Zijn prediking » Belangrijke onderwerpen » Rechtvaardigmaking


Rechtvaardigmaking

God rechtvaardigt een mens in Christus

Er staat geschreven dat, wie de rechtvaardige verdoemt en de goddeloze rechtvaardigt, de Heere een gruwel is (Spr. 17:15). Hoe kan God een zondaar rechtvaardigen en rechtvaardig blijven? Wel, als God een mens rechtvaardigt, dan rechtvaardigt Hij hem in Christus. De tweede Persoon in het Goddelijke Wezen is mens geworden en heeft in Zijn menselijke natuur de straf, op de zonde gesteld, gedragen en de gehoorzaamheid aan de Wet volbracht. God rechtvaardigt een mens in Christus en het spreekt nu vanzelf (en ieder zal dat ook begrijpen), dat zal iemand gerechtvaardigd worden, hij dan eerst in Christus moet zijn door het geloof; niet door een tijdgeloof, niet door een historisch geloof, maar door het geloof der werking der sterkte Gods, door het geloof der uitverkorenen; het geloof, waardoor de verslagen zondaar de hem aangeboden Zaligmaker omhelst. Een mens wordt dus door het geloof gerechtvaardigd. Wij zien dit ook in de Heilige Schrift. Denk alleen maar aan het woord uit Romeinen 5:1: “Wij dan gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God door onzen Heere Jezus Christus”. Dit wil nu weer niet zeggen dat het geloof de rechtvaardigheid of de gerechtigheid van de mens is, want het geloof is een instrument. Het geloof is het oog dat Christus aanschouwt, het oor dat Zijn stem hoort, de mond die Zijn Persoon geniet, de voet waarmee men tot Christus vlucht, de hand die Christus aangrijpt.

Goede werken komen dus niet in aanmerking, want de apostel Paulus zegt dat God de goddeloze rechtvaardigt en dat Hij dit doet om niet. Er is dus geen sprake van, dat goede werken van enige invloed zouden zijn. De mens heeft trouwens geen goede werken. En wanneer de mens zou menen dat hij ze bezat en ze liet gelden, dan zou dit de oorzaak zijn van zijn verdoeming. Aan de gerechtigheid moet men niets toevoegen. Zodra men dit doet of wil doen, is de gerechtigheid van Christus weg. Geen tweeërlei zaad op de akker, geen kleed van tweeërlei stof. Zo was het in Oud-Israël. Het is louter genade. Het geloof, door middel waarvan men Christus aanneemt, is een geloof, dat in liefde werkzaam is.

De rechtvaardigmaking gaat gepaard met de wedergeboorte. De apostel Paulus zegt: “Zo dan, indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan, zie, het is alles nieuw geworden” (2 Kor. 5:17). Denk aan het woord van Luther. Hij zag de hemel geopend en het was hem alsof hij opnieuw geboren was.

(Uit: Toespraak herdenking Kerkhervorming, 2 november 1949 te Den Haag. Bundel 1982-’84, blz. 259.)


Rechtvaardig uit kracht van vereniging

Door middel van het waarachtig geloof gaat de mens uit zichzelf en verenigt zich met Christus. Wanneer dit plaatsheeft, ziet de mens de raadslag van een drie-enig God om een zondaar zalig te maken.

Niet zodra heeft dit plaats of God komt de mens in Jezus Christus al zijn zonden weg te nemen, zeggende: “Ik delg uw overtredingen uit als een nevel, en uw zonden als een wolk” (Jes. 44:22). Dit uitgaan uit zichzelf betekent niets anders dan het aandoen van Jezus Christus, “de HEERE onze gerechtigheid” (Jer. 23:6; 33:16).

Uit kracht van deze vereniging ziet God een mens zo rechtvaardig als Hij Jezus Christus, Zijn Zoon, Zelf ziet. De gerechtigheid van Christus is de gerechtigheid van de gelovige. Op deze grond ontvangt hij de zegen van God, gelijk Jakob de zegen ontving van zijn vader Izaäk, toen hij in de klederen van Ezau tot zijn vader was genaderd.

(Uit: Preek over Romeinen 13:14a, 12 november 1922 te Den Haag. Bundel 1958-’60, blz. 84.)


Rechtvaardig verkláárd door toerekening

De rechtvaardigmaking is een vrucht of een gevolg van het waarachtige geloof. (*) Van nature is de mens begrepen in zijn eerste stamhoofd, in Adam. Zo staat de schuld die Adam gemaakt heeft, op zijn rekening. Ook is hij verdorven, want God heeft als een rechtvaardig God hem Zijn beeld onthouden. Hij is onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. Alleen de Heere Jezus Christus heeft gerechtigheid.

Wanneer een mens deze gerechtigheid, de Heere Jezus Christus Zelf, Hem Die ons in de Schrift wordt aangewezen als “de HEERE onze gerechtigheid” (Jer. 23:6), heeft omhelsd door een oprecht geloof, dan is hij in Jezus Christus rechtvaardig, rechtvaardig voor God.

De toerekening van de schuld van Adam betekent onze veroordeling. De toerekening van de gerechtigheid van Christus betekent onze rechtvaardiging.

De rechtvaardiging is niet dit, dat iemand er door rechtvaardig wordt gemaakt. De rechtvaardigmaking is een daad van God als Rechter, waardoor een zondaar rechtvaardig wordt verklaard. Nog eens: rechtvaardig wordt verklaard en aangenomen bij God, nadat hij door de Heilige Geest gelovig is gemaakt in Jezus Christus.

De rechtvaardigmaking is dus een uitspraak, een uitspraak of verklaring van God. Waar moet deze uitspraak worden gezocht? In het heilig Woord des Heeren. “Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar den Geest” (Rom. 8:1). Geen verdoemenis dus voor degenen die geloven, want door het geloof, door het oprechte geloof, is men in Jezus Christus. “Want de rechtvaardigheid Gods wordt in hetzelve (in het Evangelie) geopenbaard uit geloof tot geloof; gelijk geschreven is: Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven” (Rom. 1:17).

(*) Wanneer ds. Paauwe de rechtvaardigmaking een vrucht of gevolg van het geloof noemt, doelt hij daarbij op het geloof als middel of instrument van de rechtvaardigmaking. Uit de citaten blijkt duidelijk dat de grond of oorzaak van de rechtvaardigmaking níet in het geloof gelegen is. Vergelijk kanttekening 47 bij Romeinen 3:24 (Statenvertaling) en Zondag 23 van de Heidelbergse Catechismus..

(Uit: Preek over Romeinen 8:33, 21 april 1932 te Rotterdam. Bundel 1973-’75, blz. 194-195.)


De rechtvaardigmaking is vrucht van het geloof

De rechtvaardigmaking is de vrucht van het geloof. Het geloof is een ledige hand. God legt in iedere hand die ledig is, Christus. En hiervan is het gevolg, dat God deze mens rechtvaardigt. Hij vergeeft hem zijn zonden. Hij geeft hem een recht op het eeuwige leven. Dit is de rechtvaardigmaking: vergeving van zonden en recht op het eeuwige leven.

Maar deze rechtvaardigmaking gaat altijd gepaard met de wedergeboorte, de vernieuwing. Ik heb u gezegd, dat Luther uitgeroepen heeft dat hij zich als opnieuw geboren voelde. Dat is de wedergeboorte, en deze volgt op en gaat gepaard met de rechtvaardigmaking. Het gevolg hiervan is, dat men evenals Luther zich als opnieuw geboren voelt, zoals de apostel Paulus zegt in 2 Korinthe 5:17: “Zo dan, indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan, zie, het is alles nieuw geworden”.

(Uit: Toespraak herdenking Kerkhervorming, 1 november 1938 te Delft. Bundel 1985-’87, blz. 112.)


Door één rechtvaardigheid komt de genade tot rechtvaardigmaking des levens

“Zo dan, gelijk door één misdaad de schuld gekomen is over alle mensen tot verdoemenis, alzo ook door één rechtvaardigheid komt de genade over alle mensen tot rechtvaardigmaking des levens” (Rom. 5:18).

De gerechtigheid van Christus is een vreemde gerechtigheid. De mens heeft er geen hand in gehad en de mens verwerft deze gerechtigheid ook niet. Zij wordt hem geschonken en toegerekend, zoals hem de schuld van Adam is toegerekend.

“Door één rechtvaardigheid”. Met deze rechtvaardigheid wordt bedoeld de gerechtigheid van Christus. De tweede Persoon in het Goddelijke Wezen werd mens en deed wat Adam niet heeft gedaan, namelijk gehoorzamen. Ook leed Hij wat Adam zich op de hals had gehaald: de dood. Door te doen en te lijden verwierf Christus, aangemerkt als Borg en Middelaar, Zich de gerechtigheid, die voor God geldt.

In het Grieks, waarin het Nieuwe Testament is geschreven, staat er voor het woord “gerechtigheid”: “dikaiosunè”. Maar dit “dikaiosunè” wordt hier niet gevonden. Hier staat “dikaióma”, dat is “rechtvaardigmaking”, waarmee de gerechtigheid van Christus wordt bedoeld.

“Rechtvaardigmaking”, omdat zij de kracht bezit anderen rechtvaardig te maken. Zoals de zonde van Adam de kracht bezit om anderen schuldig te doen worden, zo bezit de gerechtigheid van Christus de kracht om de genade over alle mensen te doen komen.

“Genade” betekent de barmhartigheid des Vaders. De barmhartigheid des Vaders staat in het nauwste verband met de rechtvaardigmaking of de gerechtigheid van Christus. Waar deze is, daar laat zich de barmhartigheid des Vaders uit in de ziel. Waar dit gebeurt, daar heeft de ziel de bewustheid dat God haar Vader is in Christus Jezus. Terwijl, zolang de barmhartigheid des Vaders zich niet uitlaat, omdat de gerechtigheid of de rechtvaardigmaking van Christus er niet is, de ziel het gevoel heeft dat zij onder de toorn van God ligt.

“Over alle mensen”. Dat wil niet zeggen dat de genade, de verzoening, algemeen is. Het wil wat anders zeggen als de apostel Paulus zegt: “de genade komt tot alle mensen”. Hij denkt hierbij aan de aanbieding van de genade aan alle mensen. Aan hem dus, die door de voorzienigheid Gods in aanraking is gekomen met de Bijbel, aan deze wordt de genade van God in Jezus Christus aangeboden. Zij wordt deze mens in de handen gelegd, maar dat wil niet zeggen dat alle mensen haar aannemen. (…)

“Komt de genade Gods over alle mensen tot rechtvaardigmaking des levens”. De Zoon van God, de mens geworden Zoon van God, stond in de plaats van de mens. Op Hem was het eerste verbond, het Verbond der werken, overgegaan. Wat Hij heeft gedaan, heeft Hij gedaan in de plaats van de mens die het had moeten doen.

Waarachtig geloof is vereniging met Christus en van dit geloof heeft de mens zijn rechtvaardigmaking voor God. Daarom schrijft de apostel Paulus in het begin van ons teksthoofdstuk: “Wij dan gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God door onzen Heere Jezus Christus”. En ook in 2 Korinthe 5:21: “Want Dien Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem”.

De apostel schrijft: “Tot rechtvaardigmaking des levens”. Waarom “des levens”? Geliefden, omdat de rechtvaardigmaking voor God het leven geeft. Als God een mens vindt in Jezus Christus, wat doet Hij dan? U moet het uit uw eigen ervaring kunnen zeggen! Hij scheldt de schuld kwijt en geeft tegelijkertijd recht op het leven. Hij geeft dus de mens recht op hetgeen hij verloren had. Hij geeft hem recht op het tijdelijke, geestelijke en eeuwige leven. En dat bedoelt de apostel Paulus, wanneer hij de woorden “rechtvaardigmaking” en “leven” samenvoegt tot “rechtvaardigmaking des levens”.

(Uit: Preek over Romeinen 5:18, 22 februari 1940 te Schiedam. Bundel 1955-’57, blz. 431-433.)


Met de rechtvaardigmaking door het geloof staat of valt de Kerk

De prediking van de rechtvaardigmaking uit of door het geloof is de prediking van de Kerk, de prediking van de Kerk Gods, de prediking van de Gemeente van Jezus Christus. Overal waar deze prediking is, daar is de Kerk. En waar deze prediking niet gevonden wordt, daar is de Kerk niet. Het is u bekend, dat men in de tijd van de Reformatie zei: Met de prediking van de rechtvaardigmaking uit of door het geloof staat of valt de Kerk.

(Uit: Toespraak herdenking Kerkhervorming, 1 november 1938 te Delft. Bundel 1985-’87, blz. 112.)


Rechtvaardigmaking de eerste weldaad van het Verbond der genade

Er wordt geleerd in onze dagen, dat de mens al een eind op weg kan zijn en dat dán de rechtvaardigmaking komt. Vervloekt is deze leer, naar het woord van de apostel Paulus: “Indien iemand u een Evangelie verkondigt buiten hetgeen gij ontvangen hebt, die zij vervloekt” (Gal. 1:9).

De rechtvaardigmaking uit of door het geloof in Jezus Christus is de eerste weldaad van het Verbond der genade (*), dat God in de Heere Jezus Christus met de uitverkorene opricht en daarna volgen al de andere weldaden. In deze orde worden de dingen gekend.

(*) Vergelijk kanttekening 30 bij Kolossenzen 1:14 en kanttekening 23 bij Efeze 1:7 (Statenvertaling).

(Uit: Preek over Handelingen 4:12a, 24 augustus 1926 te Rotterdam. Bundel 1964-’66, blz. 269.)


Rechtvaardigmaking staat aan het begin

Voordat het geloof iets anders is, is het rechtvaardigmakend. Mij en u is geleerd dat de rechtvaardigmaking aan het einde staat, maar God leert dat zij aan het begin wordt gevonden.

In de rechtvaardigmaking is de ziel meer lijdelijk dan iets verrichtende. Zij ontvangt, zoals de bedelaar een aalmoes ontvangt.

(Uit: Preek over Jesaja 45:22, 25 augustus 1932 te Bennekom. Bundel 1973-’75, blz. 483.)


Weldaden in Christus; één rechtvaardigmaking

God geeft in Christus de uitverkoren, geroepen zondaar drie weldaden. Hij geeft er wel meer, maar Hij geeft vóór alle andere hem drie weldaden!

De eerste is de vergeving der zonden, de uitdelging van de schuld. Niet zodra is een mens in aanraking met Christus Jezus gekomen, of God toont Zijn getrouwheid en rechtvaardigheid. Hij vergeeft de zonden. “Indien wij onze zonden belijden”, zegt de apostel Johannes, “Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve” (1 Joh. 1:9).

De tweede weldaad, die God in Christus de zondaar die geroepen is, schenkt, is het recht op het eeuwige leven. Het recht op het tijdelijke, op het geestelijke, en op het eeuwige leven. Wie dit recht mist, die kan bij God niet terecht, want: “Die tot God komt”, zegt de apostel Paulus, “moet geloven dat Hij is, en een Beloner is dergenen die Hem zoeken” (Hebr. 11:6).

Maar bij deze twee zegeningen blijft het niet. God geeft nog een derde, en dat is de wedergeboorte. En omdat de wedergeboorte (niet wat de tijd betreft, maar wat de orde betreft) de derde weldaad is, zo is zij het kenmerk van de rechtvaardigmaking, het kenmerk van het bezit van de vergeving der zonden en van het recht op het eeuwige leven. Dus is het onmogelijk, dat de wedergeboorte aan de rechtvaardigmaking zou vooraf gaan. Maar even onmogelijk is het, dat iemand zou gerechtvaardigd kunnen zijn zonder de wedergeboorte deelachtig te wezen. De wedergeboorte is het kenmerk van de rechtvaardigmaking. Daarom zegt de apostel Paulus – als u wilt, dan kunt u de aantekeningen aan de rand [de kanttekeningen bij de Statenvertaling] zelf opslaan – “Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar den Geest” (Rom. 8:1). Hieruit volgt dat de rechtvaardigmaking met de wedergeboorte of de vernieuwing een gevolg is van de vereniging met Christus. Maar waarom is er voor degene die in Christus Jezus is, geen verdoemenis? Omdat de tweede Persoon, de Zoon Gods, mens werd in de plaats van de uitverkoren zondaar, en mens geworden zijnde, voor deze zondaar de vloek heeft gedragen, de vloek van de Wet, de straf heeft gedragen en aan de Wet gehoorzaamheid heeft betoond.

Voelt u nu wel dat de rechtvaardigmaking met de vernieuwing of wedergeboorte een gevolg is van de vereniging met Jezus Christus? Of, zoals het altijd in de Kerk van Christus geleerd is, een vrucht is van het zaligmakend geloof? Zo leert dan ook de apostel in het begin van Romeinen 5, waar hij zegt: “Wij dan gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onzen Heere Jezus Christus”.

Nu volgt hieruit dat er maar één rechtvaardigmaking is. Er zijn mensen (hoe de mensen er aan komen, weet ik niet) er zijn mensen die van meer dan één rechtvaardigmaking spreken. Zij spreken van een rechtvaardigmaking uit de vrucht en van een rechtvaardigmaking uit het geloof. Zij spreken ook van een standelijke rechtvaardigmaking. Daar is geen spoor van in de Heilige Schrift. Daar wordt niets van gevonden in de Catechismus en lees eens achter in uw boekje de belijdenis van Guido de Brès, de 37 Artikelen des geloofs en sla eens het artikel op over de rechtvaardigmaking. Daar zult u het gezegd vinden, en geliefden, de Catechismus zegt het op dezelfde manier. De Kerk van Christus zegt het ook op deze wijze, en wat meer zegt en alles betekent: God zegt het zo, want Zijn Woord zegt het zo.

Wanneer dan iemand, geliefden, deze dingen zou splitsen en onderscheid maken tussen dingen waarin volstrekt geen onderscheid mag gemaakt worden, dan toont men dat men de dingen niet verstaat. Want u moet nooit denken dat de rechtvaardigmaking en heiligmaking ingewikkelde zaken zouden zijn. De rechtvaardigmaking van een mens is de gerechtigheid van Christus. Want daar is er maar Eén rechtvaardig, en daarom zeg ik: De rechtvaardigmaking van een mens is de gerechtigheid van Christus. Als een mens deze gerechtigheid omhelst, dan is hij in het oog van een rechtvaardig en heilig God rechtvaardig, rechtvaardig zoals God hem hebben wil. En de omhelzing van de gerechtigheid van Christus geschiedt door het geloof. Zo heeft dan de apostel Paulus kunnen zeggen in de brief aan de Kolossenzen: “Gij zijt in Hem volmaakt” (Kol. 2:10).

(Uit: Preek over Romeinen 8:1, 17 september 1935 te Woerden. Bundel 1976-’78, blz. 550-551.)


De rechtvaardigmaking werd ook gekend onder het Oude Testament

“Want alzo zij de rechtvaardigheid Gods niet kennen, en hun eigen gerechtigheid zoeken op te richten, zo zijn zij der rechtvaardigheid Gods niet onderworpen” (Rom. 10:3).

De gerechtigheid of rechtvaardigheid Gods van onze tekst is een gerechtigheid waardoor de gelovige is versierd. “Zie, gij zijt schoon, mijn vriendin; zie, gij zijt schoon, uw ogen zijn duivenogen” (Hoogl. 1:15). “Ik ben zeer vrolijk in den HEERE”, zegt de Kerk; “mijn ziel verheugt zich in mijn God, want Hij heeft mij bekleed met de klederen des heils, den mantel der gerechtigheid heeft Hij mij omgedaan; gelijk een bruidegom zich met priesterlijk sieraad versiert, en als een bruid zich versiert met haar gereedschap” (Jes. 61:10). Zo ziet gij dat de verborgenheid van de leer der rechtvaardigmaking uit of door het geloof niet alleen onder het Nieuwe Testament bekend geweest is. Ook de Oud-Testamentische Kerk verstond dat de rechtvaardigheid door het geloof geschiedt.

(Uit: Preek over Romeinen 10:3, 10 januari 1928 te Rotterdam. Bundel 1967-’69, blz. 170.)


De rechtvaardigmaking gebeurt niet trapsgewijs

De rechtvaardigmaking geschiedt niet bij trappen. De rechtvaardigmaking is een volmaakt werk. Als de Heere met een mens zó handelt dat deze gezegd kan worden gerechtvaardigd te zijn, dan zegt het Opperwezen: “Ik delg uw overtredingen uit als een nevel, en uw zonden als een wolk” (Jes. 44:22). “Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en hunner zonde niet meer gedenken” (Jer. 31:34). En dan is hierbij gedacht aan de zonden van het verleden en aan die van het heden, en ook aan die van de toekomst, zodat het dikwijls gebeurt dat iemand aan wie de vergeving der zonden geschonken wordt, gedreven wordt tot het woord van de apostel Paulus dat te vinden is in Kolossenzen 2:10: “Gij zijt in Hem volmaakt”.

Wat toch is de oorzaak van de vergeving der zonden? Ik bedoel niet de bewegende oorzaak. De bewegende oorzaak is de genade, de vrije goedheid. Er staat in Romeinen 3:24: “Om niet”. Het woord “om niet” is een prediking van Gods vrije goedheid, een prediking van Zijn genade. Maar ik denk aan de verdienende oorzaak. Wat is dan de verdienende oorzaak van de vergeving der zonden? De gerechtigheid van de Heere Jezus Christus! Deze wordt toegerekend en geschonken. Als de gerechtigheid van de Heere Jezus Christus toegerekend en geschonken is, dan heeft de vergeving der zonden plaats. En omdat de gerechtigheid van de Heere Jezus Christus een volmaakte gerechtigheid is, daarom heeft de apostel Paulus kunnen schrijven: “Gij zijt in Hem volmaakt”.

(Uit: Preek over 1 Petrus 1:22a, 10 juli 1934 te Delft. Bundel 1997-’99, blz. 219.)


In Christus aangenaam bij God

Wij zijn altijd van gedachte dat wij het ons waardig moeten maken. Wij beginnen altijd met de heiligmaking, dat is, bij de vleselijke heiligmaking, en begeren dan te komen van de heiligmaking tot de rechtvaardigmaking. Zó is het niet! Wij moeten leren verstaan dat wij Gode aangenaam zijn in Christus.

De rechtvaardigmaking is iets dat altijd het minst begrepen en het meest bestreden wordt. Het is het eerst nodige en we zouden ook kunnen zeggen het éne nodige, omdat al het andere erop volgt. Door de rechtvaardigmaking wordt onze persoon aangenomen. En als dat eenmaal is gebeurd, dan blijft dat zo. Onze persoon is dan altijd Gode aangenaam, daar verandert niets aan. Dat moeten we inzien, geloven! Wij worden Gode niet aangenaam door wat we doen of laten, zelfs al zou het door de Heilige Geest zijn gewerkt. Al wat wij doen, heeft reiniging, heeft verzoening nodig door het bloed van Christus. Maar we zijn in onze persoon Gode aangenaam in Christus, uit kracht van de ons toegerekende gerechtigheid van Christus. En omdat onze personen in Christus Gode aangenaam zijn, daarom laat God ons niet los, al hebben wij onszelf Hem niet aangenaam gemaakt. Wij zijn Hem aangenaam, maar niet in onszelf. Wij zijn Hem aangenaam in Christus en om de waardigheid van Christus. In de rechtvaardigmaking komt van een mens niets in aanmerking, want een mens is niets dan zonde en heeft niets dan schuld. Lees de 23e Zondag van de Catechismus. Daar vindt u het antwoord op de vraag: “Hoe zijt gij rechtvaardig voor God?” En de apostel Paulus zegt dat het God is, “Die den goddeloze rechtvaardigt om niet, uit Zijn genade, door de verlossing die in Christus Jezus is” (Rom. 4:5 en 3:24).

Is een mens als een goddeloze tot vereniging met Christus gekomen, door het geloof, dan neemt God zijn persoon aan; Hij vergeeft hem al zijn zonden, zodat de vergeving gaat over wat een mens gedaan of niet gedaan heeft. Maar, we herhalen het, in de rechtvaardigmaking neemt God zijn persoon aan. Terwille van wie neemt God nu een mens aan in de rechtvaardigmaking? Niet ter wille van een mens, want deze mens is een goddeloze; maar God neemt hem aan om de waardigheid, om de gerechtigheid van Christus. De gerechtigheid van Christus rekent Hij hem toe en de goddeloze, deze gerechtigheid ontvangen hebbende, omhelst deze gerechtigheid, en zo neemt God hem aan.

(Uit: Preek over Psalm 9:11, 4 juli 1928 te Delft. Bundel 1967-’69, blz. 354.)


Verschil tussen rechtvaardigmaking en heiligmaking

Er is verschil tussen de rechtvaardigmaking en de heiligmaking. De rechtvaardigmaking geschiedt door God als Rechter, voor Wie de mens staat als zondaar, en de heiligmaking geschiedt door God de Heilige Geest. De rechtvaardigmaking is een woord tot de mens, en de heiligmaking is een werk in de mens. Hij wordt veranderd, zoals we u hebben voorgelezen uit 2 Korinthe 3:18. De rechtvaardigmaking is een werk dat volkomen is. “Ik delg uw overtredingen uit als een nevel” (Jes. 44:22). En als een nevel weg is, dan ís hij weg. – “Ik delg uw overtredingen uit als een nevel!” Als de zonden uitgedreven zijn, vergeven zijn, uitgedelgd zijn, dan zijn ze weg, ze zullen nooit meer gezien worden, ze zullen nimmermeer opgehaald worden – weg! Er wordt gesproken van een geworpen worden van de zonden in de diepten der zee, enzovoort (Micha 7:19). Maar het werk van de heiligmaking is onvolkomen zolang als een mens aan deze kant van het graf is. En naar de voortgang van de heiligmaking verlangt een geheiligd mens.

De rechtvaardigmaking geschiedt eerst. De rechtvaardigmaking is de eerste weldaad van het Verbond der genade, vergeet dat niet. Misschien is het u anders geleerd. Misschien is u gezegd: “Rechtvaardigmaking, och, er zijn maar zo weinig mensen die deze weldaad deelachtig worden; de meesten gaan heen naar de hemel zonder haar deelachtig geworden te zijn”. Dat is de valse leer. Het is helemaal in strijd met de Schrift, met wat een mens van zichzelf kan leren kennen en met wat hij van God kan leren kennen. Daar liggen zoveel domheden en dwaasheden in, dat het niet uit te spreken is. De rechtvaardigmaking – de eerste weldaad.

En op de rechtvaardigmaking volgt de heiligmaking, maar niet in tijd. Want beide worden ze ons geschonken in één ogenblik, in een ondeelbaar ogenblik, met de snelheid van het licht. “Hij spreekt, en het is er; Hij gebiedt, en het staat er” (Ps. 33:9). Hij roept de dingen die niet zijn, alsof ze waren; de doden maakt Hij levend (Rom. 4:17). Ze horen bij elkaar. Rechtvaardigmaking zonder heiligmaking is een vergissing. En heiligmaking kan er niet wezen als er geen rechtvaardigmaking is. Wie weet wat zonde is, schuld, ellende, toorn Gods en vloek der Wet, die weet hoe onschatbaar de voorrechten zijn die aangeduid worden met de woorden: rechtvaardigmaking en heiligmaking!

(Uit: Preek over Johannes 19:34b, 6 april 1952 te Den Haag. Bundel 1997-’99, blz. 331-332.)


Een eeuwige gerechtigheid

De gerechtigheid die door het geloof omhelsd is, is een eeuwige gerechtigheid. Een korte tijd heeft een menselijke gerechtigheid gegolden, maar het was nooit de bedoeling Gods om deze gerechtigheid te laten wezen de grondslag der zaligheid. En vanaf het ogenblik dat er gezondigd is, voert de gerechtigheid van de Heere Jezus Christus heerschappij. De Heere heeft er Adam en Eva mee bekleed. Henoch heeft erin gewandeld. Abraham is erdoor gerechtvaardigd. Alle oudtestamentische vromen, de psalmisten, de profeten, de zieners, de priesters – voor zover zij God vreesden – hebben er hun heil in gezien, gezocht en gevonden. Zo ook de apostelen (denk eens aan Filippenzen 3), en na de apostelen alle gelovigen. En het is zo gebleven tot op dit ogenblik en het zal zo blijven, het zal blijven tot in alle eeuwigheid. Die in de hemel zijn, staan nog op niets anders dan op de gerechtigheid van de Heere Jezus Christus. En die op deze gerechtigheid niet geleerd hebben te staan, zijn niet in de hemel.

(Uit: Preek over Handelingen 13:39, 8 juli 1951 te Den Haag. Bundel 1994-’96, blz. 389.)