Zijn prediking » Belangrijke onderwerpen » Zaligmakend geloof


Zaligmakend geloof

Het geloof is de gebruikmaking en toe-eigening van Christus

Wie van Christus geen gebruik maakt, heeft niets aan Hem. Christus is op aarde geweest en wie zijn door Hem geholpen? Allen, zegt u, allen die tot Hem kwamen. Degenen die tot Hem kwamen, werden door Hem geholpen, en het is nooit gebeurd dat Hij iemand afwees. “Komt”, zo is zijn prediking geweest, “komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven” (Matth. 11:28). En op een andere plaats vinden we: “Die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen” (Joh. 6:37). Maar dat is het grote geheim: de gebruikmaking van Christus; dit is de toe-eigening van Hem.

Als er geen toe-eigening plaatsheeft, dan mag er gesproken worden van geloof, maar dat geloof is dan het echte geloof niet. U hebt misschien ook wel eens gehoord, dat door mensen die de prediking horen, gezegd wordt: “Het wordt wel gezien, maar zien is nog geen bezitten”. Geliefden, als een mens het ziet, dan bezit hij het. Het is maar de vraag of hij het ziet door het geloof. Als men de dingen ziet bij algemeen licht, dan bezit men de dingen niet, maar het komt erop aan de dingen te aanschouwen door het geloof. Op de toe-eigening komt het aan. Dat de verdoemden in de hel weten, dat Christus gestorven is voor de zondaar en opgewekt tot zijn [des zondaars] rechtvaardiging (Rom. 4:25), verzwaart hun oordeel en maakt hun ellende des te groter. Gij moet een toe-eigenend geloof hebben. Wanneer is het een toe-eigenend geloof? Als een mens zich kan aanmerken als zondaar, wanneer ons alles ontvallen is, want Christus is niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering (Matth. 9:13). Hebt u wel eens gezien en gevoeld, dat u ledig was, ledig van alles? Ledig van alle waarachtig goed? Dan was dat het ogenblik om uit die ledigheid uit te gaan in de volheid van Christus. Zó heeft Maria het begrepen en zo kon zij zeggen: “Hongerigen heeft Hij met goederen vervuld” (Luk. 1:53). De mensen zijn eropuit om te weten of zij genade hebben. Zij moeten niet te weten gekomen zijn of zij genade hebben. Zij moeten te weten gekomen zijn, dat zij géén genade hebben! Genadeloze mensen komen tot Christus. Daarom beschrijft de apostel Paulus het zo juist, hij zegt: “Doch dengene, die niet werkt, maar gelooft in Hem Die den goddeloze rechtvaardigt” (Rom. 4:5). Dus, is een mens alles ontvallen, heeft hij niets anders dan schuld, niets anders dan wat hem verdoemt, dan is hij de persoon voor Christus. Hij moet niets anders hebben dan wat hem verdoemt, want Christus heeft het oordeel gedragen voor degenen, die zich onder het oordeel zien. Dán, toehoorders, wordt gebruik van Christus gemaakt. Als een mens gebruik maakt van Christus, dan ziet hij, dan grijpt hij het bloed van Christus aan en brengt dat op zijn consciëntie. Weet u wat dat is? Dat is de gebruikmaking van Christus: het bloed van Christus aan te grijpen en dat op zijn consciëntie te brengen. Als een mens dat doet, dan hebben er wondervolle dingen plaats: de hemel komt op aarde, de hemel daalt in het hart en de gewaarwording en de genieting van zulk een hemel doet zeggen: “Wij dan gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God door onzen Heere Jezus Christus” (Rom. 5:1).

(Uit: Preek over 1 Petrus 2:7, 27 april 1933 te Rotterdam. Bundel 1976-’78, blz. 167-168.)


Geloof bestaat in kennis, toestemming en vertrouwen

Waarin bestaat het wezen des geloofs? Men zou kunnen zeggen: het geloof, het wezen des geloofs bestaat in kennis, in toestemming en in vertrouwen. Gij hebt dat allen wel eens gelezen in een of ander boek – uit vroeger tijd althans – en in de Bijbel. Maar ik behoef u niet te zeggen dat u het daarmee niet verstaat. Alles – ik heb het u al laten horen – alles moet met het hart begrepen worden.

Het geloof bestaat in kennis. “Door Zijn kennis – zo vinden wij in Jesaja 53 – zal Mijn Knecht, de Rechtvaardige, velen rechtvaardig maken” (vs. 11). Wat is dat dan voor een kennis? Dat is een kennis die men ontvangen heeft, en geen kennis die men verkregen heeft, verkregen heeft door lezen, predikaties horen, nadenken, enzovoort. Neen, de kennis waaruit het geloof voor een deel bestaat, heeft men ontvangen, plotseling, in een ondeelbaar ogenblik, met de snelheid van de bliksem, terwijl dan later deze kennis wordt bevestigd.

En waarvan heeft men dan kennis? Van God. Hem aanschouwt men. Men aanschouwt Hem in Zijn bestaan, in Zijn deugden, in Zijn Personen, in Zijn werken. Zo heeft de Heere Jezus gesproken in de Hogepriesterlijke bede: “En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den enigen waarachtigen God, en Jezus Christus, Dien Gij gezonden hebt” (Joh. 17:3). En de apostel Paulus: “Want God, Die gezegd heeft dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is Degene Die in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting van de kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus” (2 Kor. 4:6). Laat mij hier vooral opmerken dat van fantasieën hier geen sprake is. Men ziet geen gedaante, want God heeft geen gedaante. Men ziet geen gekruiste Christus, geen Christus aan het kruis hangen. Het is alles door het onderwijs van de Heilige Geest.

Kennis heeft men dan van zichzelf, van zijn leven, dat men beweent; van zijn hart dat men ziet als ondoorgrondelijk slecht; van zijn natuur, welke men verstaat te wezen geheel in afwijking van de Heilige Wet; en van zijn val in de eerste mens, in Adam. Deze kennis doet ons God verheerlijken en onszelf vernederen, doch niet diep genoeg, want iedere begenadigde is ontevreden over zichzelf. Hij klaagt over zichzelf, en hij blijft over zichzelf klagen tot aan het graf toe.

Het geloof bestaat uit toestemming. Deze toestemming is van tweeërlei aard: zij is beschouwend en werkzaam. Beschouwend is de toestemming, en hiermee wil ik zeggen dat men wat geopenbaard is, toestemmende aanschouwt, ziet. Denk hierbij aan Psalm 27: “Hier weidt mijn ziel met een verwond’rend oog” (vs. 3 ber.). Al wat men hier gewaarwordt, baart verwondering, de diepste verwondering. De toestemming is werkzaam. Hiermee bedoel ik, dat het hart uitgaat naar wat wordt gezien. “Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel tot U, o God” (Ps. 42:2).

Het geloof bestaat in de derde plaats uit vertrouwen. Dit vertrouwen rust op wat God gedaan heeft in Christus, dus op de gerechtigheid van de Heere Jezus, op de barmhartigheid des Vaders, op de beloften Gods. En hierbij vertrouwt men dat de Heere het maken zal, het maken zal voor de tijd en voor de eeuwigheid.

Van nature heeft de mens en zoekt de mens allerlei steunsels: voorspraak, invloed van betrekkingen, van relaties, verzekeringen, assurantie, levensverzekering, enzovoort. Die begenadigd is, heeft uitsluitend tot steunsel een belovend God in Christus Jezus, en het is voor hem weggelegd om te zien hoe de wereld met al haar vastigheden, teleurstelling zal vinden, en dat God aan Zijn Woord zal denken.

(Uit: Preek over Psalm 119:14, 30 november 1952 te Den Haag. Bundel 2000-’02, blz. 195-197.)


Vereniging met Christus; kennis en vertrouwen

Hoe heeft men deel aan Christus? Door het geloof, door het waarachtige geloof. Wanneer een mens gelooft en hij doet dit op de rechte wijze, dan is hij door zijn geloof met Christus verenigd. En wij weten dat de apostel Paulus de rechtvaardigheid of de rechtvaardigmaking een vrucht van het geloof noemt. “Wij dan gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God door onzen Heere Jezus Christus” (Rom. 5:1).

Toehoorders, wat het geloof is, dat zegt u de Catechismus. Luistert daarnaar. Laat u door de Catechismus zeggen wat het geloof is. Gij kent allen de zevende Zondag: “Een waar geloof is niet alleen een stellig weten of kennis, waardoor ik alles voor waarachtig houd, wat ons God in Zijn Woord geopenbaard heeft, maar ook een vast vertrouwen, hetwelk de Heilige Geest door het Evangelie in mijn hart werkt, dat niet alleen anderen, maar ook mij vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is, uit louter genade, alleen om der verdienste van Christus wil” (Heidelbergse Catechismus, antwoord 21). Dit heeft men vroeger geantwoord op de vraag: “Wat is een oprecht geloof?” Houdt u aan dit antwoord. Doet u dit niet, dan komt u bedrogen uit! Elk geloof dat er zó niet uitziet, is een waangeloof, is niet echt, is geen zaligmakend geloof! Komt het u als echt voor, dan is dat, omdat gij naar een ander luistert of naar uzelf. Gij moet luisteren naar de belijdenis van de Kerk van Christus, die wij onder andere hebben in de Catechismus.

In een waarachtig geloof zijn twee dingen: kennis en vertrouwen.

Kennis. Waarvan moet een mens kennis hebben? Ik zeg: van God en van de beloften van God, geopenbaard in het Evangelie. Wanneer een mens God kent, dus Hem kent zoals Hij is: Vader, Zoon en Heilige Geest, en hij kent de beloften van het Verbond der genade, dan bezit hij de kennis die een deel van het geloof is. Van deze kennis heeft de Heere Jezus gesproken in Johannes 17:3: “En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den enigen waarachtigen God, en Jezus Christus, Dien Gij gezonden hebt”. Wanneer een mens God niet kent, noch zijn beloften, dan heeft hij geen zaligmakend geloof.

Vertrouwen. Vertrouwen dat hém, en niet alleen anderen, maar ook aan hem geschonken is vergeving van al zijn zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid uit louter genade, om de verdienste van Christus. Waar dit vertrouwen niet is (ik spreek niet over de mate), waar dit vertrouwen niet is, daar is geen geloof, want het vertrouwen is het andere deel van het geloof. Ik heb gezegd: kennis van God en van de beloften, geopenbaard in het Evangelie, is het ene deel van het geloof, en het andere deel van het geloof is het vertrouwen, het vertrouwen des harten, dat God hem begenadigd heeft.

Waar deze zaken zijn, daar is het geloof. Ik behoef u dus niet te zeggen, hoe ontzaglijk veel mensen zich vergissen! Toehoorders, men moet de beloften Gods, God en Zijn beloften kennen. Immers, hoe zou men anders weten dat God óns het eeuwige leven schenkt? Wie nu God en Zijn beloften, geopenbaard in het Evangelie, niet kent, die is immers onwetend? Hoe zou deze mens kunnen geloven?

Aan wie zijn de beloften gedaan? Wie zijn de voorwerpen van de beloften? Dit zijn alleen de verslagenen, de boetvaardigen, zij die zich tot God bekeren. Deze mensen zijn de beloften gedaan. Dus de kennis van God en de beloften Gods, waarmee het vertrouwen op God gepaard gaat, is nooit aanwezig zonder vernedering, zonder boetvaardigheid.

Toehoorders, dit is het geloof. En als God dit geloof werkt in het hart van de mens, wat doet deze mens dan, als hij begrepen heeft dat zijn toestand hopeloos is, dat hij voor God verdoemelijk is, niets anders dan de eeuwige verdoemenis waardig is? Zich voor God vernederen, Hem rechtvaardigheid toeschrijven en zichzelf verdoemen. Wanneer deze mens dan gehoord heeft hoe God in Jezus Christus de verslagene, de boetvaardige, genade toezegt, machtig en gewillig is hem te helpen, dan wordt hij werkzaam, werkzaam door het geloof in uitgaan uit zichzelf en overgaan in God. En als de mens zó werkzaam is, wat doet hij dan? Dan stijgt hij op tot Christus, want Die heeft hij aanschouwd. En waar heeft hij Christus aanschouwd? Aan de rechterhand des Vaders. Hij stijgt dus op in de hoogte naar God, waar Christus is, en hij blijft dit doen totdat hij is waar God is, en dáár omhelst hij Christus, eigent hij zich Christus toe. Dat is de voornaamste werkzaamheid van de ziel in het geloof. Hierom zei men vroeger, dat het geloof een uitgaande daad van de ziel is.

Door het geloof gaat de ziel tot God, tot de Heere Jezus Christus. En toehoorders, dit is dat zoeken waarvan in het Evangelie gesproken wordt: Wie zoekt, die vindt, wie klopt, die wordt opengedaan, wie bidt, die ontvangt (Matth. 7:8; Luk. 11:10). Dan vindt deze mens niet alleen Christus, maar ook wat Christus verworven heeft. Want Christus is nooit zonder wat Hij verworven heeft. Hij is nooit zonder de vergeving der zonden, zonder het recht op het eeuwige leven, zonder Zijn Geest, zonder Zijn Vader. Ook nooit zonder Zijn Woord!

Al deze zaken vindt de mens wanneer hij Christus gevonden heeft. Daarom staat er in de zevende Zondag: “Worden dan alle mensen wederom door Christus zalig, gelijk zij door Adam zijn verdoemd geworden?” Antwoord: “Neen zij, maar alleen degenen die Hem door een waar geloof worden ingelijfd en al Zijn weldaden aannemen” (Heidelbergse Catechismus, antwoord 20). En dat is wat ik u verklaard heb. En nu moet ieder zich afvragen, of de Heilige Geest dat wat ik verklaard heb, in zijn hart gewerkt heeft. U moet zich van deze taak niet ontslaan, want gij weet allen zeer goed, dat de Schrift zegt dat die gelooft het heeft, en die niet gelooft het niet heeft. Daarom moet gij u van deze taak niet ontslaan! U moet wat ik verklaard heb, bezitten. Is dit er niet en gij gaat sterven, dan wacht u niets anders dan een eeuwige rampzaligheid.

Waarachtige Godskennis is altijd een kennis Gods in Christus. Hierom heb ik gezegd dat Christus in uw hart moet geopenbaard zijn. En wanneer is dat nu geweest, dat gij dag en nacht riept: “O God, openbaar Uzelf in mijn hart! Ik ken U niet”? En dan vraag ik, of God Zich geopenbaard heeft in uw hart, zodat u met beving tot Hem opziet en zegt: “Heere, Gij weet het, dat mij niets anders bekend is, dan dat het U behaagd heeft Uw Zoon in mij te openbaren en hoe ik in de Zoon U heb aanschouwd, U in Uw heerlijkheid, in Uw rechtvaardigheid, alsook in Uw barmhartigheid”.

Dát is het eerste, en geliefde toehoorders, dat moet hebben plaatsgehad, voordat er gesproken kan worden van enig zaligmakend werk!

Wanneer wij God in Christus leren kennen, dan leren wij ook Zijn beloften kennen. Als een mens de beloften Gods niet kent, dan weet hij ook niet of God hem wel zalig maken wil. Al zou hij ervan overtuigd zijn, dat God zalig maken kan, daar heeft hij tenslotte niets aan! Dat weet de duivel ook.

En dan het vertrouwen des harten. Waarachtig geloof moet in God rusten. Een rusten in God is het waarachtige geloof. Degenen “die geloofd hebben, gaan in de rust” (Hebr. 4:3). Die rust heeft een mens nodig! Als hij niet in God rust, dan rust hij in zichzelf en dat is een zandbodem.

(Uit: Preek over 1 Petrus 1:21, 5 oktober 1939 te Rotterdam. Bundel 1997-’99, blz. 124-126.)


Het geloof omhelst Christus met Zijn weldaden

De eerste zegen van het Verbond, de eerste weldaad van het Verbond der genade is de rechtvaardigmaking, en de tweede weldaad is de reinigmaking of de heiligmaking. Deze beide weldaden worden in Christus Jezus gevonden. De Heere Jezus Christus is van deze weldaden nooit gescheiden geweest; ook niet, toen Hij nog niet geleden had en nog niet opgestaan was. Hij zal er ook nooit van gescheiden worden! Het geloof ziet ze in Hem. Het geloof ziet beide in Hem. Ik kan het niet verklaren, maar gij moet weten of het voor u waar is. Het geloof ziet beide in Hem. In het Oude Testament wist men dit ook al, want in Jesaja 45:24 staat het immers met zovele woorden: “Men zal van Mij zeggen: Gewisselijk, in den HEERE zijn gerechtigheden en sterkte; tot Hem zal men komen”. Gerechtigheden, de eerste weldaad – sterkte, de tweede weldaad. En waar het geloof nu niets anders is dan de omhelzing van de Heere Jezus, daar volgt immers dat met de Heere Jezus beide zegeningen omhelsd worden. Nog eens: ik kan het niet verklaren, maar het is voor ons de vraag of het zo is, of het voor óns zo is.

Het geloof omhelst beide: de rechtvaardigmaking en de heiligmaking. Nog eens, als een mens ziet op zichzelf, dan durft hij zijn mond niet open te doen over deze dingen. Maar, toehoorders, de vraag is: Heeft het hart het gezien in Christus en heeft het hart het omhelsd in de Heere Jezus? Van deze vraag hangt het volstrekt af of wij een goede dan wel een kwade eeuwigheid zullen hebben.

Rechtvaardigmaking en heiligmaking zijn – zo zouden wij het nu kunnen zeggen – twee vruchten van een waar, dat is oprecht geloof. En alwaar nu een geloof is zonder deze twee vruchten, daar is in het geheel geen geloof. Ja, daar is toch een geloof: een waangeloof. Zo’n mens verkeert in een waan, zoals ieder in een waan verkeert, die niet beter onderricht is door de Heilige Geest en door het Woord.

(Uit: Preek over 1 Petrus 1:22a, 29 mei 1934 te Delft. Bundel 1997-’99, blz. 196-197.)


Het oprechte geloof is zaligmakend

Het oprechte geloof wordt een zaligmakend geloof genoemd. Bij deze benaming moeten wij stilstaan. Het geloof is een instrument, een middel. De zaligheid wordt er door aangegrepen, zodat geloof en zaligheid onlosmakelijk aan elkaar verbonden zijn. Waar het ene is, daar is ook het andere. Waar het geloof is, daar is de zaligheid. Waar de zaligheid gevonden wordt, daar gelooft men. De apostel Paulus heeft er dit van gezegd: “Met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid” (Rom. 10:10). Dus, waar het geloof is, daar is ook de gerechtigheid, de gerechtigheid die voor God geldt. Met andere woorden: de gelovige, hij die gelooft, de gelover, is rechtvaardig. Rechtvaardig niet in eigen oog, maar rechtvaardig in het oog van de rechtvaardige God. Te geloven is ook het enige middel om rechtvaardig te zijn. Er staat dan ook: “De rechtvaardige zal door zijn geloof leven” (Hab. 2:4), of: “De rechtvaardige zal uit het geloof leven” (Rom. 1:17).

Het geloof of de gelover ziet de zaligheid. Hij kent de zaligheid. Hij weet wat het is: zalig te zijn, zalig te worden. Dat komt, omdat de gelover God aanschouwt, want de zaligheid is God te kennen. Dat vinden we in Johannes 17:3: “En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den enigen waarachtigen God, en Jezus Christus, Dien Gij gezonden hebt”. Men kent de Heere door het geloof.

Dus: de gelover ziet de zaligheid. Waar ziet hij de zaligheid? Hij ziet de zaligheid in de Heere. Tegelijkertijd met de Heere ziet hij de zaligheid. En waar ziet hij de Heere? Hij ziet de Heere in het Woord, in de beloften van het Evangelie. Hij aanschouwt in de beloften de Heere Jezus Christus en in de Heere Jezus Christus ziet hij de Vader. Wanneer hij deze aanschouwing heeft, doet hij een greep. Er staat: “Of hij moest Mijn sterkte aangrijpen” (Jes. 27:5). Hij grijpt de beloften aan, maar tegelijkertijd grijpt hij de Heere aan. Hij omhelst de Heere. Hij doet dat met een geloof dat leeft, met een levend geloof. Het levend geloof is een geloof, waardoor men zich bewust is van wat men doet. Wie de Heere aangrijpt met een levend geloof, is zich dus bewust, dat hij de Heere aangrijpt, want het waarachtig geloof is nooit in onzekerheid aangaande zichzelf. “Klein geloof ook?”, zult u vragen. “Zwak geloof?” Het geloof! Wij spreken doorgaans niet over trappen in het geloof, maar over het geloof. En wat wij van het geloof zeggen, geldt van elk geloof dat waar is, hoe zwak het ook moge zijn. Wat zou u eraan hebben, wanneer wij alleen spraken over een sterk geloof? Wij spreken niet over een sterk geloof, niet over een zwak geloof. Wij spreken over het geloof.

De gelover weet wat hij doet. Hij weet, dat hij een stap doet uit zichzelf, en in God overgaat. Hij weet, dat hij vertrouwen stelt niet op zichzelf – dat deed hij eerst – maar op de onveranderlijke beloften Gods, op de gerechtigheid van de Heere Jezus Christus. Het is niet zo, dat eenieder die gelooft, het zou kunnen beschrijven, maar ieder die gelooft, voelt in zijn hart, dat hij steunt, dat hij rust. Waarop rust hij? Waarin rust hij? Hij steunt op de gerechtigheid van Christus, en hij rust in de deugden Gods. De deugden Gods zijn vervat in de beloften. Hij omhelst de beloften, zó steunt hij op God; op de deugden, op de heerlijkheid Gods, op de “Naam des HEEREN”, staat er in Jesaja 50:10. En dan komt hij ertoe om van de Heere wat te verwachten. “En nu, wat verwacht ik …”. Er is niets te verwachten, zover men ziet. Er is niets te verwachten. Van de naaste niet, van zichzelf niet, van het zichtbare en tastbare niet! “En nu, wat verwacht ik, o Heere? Mijn hoop, die is op U” (Ps. 39:8).

(Uit: Preek over 1 Petrus 2:7, 19 januari 1933 te Rotterdam. Bundel 1976-’78, blz. 114-116.)


God eist dat we geloven

“Dit is het werk Gods, dat gij gelooft in Hem, Dien Hij gezonden heeft” (Joh. 6:29).

“Dit is het werk Gods”. Dat wil zeggen het werk dat God eist en Hem welbehagelijk is. God eist dat we geloven. Hij eiste het van de mens in de staat der rechtheid en ook van ons die leven onder het Verbond der genade. En waar het nu God behaagd heeft het Evangelie te openbaren, wil Hij dat wij het omhelzen door middel van een waarachtig geloof.

Geliefde toehoorders, het is ook het enige dat God behaagt. Breken met de zonde, het wenen over zijn ongerechtigheid, het laten van vele kwade en het doen van vele goede dingen, zal de mens niet brengen in de gunst van God. God zal hem altijd als zijn vijand beschouwen, en als hij komt te sterven zonder geloofd te hebben in de Heere Jezus Christus, Gods dierbare Zoon, dan zal hij uit Gods mond horen: “Ik ken u niet vanwaar gij zijt; wijkt van Mij af, alle gij werkers der ongerechtigheid” (Luk. 13:27).

(Uit: Preek over Johannes 6:28-29, 16 november 1922 te Rotterdam. Bundel 1958-’60, blz. 178.)


Het geloof omhelst de aangeboden gerechtigheid

Zolang een mens niet voor waarachtig kan houden dat hem persoonlijk de gerechtigheid van Christus is in de hand gelegd, wordt aangeboden, geschonken, zolang kan een mens geen oprecht zaligmakend geloof oefenen; hij is een ongelovige. Neemt iemand de gerechtigheid des Heeren aan, dan stemt hij dus toe het aanbod ervan. Hiervan vindt u geschreven in Johannes 3:33: “Die Zijn getuigenis aangenomen heeft, die heeft verzegeld dat God waarachtig is”. En nu wil hij deze gerechtigheid. Hij had ze nooit gewild, maar nu wil hij deze gerechtigheid. En hij verzaakt zijn eigen gerechtigheid, en omhelst wat hem aangeboden wordt. Hij opent zijn hart ervoor en hij verenigt zich met Hem, Die in de belofte des Evangelies met de gerechtigheid wordt aangeboden, zodat tussen Hem en de Heere Jezus Christus de allernauwste, de allerinnigste vereniging tot stand komt. En het is uit kracht van deze vereniging, dat nu deze gelovige zich bevindt in de gemeenschap Gods, in de gemeenschap des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes.

(Uit: Preek over Mattheüs 5:20, 7 september 1949 te Den Haag. Bundel 1951-’54, blz. 94-95.)


Wondergeloof, historisch geloof, tijdgeloof en oprecht geloof

Er is wat men noemt een wonder-geloof. In de dagen van de Heere Jezus Christus en in die van de apostelen stelde men somtijds vast, dat er een wonder zou gebeuren. Zulk een geloof was echter niet zaligmakend. Waarom niet? Omdat het buiten de vereniging met Christus geschiedde. Al wat plaats heeft buiten de vereniging met Christus, is bestemd om onder te gaan. Dat gelooft u niet! U gelooft het, als u gelooft, dat Jezus Christus met Zijn gerechtigheid en met al Zijn schatten en gaven door God u geschonken is, en u God in Hem hebt omhelsd. Dan gelooft u het.

Ach, denkt men, hoeveel aangenaams heb ik al niet doorleefd. Welke rijke gezichten mocht ik niet somtijds hebben. Hoe was niet menigmaal mijn ziel als opgetrokken! Wat ik u toebid is dit, dat God u geve, dat u dit eens zien mocht als vijandschap tegen God, en hoe zou u begenadigd zijn! Als het Opperwezen eens één woord met u sprak, dan zou u het zien. U zou uw gehele staat wegstoten en als een “niet” aan Gods vinger komen te hangen door een oprecht geloof, dat alleen maar beoefend wordt door degenen die niets zijn en niets hebben; door de goddelozen en door degenen die in de duisternissen wandelen en geen licht hebben (Jes. 50:10).

Er is wat men noemt een historisch geloof. Men stemt toe wat er in de Bijbel staat. Zulk een geloof is niet zaligmakend. Waarom niet? Omdat hier geen vragen komen: Hoe sta ik tegenover de dingen? Hoe sta ik tegenover God? En hoe staat het Opperwezen tegenover mij? Zulk een geloof is een historisch geloof, en dit geloof is niet zaligmakend. Hoeveel wordt er niet toegestemd, zonder dat de vraag beantwoord is of men een Vader in de hemel heeft. En ach, geliefden, als het hart dit niet kan aannemen, dan zal het nooit bidden. Het kan niet! Daarom heeft de apostel Paulus gezegd: “Die tot God komt, moet geloven, dat Hij is, en een Beloner is dergenen die Hem zoeken” (Hebr. 11:6). Zal men waarlijk wat van God genieten, dan moet men Hem eerst kennen, en dan staat er in Psalm 9:11: “En die Uw Naam kennen, zullen op U vertrouwen”. Vertrouwen! Wat? “Dat Gij eeuwig onze genadige Vader zijn zult” (Formulier van het Heilig Avondmaal, het gebed).

Er is wat men noemt een tijdgeloof. In dit geloof schijnt alles te wezen. Hierom wordt het ook een schijngeloof genoemd. Geliefden, hoe sterk de gelijkenis kan zijn tussen een schijngeloof en een waarachtig geloof, is moeilijk te zeggen. Daar is somtijds iets dat hoog gaat: grote blijdschap, diepe droefheid, verrukking, optrekking. Al deze dingen kunnen bij ons worden gevonden en dan is het nog niet zeker, dat wij een waarachtig geloof hebben. Wat ontbreekt er als het geloof een schijngeloof is? Alles! Schijngeloof gaat vroeg of laat niet over in een waarachtig geloof. Waarachtig, heilvattend, omhelzend geloof is niet iets wat later bij het schijngeloof komt. Het is wat anders. Het is wat nieuws. Wat ontbreekt er, wanneer het geloof een schijngeloof is? De Heilige Geest ontbreekt. De Heilige Geest heeft men niet tot een Inwoner. De Heilige Geest heeft men niet in zich. Schijngeloof heeft gaven, gaven van de Heilige Geest, maar waar dit geloof is, daar is de Heilige Geest Zelf niet. Daar leeft de mens. Daar heeft plaats een versiering van de mens, een versterking van de mens, een oprichting van de mens. Waar de Heilige Geest is, daar heeft plaats de verwerping van de mens. Waar de Heilige Geest is, daar heeft niet plaats een aankweking van het leven, welk leven slechts schijn is, maar daar heeft plaats een sterven aan zichzelf, een sterven aan al wat van ons is, zodat waar de Heilige Geest is, de Geest werkzaam is in de dood; in een mens die dood is door de misdaden en de zonden (Ef. 2:1). Waar de Heilige Geest is, daar ziet men de dood en het leven: de dood in zichzelf en het leven in God. Waar de Heilige Geest is, daar is er maar Eén Die leeft, Hij Die gezegd heeft: “Ik leef en gij zult leven” (Joh. 14:19). Wanneer het geloof slechts schijn is, dan heeft er geen vernedering plaats. Er heeft wel een vernedering plaats, maar deze vernedering is ook schijn. Men gaat niet werkelijk onder en men staat dan ook niet op in God.

Er is in de vierde plaats een oprecht geloof, waarvan u een uitnemende verklaring kunt vinden in onze Heidelbergse Catechismus. (…) Geliefden, de beschrijving die u in de Catechismus van het geloof vindt, moet de beschrijving zijn van uw geloof en als uw geloof niet beantwoordt aan de beschrijving van het geloof in de zevende Zondag van de Catechismus, dan deugt uw geloof niet; maar de beschrijving in dat artikel deugt wel. En u moet niet menen, dat men in de zevende Zondag de beschrijving heeft van het welwezen van het geloof; het is de beschrijving van het wezen van het geloof. Daar wordt niet gevraagd: Wat is het geloof, wanneer het in een hoge trap beoefend wordt? Er wordt eenvoudig gevraagd: Wat is een oprecht geloof?

(Uit: Preek over 1 Petrus 2:7, 22 december 1932 te Rotterdam. Bundel 1976-’78, blz. 100-102.)


Alleen in het geloof is zekerheid

Zekerheid zit in het geloof. Alleen waar het geloof is, het waarachtig geloof, het zaligmakend geloof, alleen daar is de zekerheid. En dan zegt men, de één met meer, de ander met minder vrijmoedigheid: “Ik weet Wien ik geloofd heb” (2 Tim. 1:12). Zou het anders kúnnen als God Zich bekendmaakt? En dat is toch het middel waardoor het geloof gewerkt wordt. Als God Zich bekendmaakt, en Hij doet dat in het hart van een verlorene, van een mens die uitermate zijn best gedaan heeft om zalig te worden, maar verlorenheid gevonden heeft, als God Zich in zulk een hart bekendmaakt, zou dat hart het dan niet weten? Ik zeg u dat het hart het weet, en het zegt: “Dat is God. Hij is gekomen om mij hulp te bieden, mij te redden, mij te trekken, God in Zijn Zoon, in de Heere Jezus.” En als een mens dan uit alles uitgaat en er alles aan geeft, niets overhoudt, en aanneemt wat hem voorgesteld wordt, Christus, Die hem voorgesteld wordt, in zijn hart gewaarwordt, ziet, en zijn hart tot Christus brengt, wanneer dus een mens zich ontsluit, en daarbij verliest wat hij getracht had vast te houden, wat hij geprobeerd had aan te kweken, zoals Paulus zegt: “Hetgeen mij gewin was, dat heb ik om Christus’ wil schade geacht” (Filipp. 3:7), zou een mens dat niet weten? Ik neem niet aan dat het mogelijk is dat dit alles passeert zonder dat men het weet.

(Uit: Preek over Romeinen 8:1a, 10 oktober 1954 te Den Haag. Bundel 2003-’05, blz. 290-291.)


Het geloof is nooit zonder zekerheid

De aard en de betekenis van het geloof moeten we leren verstaan. Vele mensen, bijna alle mensen of misschien wel alle mensen, zijn druk bezig met de vraag: “Is het echt, is het uit God, is het Waarheid?”, voordat ze zich met Christus verenigd hebben en door God in Christus zich hebben laten helpen. Ik heb u al gezegd: deze mensen krijgen geen antwoord. Misschien hebt u het al dertig jaar gedaan. Hebt u antwoord gekregen? Ja, dingen die in dezelfde lijn liggen als de dingen die u zoekt. Eerst kennen, en dan vertrouwen! “Die Uw Naam kennen, zullen op U vertrouwen” (Ps. 9:11). En dit kennen en vertrouwen is nooit zonder zekerheid; onthoud het – nooit zonder zekerheid. Men behoeft nooit, nooit te denken dat in deze twee werkzaamheden geen zekerheid zou zijn. Maar men moet de aard ervan wel leren verstaan. Trouwens, waar deze zekerheid is, daar wordt de aard en betekenis ervan wel begrepen. Zie eens, de mens zoekt zijn zekerheid te halen uit hetgeen gebeurd is, en als het dan ontoereikend is, dan probeert hij nog meer te krijgen. En dan kómt er nog wel eens wat, maar dat is evenmin zaligmakend als wat hij deelachtig was geworden. En zo blijft het bij hem precies hetzelfde. Hij gaat van ruimte in benauwdheid, en van benauwdheid in ruimte, maar nooit op een rechte grondslag.

De zekerheid ligt in de dingen zelf, gelijk gezegd, in de kennis van Christus door openbaring en in het vertrouwen op Christus. Waar deze twee zaken zijn, daar is men nooit geheel zonder zekerheid. En dan gaat men niet tot hetgeen men ondervonden heeft – dit wilde ik eigenlijk zeggen, ik was er een ogenblik van af – dan gaat men niet tot hetgeen men ondervonden heeft (ofschoon dit niet nutteloos is), maar van binnenuit, vanuit de diepte van de ziel wordt ons gezegd dat ons werk waarheid is.

(Uit: Preek over Romeinen 8:1a, 14 november 1954 te Den Haag. Bundel 2003-’05, blz. 358.)


Alleen steunen op God, op het Woord van God

Vraag uzelf af of gij kunt bemerken, dat gij met uw hart steunt op God, op het Woord van God, en niets anders tot uw grond hebt dan het blote Woord van God in Christus Jezus. Want de zekerheid van zalig worden ligt niet allermeest in de ervaring van de mens, maar alleen in God, in de sprekende, belovende God.

(Uit: Preek over Jesaja 66:2b, 20 juni 1922 te Rotterdam. Bundel 1955-’57, blz. 469.)


Geloof is een wetenschap in het hart

Dus, toehoorders, waarachtig geloof is een wetenschap diep in het hart. Waarachtig geloof, dat is zekerheid, dat is vastheid. En daar moet u nooit overheen gaan. Ik heb u altijd gezegd dat dit de bestrijding niet uitsluit. De bestrijding is wat anders dan het geloof. Waar het geloof is, daar is de bestrijding natuurlijk ook, maar die komt niet van het geloof. Die komt van de duistere machten: van de vorst der duisternis, de wereld en eigen vlees en bloed. Deze machten vechten het geloof aan, en wat is nu de ondervinding? Dat naarmate deze machten meer aanvechten, het des te duidelijker wordt dat het geloof een vastheid is, zoals de Schrift het zegt: “Het geloof nu is een vaste grond der dingen die men hoopt, en een bewijs der zaken die men niet ziet” (Hebr. 11:1). Wanneer men bestreden wordt, of nu de vorst der duisternis dit doet, of de wereld, de godsdienstige of de goddeloze wereld, of dat het komt van eigen vlees en bloed, het kan alleen maar het geloof baat aanbrengen. De bestrijding maakt het geloof sterk. Dit spreekt vanzelf, want tegenover de bestrijding handhaaft het geloof zich. Omdat het een levend ding is, gaat het ook strijden. Het handhaaft zichzelf, zelfs zonder dat men aan kan wijzen wat er staat in de Bijbel of in een boek. Het handhaaft zichzelf en het zal nooit onderliggen. Het kan tijdelijk uitermate zwak zijn, maar het ligt nooit onder. Men kan een hoeveelheid as zien en denken: er is helemaal geen vuur meer in, het is uit. En dan is het mogelijk dat er toch nog in die as een vonk is, en dat er straks een groot vuur komt, omdat er nog een vonk in was. En dit is de ervaring, toehoorders, van de gemeente van Jezus Christus op aarde.

Dus elk geloof dat geen zekerheid is, is geen geloof. Deze zekerheid ligt diep in het hart. De zekerheid ligt niet in het geloof zelf. Van zijn geloof heeft de mens de zekerheid niet. Dat onderscheidt u goed? U moet in staat zijn dat terdege te onderscheiden. Maar de zekerheid is van het Woord en van Hem Die in het Woord is. De zekerheid heeft een mens van God in Jezus Christus. Het geloof als zodanig brengt hem de zekerheid niet aan. Het is anders, want hoe ontstaat die zekerheid? De zekerheid komt tot hem; de mens brengt haar niet mee door het geloof. Zij komt tot hem door het Schriftwoord dat God de Heilige Geest in het hart verzegelt. En nu is het geloof een verzekering dat God waarachtig is (Joh. 3:33).

(Uit: Preek over Zondag 7 vraag 21 van de Heidelbergse Catechismus, 2 juni 1940 te Den Haag. Bundel 2003-’05, blz. 395-396.)