafte zichzelf: “Wat buigt gij u neder, o mijn ziel, en wat zijt gij onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven; Hij is de menigvuldige verlossing mijns aangezichts en mijn God” (vs. 5).

Wanneer spreekt gij uzelf met deze woorden aan? Wanneer? Wanneer bestraft gij uzelf en ziet ge uzelf in een zo jammerlijke toestand, dat gij klaagt over uzelf, en smeekt, dag en nacht smeekt, om verandering, om vernieuwing, om reiniging des harten? Gelooft gij niet dat het met de Kerk Gods, voor zover die dan nog bestaat onder ons, er slecht bij staat? Gelooft u dat niet? Dat het echte leven uit God en door God en tot Hem, weinig – zo goed als niet – bij ons gevonden wordt? Of het eens anders worden mocht, of een mens zich eens kreeg aan te pakken in de kracht des Geestes en eens mocht belijden voor de Heere: “Nee, Heere, dat is het leven niet. Hoe weinig ik er ook van ontvangen heb, dat hebt U mij niet geleerd. Toen Gij mij leerde, gelijk de Waarheid in Christus Jezus is, toen hebt U mij dat niet geleerd.” Ach, wat zou het een voorrecht zijn, wat zou het toch een voorrecht zijn als het nog eens anders werd.

Laat ons eraan denken dat er woorden geschreven staan in Zefanja 2: Doorzoekt uzelven nauw, gij volk dat met geen lust bevangen zijt! Eer dat het besluit bare, het besluit van vernietiging. Want de dag gaat als kaf voorbij (vs. 1, 2).

(Uit: Catechisatie 16 februari 1955 te Den Haag. Bundel 1994-’96, blz. 301-303.)


Wees dankbaar en verwonderd

Hoe is het nu met u? Zijt gij in Christus? Zijt ge met God verzoend? Zijt gij een nieuw schepsel? Wat antwoordt u op deze vragen? En daar nu niet omheen, rechtuit het antwoord op deze vragen geven. Hebt u in uw binnenste het getuigenis van de Heilige Geest dat u gevonden wordt in de Heere Jezus, in Hem met God verzoend zijt en vernieuwd zijt naar het beeld Gods? De apostel Paulus, die toch zeker wel enig krediet bij u heeft, had maar één verlangen: gevonden te worden in Christus. Ge kunt dit aantreffen in Filippenzen 3 (vs. 9).

Verondersteld dat u zo gelukkig zijt, dat u in de Heere Jezus zijt, met God verzoend zijt, een nieuw schepsel geworden zijt, wees dan een dankbaar mens. En ik ben er zeker van dat er misschien wel geen dag voorbij zal gaan, waarin ge niet zeggen zult: “Heere, ik kan er niet bij dat U dat mij hebt willen ten deel doen vallen. Daar kan ik niet bij, want Gij hadt in betrekking tot deze zaken niet de geringste aanraking met me. Er was het Uwe en het mijne, en het mijne stond tegenover het Uwe, en het Uwe stond tegenover het mijne. Ze vloeiden niet in elkander, en ze hadden met elkander geen vereniging, noch gemeenschap.”

Wees dankbaar en verwonderd. Verwonder u dagelijks, dagelijks. En als u dit doet, dan zult u de moeilijke dingen van het leven in het rechte licht zien. Ge zult niet klagen, wat u ook zou worden aangedaan. Ten eerste al niet omdat u zelf zoveel gedaan hebt dat u nooit had moeten doen. Maar in de tweede plaats omdat u weet, als u waarlijk de waarheid spreekt ten aanzien van de vragen die ik u gesteld heb, dat het u toekomt van uw hemelse Vader. Maar wat blijft er dan voor reden over om te klagen? Dan is er alleen maar reden om hartelijk te danken, niet alleen voor wat wij voorspoed noemen, maar ook voor wat wij tegenspoed noemen.

Kunt u het klagen niet nalaten, dan berooft gij u van vele goede dingen. Er komt in geen geval tussen de Heere Jezus en u een gevoelige omgang, daar hoeft u nooit over te denken. Een gevoelige omgang komt er tussen de Heere Jezus en uw ziel nooit.

Volg de Heere in elke weg, in een weg van ziekte, in een weg van oorlog, in een weg van tijdelijke ondergang, in elke weg. Sta naar een goede consciëntie voor God en de mensen. Wees eerlijk, eerlijk in uw dagelijks leven, in uw bedrijf, in uw handel; wees eerlijk, oprecht, nederig van hart. Stel uw vertrouwen op de Heere. Zeg niet wanneer de dingen moeilijk zijn geworden: “Ach, ach, hoe komt dat in orde?” Ze zullen in orde komen wanneer u slaapt, zo u op God vertrouwt. “Niet door kracht, noch door geweld, maar door Mijn Geest zal het geschieden” (Zach. 4:6). Het schijnt gemakkelijker te zijn om te klagen, te zuchten, te stenen, zijn nood bij mensen te brengen. Het is alles uit de boze, en dit niet alleen, schoon het erg genoeg is, maar nog eens, gij berooft uzelf van grote voorrechten: er komt bij u geen omgangsleven met de Heere.

Wanneer u gezondigd hebt, zeg dan niet: “Nu heb ik geen genade. Als ik genade had, dan zou ik zo niet gezondigd hebben”, want dat is alles zonder enige betekenis. Als u gezondigd hebt, dan moet u uw zonden belijden, belijden en de toevlucht nemen tot het bloed der verzoening “dat betere dingen spreekt dan Abel” (Hebr. 12:24).

Wanneer een ander zondigt, bijvoorbeeld tegen u, dan moet ge u niet beklagen, en ge moet niet over hem spreken, want dan komt ge al direct in strijd met het Woord. “Wat klaagt een levend mens? Een ieder klage vanwege zijn zonden” (Klaagl. 3:39). Maar u moet met hem die u of een ander kwaad doet, medelijden hebben, en ge moet hem voor de troon der genade zoeken neer te leggen. En ge moet de Heere zeggen: “Heere, dat zijn nu mijn zonden. Dat ik ze niet bedreven heb of bedrijf, dat komt alleen daarvan, dat U er mij niet voor in de verzoeking gebracht hebt, of dat U mij ervan afgehouden hebt.”

Maar van het omgangsleven met de Heere wordt weinig bespeurd, en daarom is de conversatie ook zo zonder waarde. Als men de begenadigden hoort, dan spreken ze, converseren ze, praten ze als natuurlijke mensen, en niet als mensen die van God geleerd zijn. En vooral ook aan onze conversatie en onze daden en aan ons gedachteleven moest het openbaar worden dat wij wat anders hebben, dat we een andere blik op de dingen hebben, dat we een ander verstand van de dingen hebben, dat naar andere dingen ons hart uitgaat. Dat moest daarin openbaar worden. Dat moeten de kinderen voelen, als je ze hebt; dat moeten ze voelen. Ze moeten voelen dat ze bij u niet met allerlei terecht kunnen waar ze zelf zo druk mee bezig zijn; dat moeten de kinderen voelen. En af en toe moet u de kinderen wat laten horen. Geen prekerij, dat heb ik al zo dikwijls gezegd, geen prekerij. Maar u moet ze af en toe wat laten horen. Vrome praatjes hebben doorgaans niet veel invloed op kinderen. Misschien worden ze er wel atheïsten door, omdat ze er een afkeer van krijgen, een afkeer. Maar als u in de kracht Gods en in het licht des Heeren een woord mocht laten vallen, dan kunnen ze wel vijandig worden, want ze voelen de steek, maar over tien, twintig, dertig jaren kan dat woord hun tot een middel zijn van waarachtige bekering. En verder komt in de opvoeding te pas veel liefde en grote verdraagzaamheid. Want men moet niet vergeten dat kinderen, die zo langzamerhand verder de wereld in moeten, door onderwijs, door hun positie, het niet gemakkelijk hebben. En nu dienen ze in de eerste plaats in het ouderlijk huis ondersteuning te vinden, en die vinden ze in het ouderlijk huis wanneer daar gevonden wordt de liefde tot de Waarheid.

(Uit: Preek over 1 Korinthe 15:4, 13 juni 1954 te Den Haag. Bundel 2003-’05, blz. 125-127.)


Volg de Heere

Wanneer u het geleerd hebt, dan is u wel bevoorrecht. Een mens die van God geleerd is, is altijd de eeuwen door, een zeldzaamheid geweest. Er is in deze wereld nu eenmaal altijd veel meer schijn dan wezen. En nu moogt u wel ruim spreken, maar denk eraan, dat het ruimte is in de engte. Denk eraan dat hoe sterker iemands geloof is, des te zwaarder de aanvechtingen zijn, en dat, hoe ruimer voetstap hij heeft op de weg des levens, hij in dit leven niet weet zich te wenden of te keren. ’k Heb het u al gezegd: Het is sterven, leven; leven, sterven. Maar hébt u het geleerd: dank de Heere, zoals de dichter van de 103e Psalm heeft mogen doen: “Die al uw ongerechtigheid vergeeft, Die al uw krankheden geneest, Die uw leven verlost van het verderf, Die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheden” (vs. 3, 4).

Volg de Heere. Hebt u teruggetrokken en trek u terug op uzelf. Gij gaat alleen door het leven. En dat moet u dan kunnen. En u kunt het, het wordt u geschonken het te kunnen als u een gelovige zijt. Gij gaat alleen door het leven. En wat er dan naar u toekomt, dat is van Boven. U hebt dat niet gezocht. En er zal veel meer naar u toe komen dan u dacht in uw stoutste verwachtingen, want de ondergrond van alles is dat u een onwaardige zijt, een onwaardige.

En slaat het laatste uur, wend u dan van uzelf af, van uw goed en kwaad beide, en zie op de Heere. “Zij hebben op Hem gezien, ja, Hem als een waterstroom aangelopen; en hun aangezichten zijn niet schaamrood geworden” (Ps. 34:6). De Jordaan was vol water toen de Israëlieten erover moesten (Joz. 3). Ze zijn erdóór gekomen. En gij weet allen hoe: de ark was er, de Heere was er. En zo zal Hij er u ook door helpen, en ge zult erdoor zijn, eer dat ge het zult weten.

(Uit: Preek over Handelingen 13:39, 1 juli 1951 te Den Haag. Bundel 1994-’96, blz. 310-311.)