Zijn prediking » Belangrijke onderwerpen » Inwendige roeping


Inwendige roeping

De roeping door het Woord is uitwendig en inwendig

Het Woord gaat uit, en door middel hiervan wordt de mens voorgesteld en aangeboden de Heere Jezus Christus met al Zijn schatten en gaven. Dit is de uitwendige roeping. Hierdoor wordt de mensen gezegd dat zij zullen komen, komen tot Christus, komen tot God. “Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde; want Ik ben God en niemand meer” (Jes. 45:22). Maar, toehoorders, wanneer het hierbij bleef, dan zou niemand komen. De Heere Jezus heeft gezegd in de dagen van Zijn omwandeling op aarde: “Een iegelijk dan, die het van den Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot Mij” (Joh. 6:45).

Er moet – zal iemand komen, komen tot de aanbiddelijke Zoon Gods – nog iets anders plaatsgrijpen. En, toehoorders, dit heeft plaats, wanneer de roeping niet alleen uitwendig, maar ook inwendig is. Wanneer de roeping uitwendig is, dan staat Christus, de Zoon Gods, aan de deur van ’s mensen hart en Hij klopt: “Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop; indien iemand Mijn stem zal horen en de deur opendoen, Ik zal tot hem inkomen, en Ik zal met hem avondmaal houden, en hij met Mij” (Openb. 3:20). Maar wat gebeurt er? De mens laat Christus daar staan!

Hij die inwendig geroepen wordt, weet dit zeer goed. Want wat bracht hem onder meer tot diepe verlegenheid en beschaamdheid des aangezichts toen God hem inwendig geroepen had? De klacht van Christus: “Doe Mij open, Mijn zuster, Mijn vriendin, Mijn duive, Mijn volmaakte; want Mijn hoofd is vervuld met dauw, Mijn haarlokken met nachtdruppen” (Hoogl. 5:2). Dáár zag de ziel dat zij nooit anders gedaan had dan uitroepen: “Wijk van mij, want aan de kennis Uwer wegen heb ik geen lust” (Job 21:14). Een mens weigert Christus binnen te laten. Daarom staat er: “Die niet hebben gewild dat Ik over hen Koning zou zijn, brengt ze hier en slaat ze voor Mijn voeten dood” (Luk. 19:27).

In de weigering Christus binnen te laten, komt wel de verschrikkelijke diepte van de val zeer sterk openbaar! Want de mens toont hier dat hij van God en Goddelijke zaken in het geheel geen verstand meer heeft en dat zijn hart onder vele andere gruwelen ook opbrengt onverstand.

Maar, toehoorders, eeuwig geprezen zij de Naam van de drie-enige God. Christus doet Zichzelf open! Hij verschaft Zich toegang en komt in het hart van een vijand van God en Zijn Christus. Dit is de inwendige roeping. Dit is dat inwendige werk. Hier gaat het dus als met de komst van Christus tot Zijn jongeren, toen deze met elkander vergaderd waren. Als de deuren gesloten waren – dierbare stof om te overdenken – stond Christus, staat er, in het midden van hen (Joh. 20:19). Onverwachts zagen zij de Heere Jezus. Zó komt Christus ook tot het hart. Hij is er, en wanneer Hij er is, dan wordt Hij gezien, volgens de belofte: “Uw ogen zullen de Koning zien in Zijn schoonheid; zij zullen een vergelegen land zien” (Jes. 33:17). De mens heeft dan geen gestalte. Neen! Maar er is in hem opgegaan een groot licht en in dit licht aanschouwt hij God, God in Zijn Zoon. “En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den enige waarachtige God, en Jezus Christus, Dien Gij gezonden hebt” (Joh. 17:3).

(Uit: Preek over 1 Petrus 1:2a, 21 augustus 1930 te Delft. Bundel 1988-’90, blz. 207-208.)


Waarin de inwendige roeping bestaat

Wij willen thans iets zeggen over de inwendige roeping. De inwendige roeping, waarvan in het Woord zovele malen gesproken wordt en waarvan de kennis voor ons van zo grote betekenis is, bestaat in twee zaken: Ten eerste in verlichting van het verstand en ten tweede in overbuiging van het hart (*).

(*) Vergelijk kanttekening 13 bij Hooglied 1:4 en kanttekening 35 bij Handelingen 16:14 (Statenvertaling).

In verlichting van het verstand – waarvan ons wordt gesproken in 2 Korinthe 4:6: “Want God, Die gezegd heeft dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is Degene Die in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus”. De verlichting is niets anders dan het aanbrengen van kennis. Niet van een kennis waarbij de mens zichzelf niet leert kennen (van welke kennis de apostel Paulus zegt dat zij opgeblazen maakt), maar van die kennis, waarbij een mens los wordt, waaraan de rechtvaardigmaking vast is en waardoor hij deel verkrijgt aan het leven. Want er staat: “Door Zijn kennis zal Mijn Knecht, de Rechtvaardige, velen rechtvaardig maken” (Jes. 53:11).

Wanneer een mens deze verlichting deelachtig wordt, dan heeft hij kennis van twee zaken. Ten eerste: kennis van het Opperwezen. Dit deed Job spreken: “Met het gehoor des oors heb ik U gehoord, maar nu ziet U mijn oog. Daarom verfoei ik mij, en ik heb berouw in stof en as” (Job 42:5, 6). En dit deed de profeet Jesaja uitroepen: “Wee mij, want ik verga, dewijl ik een man van onreine lippen ben, en ik woon in het midden van een volk dat onrein van lippen is; want mijn ogen hebben den Koning, den HEERE der heirscharen gezien” (Jes. 6:5).

In de tweede plaats: kennis van zichzelf. De mens ziet dan zichzelf. Hij ziet zichzelf in het rechte licht. Hij ziet zichzelf zoals in het Woord staat aangetekend dat hij is. Er staat in de gelijkenis van de verloren zoon: “En tot zichzelf gekomen zijnde…” (Luk. 15:17). Deze mens was altijd in zichzelf gebleven. Nooit had hij de rechte blik in zichzelf geslagen. En dat kan ook niet, tenzij hem geschonken wordt de verlichting van Gods Geest, kennis van de Heere Jezus Christus, in Wie het Gode behaagd heeft de wereld met Zichzelf te verzoenen, hun zonden hun niet toerekenende, en het woord der verzoening in ons leggende.

De inwendige roeping bestaat in de tweede plaats in de overbuiging van het hart naar God. Wanneer, toehoorders, in ons de verlichting van het verstand gewerkt is door de Heilige Geest, dan wordt ons door dezelfde Geest de overbuiging des harten ook gegeven. Een mens is afkerig van God, ofschoon hij dit niet zien kan. Maar wanneer het hart door de Heilige Geest overgebogen wordt, dan zegt de mens met de Psalmdichter:

Mijn hart zegt mij, o HEER’, van Uwentwegen:
“Zoek door gebeên met ernst Mijn aangezicht”;
Dat wil, dat zal ik doen; ik zoek den zegen
Alleen bij U, o Bron van troost en licht (Ps. 27:5).

Het is hem gegeven te zien hoe God in de Zoon van Zijn eeuwige liefde hem genaderd is met de aanbieding van het leven en van al wat tot het leven behoort. Deze aanschouwing doet hem zichzelf omwenden, het oog afwenden van zichzelf, van de duisternis, van het zichtbare en van het tastbare, en doet hem zich keren tot de Heere, bij Wie de fontein des levens is en in Wiens licht hij het licht aanschouwt. Doordat de mens in zich deze bearbeiding van de Geest gewaar wordt, zo zegt hij met de dichter van de 119e Psalm:

U zoekt mijn hart; mijn oog blijft op U staren;
Laat mij van ’t spoor, in Uw geboôn vervat,
Niet dwalen, HEER’; laat mij niet hulp’loos varen” (vs. 5).

Toehoorders, dit werk is een werk van God alleen. De mens schiet hier geheel over. Hij is door zijn val en bondsbreuk in Adam in een toestand gekomen waardoor hij onbekwaam is tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. Hij vraagt naar God niet. Integendeel! Hij zegt tot het Opperwezen: “Wijk van mij, want aan de kennis Uwer wegen heb ik geen lust” (Job 21:14). Er is geen mens die zegt: “Waar is God, mijn Maker?” (Job 35:10). Ieder mens staat van nature boven de algenoegzame, aanbiddelijke en volzalige Jehova.

Het is een werk Gods naar buiten en daarom wordt het in het Woord toegeschreven aan de drie Personen in het Goddelijke Wezen. Het wordt toegeschreven aan God de Vader. “Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader Die Mij gezonden heeft, hem trekke” (Joh. 6:44). Het wordt toegeschreven aan God de Zoon. “Die Zichzelf gegeven heeft voor onze zonden, opdat Hij ons trekken zou uit deze tegenwoordige boze wereld, naar den wil van onzen God en Vader” (Gal. 1:4). En het wordt ook toegeschreven aan God de Heilige Geest, waarom deze Geest genaamd wordt “de Geest des geloofs” (2 Kor. 4:13).

(Uit: Preek over 1 Petrus 1:2a, 2 juli 1930 te Delft. Bundel 1988-’90, blz. 170-172.)


God roept de mens persoonlijk

De ondervinding leert dat ofschoon de aanbieding van het heil van Gods genade en Geest algemeen is, er toch maar weinig mensen zijn die deze aanbieding hebben omhelsd. Wat is hiervan de oorzaak? Onder andere dit, dat men niet kan zien, niet kan geloven, dat het hen persoonlijk aangaat. Och, denkt dikwijls een ziel, wist ik dat God mij op het oog had!

Toehoorders, wanneer nu iemand geroepen wordt, krachtdadig geroepen wordt, dan ziet hij dit. Hij verstaat en gelooft “dat niet alleen anderen, maar ook mij…”, enzovoort (Heidelbergse Catechismus, antwoord 21). Niet dat God hem bij name noemt. Er staat wel geschreven dat de Heere Zijn schapen bij name roept, maar dit is toch niet zó te verstaan, dat de Heere iemand in de gewone zin van het woord bij zijn naam zou noemen. En toch is het die mens als werd hij bij zijn naam genoemd. Hij verstaat met zijn hart dat God gekomen is om hem. Zacheüs hoorde zich in de gewone zin van het woord bij zijn naam noemen: “Zacheüs, haast u, en kom af; want Ik moet heden in uw huis blijven” (Luk. 19:5). Zacheüs, kom af! Hij had de zekerheid dat de Heere Jezus hem riep. De mens die krachtdadig geroepen wordt, heeft deze zekerheid óók, al is het dat zó zijn naam niet wordt genoemd. De vragen die in zijn hart zijn, zijn alle opgelost en niets verhindert hem meer om te komen en gebruik te maken van hetgeen hem voorgesteld en aangeboden wordt. Hij zegt: “Zie, hier zijn wij, wij komen tot U, want Gij zijt de HEERE onze God!” (Jer. 3:22). (…)

Waar het op aankomt, is dít, dat wij, zonder te trachten iets onszelf op te dringen, geloven dat God ook ons, ons persoonlijk, geroepen heeft. “Mij”, zegt de apostel Paulus, “mij”, zegt deze grote man, “is barmhartigheid geschied” (1 Tim. 1:16). Nu geliefden, dàt moet liggen in onze ziel: Mij is barmhartigheid geschied. Alleen in deze roeping, in de krachtdadige roeping, wordt ons dit bekendgemaakt. Waar de krachtdadige roeping niet is, daar wordt de zekerheid van God geroepen te zijn, ook niet gevonden.

(Uit: Preek over 1 Petrus 1:2a, 3 september 1930 te Delft. Bundel 1988-’90, blz. 230-231.)


Wat in de roeping plaatsvindt

De roeping, door middel waarvan de uitverkorene gebracht wordt tot de vereniging met de Heere Jezus Christus en in Hem met God, is een zeer lieflijke, zachte, aangename werking van de Heilige Geest in het hart. Doorgaans – en men zou bijna kunnen zeggen altijd – gaat daaraan vooraf storm en onweder, maar wanneer de roeping zelf plaatsheeft, dan is er een aangename stilte. Immers: “De woorden der wijzen moeten in stilheid aangehoord worden” (Pred. 9:17). Zolang het hart in beroering blijft, is het niet bekwaam te horen wat de Geest door middel van het Evangelie tot de gemeenten zegt.

Wat is dan deze aangename werking? De verlichting van het verstand. Heeft deze verlichting plaats, dan zijn ineens alle vragen die de ere Gods en de zaligheid van de ziel aangaan, opgelost. De Heere Jezus zei eens tot Zijn jongeren: “In dien dag zult gij Mij niets vragen” (Joh. 16:23). Welnu, wanneer “de dag, de roem der dagen, dien Isrels God geheiligd heeft” (Ps. 118:12 ber.) – wanneer de dag van Gods heirkracht is aangebroken, dan vraagt de mens niet meer. Hij verstaat de dingen. Hij begrijpt “de dingen die des Geestes Gods zijn” (1 Kor. 2:14), en hij heeft niet van node dat iemand hem lere (1 Joh. 2:27). Dit is toegezegd. “Uw zonen en uw dochters zullen profeteren”. In de profetieën van Joël vindt u deze belofte (hfdst. 2:28), en wij weten, dat de apostel Petrus in zijn Pinksterrede erop gewezen heeft. De apostel Johannes zegt in één van zijn brieven: “Gij hebt niet van node, dat iemand u lere”, want “gij hebt de zalving van den Heilige, en gij weet alle dingen” (1 Joh. 2:20, 27), dat is: gij zijt van God geleerd.

Met deze verlichting komt door de wonderlijke inwerking van de Heilige Geest, Die de Geest des geloofs genoemd wordt, een overbuiging van het hart naar God, zodat de mens, die van zijn Schepper is afgevallen, in zijn machteloosheid kracht ontvangt om naar zijn Schepper te vragen en te zeggen: “U zoekt mijn hart; mijn oog blijft op U staren” (Ps. 119:5 ber.).

Dit is dan dat getrokken-worden, waarvan wij hier en daar gesproken vinden. Jeremia 31:3: “Ja, Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid”. Johannes 6:44: “Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader Die Mij gezonden heeft, hem trekke”. Zodat de mens die getrokken is tot Jezus en zo tot God, min of meer in zijn leven weet te onderscheiden een tijd waarin hij gedreven werd door de Wet, en een tijd waarin hij getrokken werd, getrokken werd door het Evangelie.

Zolang de mens door de Wet voortgedreven wordt, kent hij God niet. Er hebben allerlei flikkeringen plaats van het licht, zodat bij hem enig vermoeden is van het licht, maar dàt wat de kern van het Woord is, blijft voor hem bedekt tot op het ogenblik van zijn krachtdadige roeping. Wanneer de mens onder de Wet is, wordt hij wel eens bemoedigd en opgewekt, maar getroost en voldaan is hij eerst dan, wanneer het aangezicht Gods in Jezus Christus over hem lichtende is. Dàn, toehoorders, legt hij het moede hoofd neer op de barmhartigheid Gods, geopenbaard in de Heere Jezus Christus. Dàn heeft hij vaste grond onder de voeten, namelijk het fundament van God gelegd, “hetwelk is Jezus Christus” (1 Kor. 3:11).

De roeping, de onwederstandelijke roeping tot Jezus en tot God is een genadewerk. Er is geen mens die het verdiend of het zich waardig gemaakt heeft. De apostel Paulus spreekt van de genadegiften en de roeping Gods en zegt dan dat die onberouwelijk zijn.

(Uit: Preek over 1 Petrus 1:2a, 11 september 1930 te Delft. Bundel 1988-’90, blz. 254-255.)


De roeping is vrijmachtig en onveranderlijk

Wij noemden u al enige kenmerken van de zaak waarover wij bezig zijn tot u te spreken, namelijk de Goddelijke roeping.

Deze roeping is een vrijmachtig werk. Er staat in Gods Getuigenis: “Waar het woord des konings is, daar is heerschappij; en wie zal tot hem zeggen: Wat doet gij?” (Pred. 8:4). En in het boek Job vinden we: “Wie heeft Hem gesteld over Zijn weg?” (Job 36:23), terwijl de Heere Zelf getuigt: “Mijn raad zal bestaan en Ik zal al Mijn welbehagen doen” (Jes. 46:10). De Heere wacht niet totdat de mens tot Hem komt. Wanneer dit zo was, dan zou de Heere eeuwig moeten wachten, want er staat in Gods Getuigenis dat er niemand is die naar God vraagt. Maar de Heere komt tot ons en zegt, zó dat ons hart het merkt en onze ziel het verstaat: “Zie, hier ben Ik, zie, hier ben Ik” (Jes. 65:1).

En hiermee is het dan geschied! De vrijmacht Gods treft ons gedurig, zowel in de Schrift als in het leven. De Heere komt voorbij een tolhuis. Daar zit iemand en het woord wordt gehoord: “Volg Mij” (Matth. 9:9). De man staat op zonder ook slechts een ogenblik te dralen en volgt Hem Die hem geroepen heeft. Hij geeft zijn tolhuis en zijn positie eraan. Hij volgt en doet wat de apostel Paulus na hem gedaan heeft. Alle dingen acht hij schade te zijn, “om de uitnemendheid der kennis van Jezus Christus” (Filipp. 3:8).

Wij zouden zeggen: het zijn de geschiktsten niet, die geroepen worden. De apostel Paulus schrijft dit ook: “Niet vele wijzen zijt gij naar het vlees, niet vele machtigen, niet vele edelen” (1 Kor. 1:26). Toehoorders, de Heere is in Zichzelf bewogen! Wij moeten, zo wij althans geen genade hebben, bewogen worden van buiten. Vind ik u aantrekkelijk, dan gevoel ik mij tot u aangetrokken. Zo is mijn liefde van nature eigenliefde, geen naastenliefde! Met de Heere is het zo niet! Hij is de Liefde en heeft daarom lief. Zo zegt de apostel Petrus dat de Heere oordeelt zonder aanneming des persoons.

De Goddelijke roeping is een onveranderlijk werk. De apostel Paulus (in Romeinen 11:29) zegt: “De genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwelijk”. Roept de Heere een mens, dan roept Hij hem tot de eeuwige zaligheid. Onveranderlijk: ten eerste omdat de Goddelijke roeping haar grond heeft in het eeuwig, onveranderlijk besluit. Verkiezing van eeuwigheid en roeping in de tijd zijn onlosmakelijk aan elkander verbonden. Daarom is de roeping een bekendmaking Gods van Zijn eeuwig voornemen. Zijt gij geroepen, dan zijt gij verkoren van eeuwigheid. En wenst u te weten of uw naam gevonden wordt “in het Boek des levens des Lams” (Openb. 13:8), onderzoek dan of u geroepen zijt. De apostel Petrus schrijft in 2 Petrus 1:10: “Benaarstigt u om uw roeping en verkiezing vast te maken”. Eerst onze roeping, dan onze verkiezing! Heeft iemand zijn roeping vastgemaakt, dan zal hij niet veel moeite hebben om zijn verkiezing vast te maken. Daarom is het zo van belang dat wij weten wat het is door God geroepen te zijn.

En, toehoorders, wat is de roeping? Te verstaan datgene waarvan de apostel Paulus spreekt in deze woorden: “Wanneer het Gode behaagd heeft… Zijn Zoon in mij te openbaren” (Gal. 1:15, 16). De Goddelijke roeping veroorzaakt dat wij ons verenigen met Christus en Hem ons toe-eigenen, Hem en Zijn schatten. De Goddelijke roeping veroorzaakt dat wij ons onderwerpen aan het Opperwezen, Hetwelk wij leren kennen als onze genadige Vader in Jezus Christus.

Verstaat u deze dingen, dan hebt u hierin het bewijs en het volstrekt onbedriegelijke bewijs dat God u riep en dat gij van eeuwigheid gekend zijt.

Vroeg iemand of – zo deze dingen plaatsgrijpen – men het ook weet dat zij hebben plaatsgegrepen, ons antwoord zou zijn: Zonder twijfel! Behaagt het God de Heere Jezus Christus in ons te openbaren, dan zegt het hart: “Juda, Gij zijt het” (Gen. 49:8). Het hart weet onmiddellijk met Wie het te doen heeft, Wie het is, Die genadig is, al zou in ’t volgende ogenblik dezelfde ziel onder zware aanvechting zijn. Toehoorders, vergeet toch nooit wat wij u al zovele jaren geleerd hebben: het waarachtige geloof brengt zijn eigen zekerheid mee.

(Uit: Preek over 1 Petrus 1:2a, 1 oktober 1930 te Delft. Bundel 1988-’90, blz. 291-292.)


In de roeping hoort men de stem van Christus

Om het leven deelachtig te zijn, moeten we met Christus verenigd wezen. En deze vereniging nu is van de zijde Gods, dat Christus de uitverkorene wordt ingelijfd. Maar zij is ook van ’s mensen zijde, want de mens, de uitverkorene, verenigt zich met de Zoon Gods.

Maar hoe en waardoor geschiedt het, dat de doden zullen horen? Door de stem van de Zoon Gods te horen, met andere woorden: in de krachtdadige roeping, want het is Christus Die de uitverkorene tot Zich roept.

Geliefden, verwerp al de gedachten van de roeping, tenzij ze hiermee overeenkomen. De Heere Jezus zegt: “Mijn schapen horen Mijn stem” (Joh. 10:27). Dit is het onderscheid tussen de algemene bewerking en de bijzondere bearbeiding des Geestes. Waar de algemene bewerking is, daar hoort de mens nooit de stem van Christus. En waar de bijzondere bearbeiding des Geestes is, daar hoort de mens wél de stem van Christus. Zij lezen beide de Heilige Schrift, zowel hij die een algemene als hij die een bijzondere bewerking des Geestes ondergaat. Zij zitten samen onder dezelfde prediking, ze weten dezelfde dingen; maar die zaligmakend wordt bearbeid, hoort de stem van Christus, en de andere hoort de stem van Christus niet. Dit is het alles beslissende onderscheid tussen het algemene niet-zaligmakende en het bijzondere wel-zaligmakende werk des Geestes.

(Uit: Preek over Johannes 5:25, 21 februari 1924 te Rotterdam. Bundel 1961-’63, blz. 180-181.)


Nodig is de kennis en openbaring van Christus

Wij moeten Christus leren kennen. “Wat?”, zouden honderden, ja duizenden uitroepen, “wat, Christus leren kennen? Wij hebben altijd geweten dat wij door Christus moeten zalig worden.” Maar, geliefden, die kennis is niet genoeg. Gij voelt het immers toch wel, dat het wat anders is dit te zeggen of tot Christus te komen. Zal men komen, zo moet men kennen en weten wie Jezus is, wat God in Christus voor een arm, verloren zondaar zijn wil en is. Zal men Christus nu zó kennen, dan moet de Heilige Geest ons Christus bekend gemaakt hebben; en door die kennis worden we levend gemaakt. Christus zegt: “De ure komt en is nu, dat de doden zullen horen de stem des Zoons Gods, en die ze gehoord hebben, zullen leven” (Joh. 5:25).

Een zaligmakende openbaring van Jezus Christus is een levendmakende openbaring. Want om tot Christus te komen, moet er leven zijn. Deze openbaring is verder een zielvernederende, een zielzaligende openbaring. Zal men tot Christus komen, zo moet ons worden getoond dat Hij ons wordt aangeboden. De moeilijke knoop moet voor ons worden losgemaakt, en de vraag “is het voor mij?” opgelost. Deze knoop is niet losgemaakt, deze vraag is niet beantwoord, voordat Christus en God in Christus ons is geopenbaard. Is ons dat geopenbaard, dan zien wij dat niet alleen anderen, maar ook ons vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is uit louter genade, alleen om der verdienste van Christus wil (Heidelbergse Catechismus, antwoord 21). (…)

De openbaring van Christus om ons zalig te maken, is het enige middel om ons gewillig te maken. Niet zodra is ons Christus geopenbaard, of de ziel zegt: “Zie, hier zijn wij, wij komen tot U, want Gij zijt de HEERE onze God” (Jer. 3:22). En met de dichter van Psalm 36: “Hoe dierbaar is Uwe goedertierenheid o God! Dies de mensenkinderen onder de schaduw Uwer vleugelen toevlucht nemen” (vs. 8).

(Uit: Preek over Johannes 6:35, 27 augustus 1922 te Delft. Bundel 1958-’60, blz. 530-531.)


Acht geven op het Evangelie en het komen tot Christus

Als de Heilige Geest een mens door het Evangelie bearbeidt, dan leert deze mens het Evangelie verstaan; hij geeft er acht op. Nu moet u eens zeggen wat u zag toen u er acht op gaf. Als iemand acht geeft op het Evangelie, dan ziet hij er God in. Dan is het dus niet enkel een woord, een letter, maar een zaak: God in Zijn heerlijkheid, “in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende, hun zonden hun niet toerekenende; en heeft het woord der verzoening in ons gelegd” (2 Kor. 5:19). Als u nu, toen u acht begon te geven op het Evangelie, er God niet in gezien hebt, dan zou ik u toewensen dat u aannam dat u nog altijd onder de Wet zijt, dat het gezicht dat u van het Evangelie had, bedrog, schijn geweest is, dat u het nimmer recht hebt leren verstaan. De mensen houden het Evangelie voor een tekst, voor een belofte. Ze zien er God niet in. Dat is dan de oorzaak dat verder alles mank gaat, en men nimmer tot rust komt, nooit enige blijdschap in God smaakt.

Men geeft acht op het Evangelie, men ziet er God in. En nu kan men van God niet meer afblijven. Zomin als u een steen in het vallen kunt tegenhouden, tenzij gij hem opvangt, zomin is iemand van God verwijderd te houden die God in het Evangelie gezien heeft. Daarom is het geloof een gemakkelijke zaak, echter eerst dan wanneer het geschonken wordt.

Als men nu komt tot Christus en door Christus in God, dan omhelst men ook de zegeningen die door de Heere Jezus verworven zijn en die wij volstrekt nodig hebben. Er zijn vele predikers die zeggen dat de dingen die begrepen zijn in de woorden “rechtvaardigmaking” en “heiligmaking” gemist kunnen worden. Dat is een dwaalleer. Ze kunnen niet gemist worden, want de apostel Paulus zegt: “Wij die geloofd hebben, gaan in de rust” (Hebr. 4:3). Nu zal iemand mij eens moeten aantonen of het mogelijk is om in de rust in te gaan, wanneer men niet weet dat hem de zonden zijn vergeven en in hem aanvankelijk het beeld Gods hersteld is. Wij althans willen van zulk een leer niets weten, en wij hopen niet alleen dat u met ons instemt, maar dat u dat ook doen zult wanneer u ons niet meer zult zien. Wanneer nu deze dingen plaatsgrijpen, dan wordt er losgelaten. Men laat alles los. Men heeft geen vader en geen moeder meer, geen vrouw, geen man, geen positie en geen bezit. Men heeft alleen maar de Heere, en men is van dit ogenblik af bestemd om dit grondiger te leren. Volkomen geleerd zal het eerst in de hemel zijn.

Men aanschouwt de Koning in Zijn schoonheid. Men ziet Hem als een Zaligmaker, als Profeet, Priester en Koning. Men verstaat nu de man die ter wille van de schat die hij ontdekt had in de akker, alles verkocht. De parel van grote waarde heeft men nu gevonden. Nu zoekt men wel weer, maar alleen God en niets buiten Hem. Men weet nu waar het is en hoe het is. Men heeft lief, en men vertrouwt op de Heere, hoe zwak dit vertrouwen dikwijls ook moge zijn. Men vertrouwt op de Heere, zowel in betrekking tot tijdelijke als tot geestelijke en eeuwige zaken. Wonderlijk, nietwaar, en al deze dingen in één ogenblik! Het wás er niet. Er was alleen veroordeling en verdoemenis. Alles was onder de voeten weggezonken. En toen ineens: “Er zij licht, en er werd licht” (Gen. 1:3). Het is een dag van licht, en in dit licht aanschouwt men de dingen die nodig zijn: de Heere en zichzelf, de naaste, de vorst der duisternis, het ware en het valse, zodat zulk een mens op den duur niet meer te bedriegen is.

Het is een dag van verwondering. Men gaat op en neer of men ligt, en roept uit: “Nooit gedacht, nooit gedacht”. Men bekent ook dat men daar nimmer om gevraagd heeft, want men ziet nu het onderscheid tussen dat wat zoeken genoemd wordt en het zoeken door het geloof. Hebt u nooit eens gedacht: “Er is gezegd: die zoekt, die vindt, maar ik verbeeld me dat ik al zo lang zoek, en ik heb toch nog niet gevonden. Ik heb wel opgemerkt dat er vele mensen heengaan die, naar het schijnt, jaren hebben gezocht en het niet zover hebben kunnen brengen dat ze het deelachtig werden.” Voor mij zijn al deze dingen niet onmiddellijk duidelijk geweest, hoewel ik ze alle in één ogenblik heb leren verstaan. Men moet onderscheid leren maken tussen zoeken en zoeken, tussen tranen en tranen, tussen geloven en geloven, tussen bidden en bidden, tussen bekering en bekering.

Men eert God: “Door U, door U alleen, om ’t eeuwig welbehagen” (Ps. 89:8 ber.). Men geeft zich. Men heeft een geopende Bijbel ontvangen en men heeft een geopend hart gekregen. Men verstaat in de grond de dingen, ofschoon er nog zeer veel wankelende schreden moeten worden gezet.

(Uit: Preek over Romeinen 8:1a, 21 november 1954 te Den Haag. Bundel 2003-’05, blz. 370-371.)


Wie gelooft, wordt getrokken

Die gelooft, wordt getrokken, niet gesleept. “Niet door kracht, noch door geweld, maar door Mijn Geest zal het geschieden” (Zach. 4:6) – getrokken! En wat is deze trekking? De verlichting van het verstand. En als deze verlichting plaatsgrijpt, dan zegt de persoon wie ze geschonken is: “Want God, Die gezegd heeft dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is Degene Die in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus” (2 Kor. 4:6).

En in de tweede plaats bestaat deze trekking uit de overbuiging van het hart. Als de trekking geschiedt, dan wendt zich de mens naar God toe, terwijl hij altijd van Hem afgekeerd gestaan had. Hij wendt zich naar het Opperwezen zoals bijvoorbeeld de bloem zich keert naar het licht. De bloem opent zich voor de zon, en de zon heeft de bloem geopend. De getrokkene opent het hart voor de Heere, en de Heere heeft het hart voor Zich geopend.

Er is tweeërlei roeping: een uitwendige en een inwendige, een wederstandelijke en een onwederstandelijke. Dat leert men hier verstaan. Inwendig geroepen zijnde, begrijpt men dat er ook een uitwendige roeping is.

(Uit: Preek over Johannes 19:35, 22 maart 1953 te Den Haag. Bundel 2000-’02, blz. 21.)


De trekking van de zondaar

We willen thans enige woorden spreken over de trekking van de zondaar door de Heere. De woorden die we in onze tekst aantreffen: “Opdat Hij ons trekken zou” (Gal. 1:4) geven er aanleiding toe. Daarom ben ik temeer bereid tot u te spreken over de trekking van de zondaar door de Heere, omdat ook hierover zoveel verkeerde opvattingen onder de mensen worden gevonden. Daarom verzoek ik u wel, wanneer ge zijt gezeten onder de Evangelieverkondiging, te trachten met al uw aandacht te letten meer op wat we zullen trachten tot u te zeggen, dan op de voorstelling die ge van deze zaak in uw gedachten mocht hebben gevormd. Als we zijn uitgesproken, dan kunt ge wat we getracht zullen hebben naar voren te brengen, vergelijken met Gods onbedrieglijke Getuigenis. Indien dan alles, wat we over “de trekking van de zondaar door de Heere” hebben gezegd, niet zou overeenstemmen met Gods getuigenis, dan geef ik u de vrijheid het te verwerpen. Maar wanneer het met Gods getuigenis overeenstemt, dan zeg ik: Wee hem, aan wie het wordt toegelaten deze prediking te verwerpen of te blijven verwerpen.

Geliefden, de trekking, waarvan onze tekst spreekt, geeft twee zaken te kennen (*): ten eerste de verlichting van de zondaar, en ten tweede de gewilligmaking en bekwaammaking van de zondaar.

(*) Vergelijk kanttekening 13 bij Hooglied 1:4 (Statenvertaling).

In de eerste plaats de verlichting. Wanneer God de uitverkoren zondaar genoegzaam door de Wet heeft bearbeid (de Wet is ons een tuchtmeester tot Christus), zonde en schuld, vloek en toorn, ellende en machteloosheid ontdekt en voorgesteld heeft, dan maakt Hij hem bekend met Zijn raad en wil aangaande de verlossing van de mens. Dat is: Hij openbaart Zichzelf aan ons. Deze verlichting is de grondslag van alle godzaligheid, geliefden. De apostel spreekt ervan in 2 Korinthe 4:6: “Want God, Die gezegd heeft dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is Degene Die in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus”. Zó voornaam is deze verlichting, dat er in het Woord over wordt gesproken als ware zij alles. “Door Zijn kennis zal Mijn knecht, de Rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, want Hij zal hunne ongerechtigheden dragen” (Jes. 53:11). En: “Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, Dien Gij gezonden hebt” (Joh. 17:3).

In de tweede plaats: Op deze verlichting volgt, en wel onmiddellijk, de gewilligmaking en bekwaammaking. Hierbij gaat het zo toe: Op de verschijning van de Heere Jezus aan en in onze ziel ontstaat er liefde in het hart van de mens, die van zichzelf vijand van God is. Liefde, van welke liefde in het Hooglied van Salomo wordt gezegd: “Want de liefde is sterk als de dood, de ijver is hard als het graf; haar kolen zijn vurige kolen, vlammen des HEEREN. Vele wateren zouden deze liefde niet kunnen uitblussen, ja, de rivieren zouden ze niet verdrinken: al gaf iemand al het goed van zijn huis voor deze liefde, men zou hem ten enenmale verachten” (Hoogl. 8:6, 7). Tegelijkertijd bevindt zich in het hart een ware hoogachting voor de Heere en voor alles wat des Heeren is. De ziel trilt hier bij een woord als dit, waarvan de zaak ook in het hart wordt gevoeld: “Want zodanig een Hogepriester betaamde ons, heilig, onnozel, onbesmet, afgescheiden van de zondaren, en hoger dan de hemelen geworden” (Hebr. 7:26). Zo komt het, dat er geschreven staat: “U dan, die gelooft, is Hij dierbaar” (1 Petr. 2:7).

Tegelijkertijd komt er in de ziel een vurige begeerte, welke zaak in het Woord wordt aangeduid als “hongeren en dorsten naar de gerechtigheid” (Matth. 5:6). Dit begeren is een begeren uit de diepte, als het ware uit de hel. Het is een begeren van God, een begeren niet naar iets van de Heere, maar een begeren van Godzelf. Talloos vele plaatsen uit de Heilige Schrift zouden hier naar voren kunnen worden gebracht, onder andere: “Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel tot U, o God” (Ps. 42:2). “O God, Gij zijt mijn God, ik zoek U in de dageraad; mijn ziel dorst naar U, mijn vlees verlangt naar U, in een land, dor en mat, zonder water” (Ps. 63:2). Een land dor en mat, dat is een land dat gespleten is vanwege de droogte.

U zoekt mijn hart; mijn oog blijft op U staren;
Laat mij van ’t spoor in Uw geboôn vervat,
Niet dwalen, HEER’; laat mij niet hulp’loos varen (Ps. 119:5).

En wel duizend andere plaatsen, die van deze zaak gewagen, zouden uit het Woord kunnen worden aangehaald.

En toch is het dit niet alleen, geliefden, want, gelijk reeds gezegd, de ziel is nu gewillig gemaakt om aan God gehoorzaamheid te betonen, dat is Zijn Wet te betrachten, waarvan het voornaamste gebod is: “Geloof in den Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden” (Hand. 16:31 en 1 Joh. 3:23). Zij heeft ook bekwaammakende genade ontvangen, tengevolge waarvan zij een stap doet uit al wat geen God is en overgaat in de Heere. “Men zal van Mij zeggen: Gewisselijk, in den HEERE zijn gerechtigheden en sterkte; tot Hem zal men komen” (Jes. 45: 24). En nu staat er in Johannes 6:37: “…en die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen”, hetgeen ik zó versta: De Heere is gekomen, en omdat de Heere is gekomen, begeert de ziel te komen tot de Heere, want onze arbeid komt uit God. Denk aan Filippenzen 2:12, 13: “Werkt uws zelfs zaligheid met vreze en beven; want het is God, Die in u werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen”. Staat er nu: “…en die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen”, dan is dit zó gesproken, omdat de Heere Zijn eigen almacht en kracht ziet in een komende ziel. Nu, geliefden, is het dan wonder dat de Heere heeft gezegd: “…en die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen”? En ziet, niet zodra heeft nu dit komen van de ziel tot de Heere, als een gevolg van het komen van de Heere tot de ziel, plaatsgehad, of het wordt aan de ziel waar gemaakt, dat alle beloften Gods, zovele als er zijn, in Christus ja en amen zijn (2 Kor. 1:20). Want God komt nu in Christus de schuld weg te nemen, de zonde te vergeven, een recht te verlenen op het eeuwige leven en dezulken te wederbaren of te vernieuwen naar Zijn Goddelijk beeld.

Ziet, geliefden, dit is het wat ik van het trekken had te zeggen. Dit werk wordt nu in de tekst genoemd “trekken”. Op een andere plaats heet het “lokken”. “Zie, Ik zal haar lokken en zal haar voeren in de woestijn, en Ik zal naar haar hart spreken” (Hos. 2:13). Op een andere plaats wordt gesproken van een “geroepen worden”. “En die Hij tevoren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt” (Rom. 8:30).

Geliefden, het trekken wordt in de tekst toegeschreven aan de tweede Persoon van het Goddelijk, drie-enig Wezen. “Opdat Hij ons trekken zou”; maar de drie Goddelijke Personen zijn één in Wezen. Daarom wordt het in Gods Woord ook toegeschreven aan de Vader en ook wel aan de Heilige Geest. Joh. 6:44: “Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader Die Mij gezonden heeft, hem trekke”. Johannes 6:63: “De Geest is het, Die levend maakt.” Het geschiedt door middel van de Wet en het Evangelie, met dien verstande, dat de Wet dodend is voor de mens en de opwekking geschiedt door het Evangelie.

Het wordt een trekken genoemd, omdat er van de ene zijde, namelijk aan ’s mensen zijde traagheid, onwilligheid en machteloosheid is en aan de andere zijde, namelijk aan Gods zijde, kracht. En deze kracht is geen mindere kracht dan die waardoor God de Heere de hemel en de aarde heeft geschapen, en Zijn Zoon, de Heere Jezus Christus, uit de doden is opgewekt.

(Uit: Preek over Galaten 1:4b, 3 juni 1924 te Rotterdam. Bundel 1961-’63, blz. 227-230.)


Hoe leren wij God kennen?

Hoe leren wij God kennen? Wij leren Hem kennen als Hij tot ons gekomen is en gezegd heeft: “Zie, hier ben Ik” (Jes. 65:1). Dat is het grootste wonder dat ons ooit kan gebeuren. Dan verklaart Hij Zichzelf. Al het andere is misgetast en waan. En het is merkwaardig, maar als het een kind gebeurt van tien, twaalf jaar, dan zou dit kind het veel beter weten dan de meeste dominees of professoren in de Godgeleerdheid, want die weten het doorgaans niet. Dat kind zou kunnen spreken dingen der eeuwigheid. En dat is ook noodzakelijk. Maar als God Zich niet in Christus Jezus openbaart, dan weet de mens evenveel van God als iemand die nog nooit van God gehoord had. Daarom komt er voor ieder begenadigd mens een ogenblik waarin hij zegt: Ik zou het nooit geweten hebben, als God niet gezegd had: “Zie, hier ben Ik”.

(Uit: Preek over Psalm 34:9, 18 december 1940 te Den Haag. Bundel 1985-’87, blz. 291-292.)


Christus moet geopenbaard worden

De gehele orthodoxe christenheid houdt het ervoor dat ze Christus kent, dat ze weet waarover en over Wie het gaat, wanneer over Christus gesproken wordt. Er wordt gemeend dat men Hem kan leren kennen door lezen in de Bijbel, door het horen van predikaties, door overdenking. En dit is ten enenmale misgetast. Christus moet geopenbaard worden. Wanneer Petrus zegt: “Gij zijt de Christus”, is dan niet het antwoord van de Heere Jezus: “Zalig zijt gij, Simon Bar-Jona, want vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is” (Matth. 16:17)? En nu is u het woord van de apostel Paulus bekend: “Maar wanneer het Gode behaagd heeft, Die mij van mijner moeders lijf aan afgezonderd heeft en geroepen door Zijn genade, Zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik Denzelven door het Evangelie onder de heidenen zou verkondigen, zo ben ik terstond niet te rade gegaan met vlees en bloed” (Gal. 1:15, 16). Is dit niet duidelijk? Hoe komt het dan dat een schare van mensen op en onder de preekstoel het anders meent te zien en het anders zegt? (…)

En dan zijn er zoveel kentekenen, merken op te geven van de openbaring van de Heere Jezus Christus, dat, als een mens zich niet wil bedriegen, hij dit ook niet doet. Het voornaamste kenmerk is de vernieuwing van de mens, de wedergeboorte, die altijd plaatsheeft met het ontvangen van de Heilige Geest, of de inschrijving van de Waarheid in de tafelen van het hart. Dit en nog vele andere dingen zijn de merktekenen van de openbaring van Jezus Christus in het hart.

(Uit: Preek over Openbaring 1:5b, 29 juli 1951 te Den Haag. Bundel 1997-’99, blz. 18-19.)


Levendmaking

De openbaring van de Heere, de HEERE onze gerechtigheid (Jer. 23:6), is een levendmakende openbaring. Het wordt de mensen overal gepredikt dat zij leven hebben, maar ik wilde u wel vragen hoe u levend werd gemaakt. Hierop moet u antwoord kunnen geven. “Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: De ure komt en is nu, wanneer de doden zullen horen de stem des Zoons Gods, en die ze gehoord hebben, zullen leven” (Joh. 5:25).

Het leven is niet in ons; het leven is buiten ons. Wanneer een mens de stem van Christus hoort, dan komt hij op deze stem van Christus. “Dat is de stem mijns Liefsten, zie Hem, Hij komt, springende op de bergen, huppelende op de heuvelen” (Hoogl. 2:8). En dan verenigt de mens zich met Hem Die gezegd heeft: “Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven. Niemand komt tot den Vader dan door Mij” (Joh. 14:6).

Geliefden, hebt u de levendmaking leren kennen? Wie op de stem van Christus tot Hem kwam, heeft in Hem het leven. Weet u wat het leven is? Het leven is ten eerste: het leven van rechtvaardigmaking, en ten tweede het leven van heiligmaking; en deze twee weldaden zijn in Christus, en met deze weldaden is de Zoon van God gezeten aan de rechterhand der Majesteit in de hoogste hemelen (Hebr. 1:3). Wanneer u zich laat trekken tot en aan deze rechterhand, dan hebt u de beide genoemde delen van het leven.

(Uit: Preek over Romeinen 10:3, 10 januari 1928 te Rotterdam. Bundel 1967-’69, blz. 172-173.)