Zijn prediking » Belangrijke onderwerpen » Evangelieprediking; aanbod van genade


Evangelieprediking; aanbod van genade

De prediking van het Evangelie

Vóór Zijn hemelvaart heeft Christus de prediking van het Evangelie ingesteld. Gij kent de woorden: “Predikt het Evangelie aan alle creaturen” (Mark. 16:15). Dat was hun opdracht. Hij heeft er niet bij gezegd: vraag eerst verlof aan de geweldhebbers dezer wereld. Doe het! Predik, predik het Evangelie aan alle creaturen.

Wanneer nu deze prediking is een prediking van het Evangelie, een voorstelling, een aanbieding van Hemzelf, dan is het al zoveel alsof Hij Zelf predikte. Zo staat er dan ook: “Wie u hoort, die hoort Mij” (Luk. 10:16). Wie Mij hoort, Die hoort Degene Die Mij gezonden heeft.

Deze prediking geldt de mens. U kunt dus zeggen: de zondaar. Het is ons moeilijk om dit toe te stemmen. Het zou voor ons veel begrijpelijker zijn wanneer er gezegd was en er gezegd werd dat de prediking de mens geldt, bijvoorbeeld die zijn best doet, die al enigermate op de weg is. Het is moeilijk te verstaan dat de prediking, de voorstelling en de aanbieding van de Heere Jezus Christus, een zondaar geldt. Het is niet zo moeilijk te verstaan wanneer men nog niet weet van zonde, nog geen zonde heeft. Maar als men nu wél zonde heeft, dan is het moeilijk – ja, men kan zeggen: dan is het onmogelijk – om te geloven dat Jezus Christus, Zijn offerande, Zijn liefde, Zijn genade, Zijn barmhartigheid, betrekking hebben op ons. En het zou een eeuwige onmogelijkheid blijven, wanneer de Heilige Geest niet met het Woord Zich paarde en in ons hart door het Woord het Evangelie uitlegde. Ik zeg, als dit niet gebeurde, dan zou nooit iemand het hebben bestaan te geloven dat Jezus Christus, Gods Zoon, in de wereld gekomen is om de zondaren zalig te maken, van welke hij, naar zijn inzicht, de voornaamste is.

De prediking geldt de zondaar. Misschien hebt u er op het ogenblik nog niet veel aan. Wellicht hebt u het toch reeds geleerd. Maar als u eens een zondaar werd, dan zou u – dit zeg ik u van tevoren – radeloosheid leren kennen, diepe verlegenheid! Maar dan wensen we u van harte toe dat God u in de herinnering brengt het zo-even aangehaalde woord: “Jezus Christus is der zondaren Zaligmaker”. Want als dat niet gebeurde, dan zou het zeker slecht met u aflopen: óf ge zoudt u overgeven aan de wanhoop en misschien wel de hand aan eigen leven slaan, óf u zou u werpen, zoveel als u maar toegelaten werd, in de zonde en de wereld.

De aanbieding geldt iedere zondaar. En wanneer de ogen van een mens, van een zondaar dus, geopend worden voor deze waarheid, dan vindt hij de Heere Jezus Christus liggen aan zijn voeten. Wij bidden u van Christuswege, alsof God door ons bade: laat u met God verzoenen (2 Kor. 5:20). Hij vindt een biddende Christus! Wat een verandering van gedachten moet er dan toch niet in zulk een ziel plaatshebben! Maar de verandering is dan ook zo groot! Ze doet hem zeggen: “Eén ding weet ik, dat ik blind was, en nu zie” (Joh. 9:25).

Nu moet u niet denken dat de aanbieding van de Heere Jezus door de prediking van het Evangelie niet gemeend zou zijn. We hebben geen enkele reden om de echtheid van de aanbieding in twijfel te trekken. Waarom zouden we daar reden voor hebben? Geen enkele reden is ervoor aan te geven. God is waarachtig; Hij houdt van de Waarheid. Hij heeft het recht lief (Jes. 61:8). Zou Hij een mens bedriegen? Zou Hij eropuit zijn om een mens te misleiden? Zijn woorden als: “Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo Ik lust heb in den dood des goddelozen! Maar daarin heb ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve” (Ezech. 33:11) en: “Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol” (Jes. 1:18) – ik vraag, zijn zulke woorden, woorden die met een korreltje zout moeten genomen worden? Het zijn de woorden van de Waarachtige. En laat de gedachte der ijdelheid niet in u overnachten dat het Opperwezen maar een beetje met u speelt. Neen, Hij biedt u – wie u dan ook moge wezen en wat u ook mocht hebben gedaan – Hij biedt u in Zijn Zoon Zichzelf aan, en Hij vraagt er niets voor. Hij vraagt er niets voor, maar Hij schenkt het om niet. “Uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave” (Ef. 2:8). “Koopt zonder geld en zonder prijs, wijn en melk”, zo is u voorgelezen uit Jesaja 55 (vs. 1). Alleen maar: neemt aan, neemt aan in waarheid, ontsluit uw hart! Dát wordt gevraagd, want waar dit niet is, daar vervalt alles.

De aanbieding is een aanbieding van Christus in zijn geheel, van Hem en van al wat Hij verworven heeft – en dit is tenslotte alles! Gerechtigheid, vrede en blijdschap, zaken waarin het Koninkrijk Gods volgens de Schrift bestaat. Gerechtigheid, vrede en blijdschap, uitredding en uitkomst in alle omstandigheden des levens, vervulling van gebrek, van lichamelijk en van geestelijk gebrek, van gebrek voor de tijd en gebrek voor de eeuwigheid. “Christus”, zegt de apostel Paulus, “is alles en in allen” (Kol. 3:11).

(Uit: Preek over Openbaring 1:5b, 21 oktober 1951 te Den Haag. Bundel 1997-’99, blz. 226-227.)


De prediking is het woord der verzoening

“En heeft het woord der verzoening in ons gelegd” (2 Kor. 5:19). Het woord der verzoening is de prediking. De inhoud van de prediking is Christus. De inhoud van de prediking van Christus is de verzoening. Door middel van de prediking maakt God ons bekend, dát en hóe Hij is verzoend. De prediking doet echter nog meer. Door middel van de prediking wordt ons de verzoening aangeboden, wordt ze aan onze voeten gelegd. Ze wordt ons in de hand gegeven, ze wordt ons nabij gebracht. Zoals we vinden in Romeinen 10:8, 9: “Nabij u is het Woord, in uw mond en in uw hart. Dit is het Woord des geloofs, hetwelk wij prediken: Namelijk, indien gij met uw mond zult belijden den Heere Jezus, en met uw hart geloven dat God Hem uit de doden opgewekt heeft, zo zult gij zalig worden.”

(Uit: Preek over 2 Korinthe 5:19, 8 maart 1928 te Rotterdam. Bundel 1967-’69, blz. 240.)


De zending van Christus; het Evangelie

“En zijn Heerlijke zal uit hem zijn, en zijn Heerser uit het midden van hem voortkomen; en Ik zal Hem doen naderen, en Hij zal tot Mij genaken; want wie is Hij, Die met zijn hart borg worde om tot Mij te genaken? spreekt de HEERE” (Jer. 30:21).

“En Ik zal Hem doen naderen”. Deze “Ik” is de eerste Persoon in het Goddelijke Wezen. (…) De dingen van de verlossing zijn alle van God uitgegaan! De Zoon Gods, de Heere Jezus Christus, heeft Zich niet opgeworpen en is niet bij toeval Zaligmaker. Hij is Gods Knecht! “Zie, Mijn Knecht, Dien Ik ondersteun, Mijn Uitverkorene, in Denwelken Mijn ziel een welbehagen heeft” (Jes. 42:1). “Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb” (Matth. 3:17).

De Vader heeft de Zoon afgezonderd in de stille eeuwigheid. Daar was een onderhandeling tussen de Vader en de Zoon. De derde Persoon, de Heilige Geest is er ook bij geweest. Deze was de stille Toehoorder.

De Heere Jezus Christus is het Lam, “Dat geslacht is van de grondlegging der wereld” (Openb. 13:8). Het was van eeuwigheid Gods voornemen om alleen in Jezus Christus de mens zalig te maken. Daarom was ook de val in Gods raadsplan opgenomen. Als de val niet in Gods raadsplan opgenomen was, dan zou God niet gekend worden zoals Hij nu gekend wordt. Dit geeft te kennen wat er staat in 2 Korinthe 4:6: “Want God, Die gezegd heeft dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is Degene Die in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus”.

De Vader heeft de Zoon beloofd. Adam en Eva wisten niets van Christus. Zij konden van Hem ook niets weten, maar de Vader openbaarde Hem en zei: “Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar Zaad. Datzelve zal u de kop vermorzelen, en gij zult Het de verzenen vermorzelen” (Gen. 3:15). Als dit woord niet gesproken was, dan zou er in eeuwigheid geen hoop zijn, noch voor mij, noch voor u, want “Ik heb hulp besteld”, zegt God, “bij een Held” (Ps. 89:20).

God heeft Christus gezonden in de volheid des tijds. “Maar”, zegt de apostel Paulus, “wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de Wet, opdat Hij degenen die onder de Wet waren, verlossen zou, en opdat wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden” (Gal. 4:4, 5). Er zou geen genade, geen druppel genade zijn, als er geen Heere Jezus Christus was, als het bloed er niet was, waaraan de uitdelging van al onze zonden wordt toegeschreven door de apostel Johannes.

En eindelijk: God heeft Christus bekwaam gemaakt, Hem in de maagd Maria de menselijke natuur bereid en Hem voorzien van drie heerlijke ambten. Dat alles heeft God gedaan. Dat alles is van de Vader uitgegaan en is de inhoud van het woord, zo-even aangehaald: “Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb” (Matth. 3:17).

“Ik zal Hem doen naderen”. Doen naderen als Priester en als Koning. Geliefden, wij moeten hier denken aan het naderen van de hogepriester onder het Oude Testament. Deze kwam op de Grote Verzoendag in het Heilige der heiligen, waar God woonde. Hij was hier het type van de Heere Jezus Christus en daarom staat hier: “Ik zal Hem doen naderen, en Hij zal tot Mij genaken”. “Tot Mij”, dat is tot de Vader. Waarmee? Hebt u het ooit gezien? Met het bloed dat gestort is, en met Zijn voorbede, die op dat bloed gegrond is! Zó is Christus tot God gegaan. Als het ontdekt wordt, dan ziet men het heilgeheim van wat vertolkt is in dit woord: “Want God was in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende, hun zonden hun niet toerekenende, en heeft het woord der verzoening in ons gelegd” (2 Kor. 5:19). Het is de vervulling van de belofte: “Uw ogen zullen de Koning zien in Zijn schoonheid; zij zullen een vergelegen land zien” (Jes. 33:17). Nog eens: Als het ontdekt wordt, dan zegt men: “De Koning heeft mij gebracht in Zijn binnenkameren” (Hoogl. 1:4).

“En Hij zal tot Mij genaken, want wie is Hij, Die met Zijn hart borg worde om tot Mij te genaken? spreekt de HEERE”. Wie is Hij? Het is niemand anders dan de Heere Jezus Christus, de Messias, de Zaligmaker! Hij is de Borg, dat is: Hij heeft betaald, volkomen betaald aan de eiser, aan de Wet. Aan de Wet heeft Hij voldaan. Hij heeft de straf gedragen, die op de overtreding van de Wet gesteld was. Hij is gehoorzaam geweest aan de wil van Zijn Vader, van stap tot stap, van ogenblik tot ogenblik, zodat de gerechtigheid aangebracht is, de schuld is weggenomen. God is verzoend! De hel is gesloten, de hemel is geopend! “Wie is Hij, Die met Zijn hart borg worde om tot Mij te genaken? spreekt de HEERE”. Alles heeft Hij gewillig gedragen, niet gedwongen! “Ik heb lust, o Mijn God, om Uw welbehagen te doen; en Uw Wet is in het midden Mijns ingewands” (Ps. 40:9). Deze “Hij” is de Heere Jezus Christus, Die van eeuwigheid God is. “In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God” (Joh. 1:1). Maar in de tijd heeft Hij Zijn ziel tot een schuldoffer gesteld, zodat Zijn offer Gode welbehagelijk is geweest, want God heeft alleen lust aan een vrijwillig offer. Er staat geschreven dat God de blijmoedige, dat is de vrijwillige gever liefheeft.

Geliefden, welk een dierbaar woord en gezegend Evangelie! Hier spreekt alles van liefde. De Vader zegt: “Ik zal Hem doen naderen”, en van de Zoon staat aangetekend: “en Hij zal tot Mij genaken”, dat is tot de Vader. De liefde van de Vader staat vast en de liefde van de Zoon staat niet minder vast. Het geroepen zijn van de Zoon door de Vader is een waarheid, en de gewilligheid van de Zoon jegens de Vader is niet minder een eeuwig gezegende waarheid! De waarheid die wij van deze woorden hebben, wordt bevestigd in 1 Timotheüs 2:5. Daar staat: “Want er is één God, er is ook één Middelaar Gods en der mensen, de Mens Christus Jezus”. Daarom, geen andere middelaar! Met het oog op deze zaak moeten wij zeggen: Weg met de paus, weg met de engelen, weg met de heiligen, weg met onszelf! Wij niet! Ons geloof niet! “En de zaligheid”, zegt de apostel Petrus, “is in geen ander; want er is ook onder de hemel geen andere naam, die onder de mensen gegeven is, door welke wij moeten zalig worden” (Hand. 4:12).

Toehoorders. Geloof het Evangelie! Neem deze boodschap aan! Geloof dat u gezondigd hebt. Geloof dat uw hart hopeloos verdorven is omdat u gezondigd hebt! Geloof dat gij rechtvaardig verdoemd zijt. Geloof dat gij machteloos zijt, onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. Geloof dat de Heere Jezus Christus Gods Zoon is, dat Hij door Zijn lijden en sterven een eeuwige gerechtigheid aangebracht heeft en de Heilige Geest verworven heeft. Geloof de woorden van de profeet Jesaja: “Men zal van Mij zeggen: Gewisselijk, in den HEERE zijn gerechtigheden en sterkte; tot Hem zal men komen” (Jes. 45:24). Geloof dat de Heere Jezus Christus op aarde is geweest, gehoorzaamheid heeft betoond, en geleden heeft niet voor Zichzelf, maar voor de arme mens, voor de schuldige mens, voor wie anders geen uitkomst is! Geloof deze dingen. Houd u aan Christus! Verberg u onder Zijn vleugelen en houd voor waarachtig dat God eeuwig de genadige Vader zijn zal van ieder die door een oprecht geloof het er voor houden mag dat de Zoon Gods, de Heere Jezus Christus, met al Zijn schatten en gaven, overeenkomstig de belofte van het Evangelie, hem uit genade door God geschonken is.

Geloof dit. Leef en sterf in dit geloof! De Heere Jezus Christus wordt u voorgesteld. Op geen andere wijze wordt Hij u gepredikt, wordt Hij u aangeboden. Wie is er onder ons, die een schuldeiser heeft, die benauwd is en wiens ziel bitter bedroefd is? Hij kome! Hij gelove in Gods waarachtigheid, want God Zelf zegt tot dezulken: “Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo Ik lust heb in de dood des goddelozen! Maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve” (Ezech. 33:11).

(Uit: Preek over Jeremia 30:21, 25 februari 1936 te Den Haag. Bundel 1979-’81, blz. 107-110.)


De verlossing wordt door de prediking aangeboden

Waarin bestaat de verlossing? In rechtvaardigmaking en heiligmaking! De rechtvaardigmaking is de vergeving der zonden door toerekening van Christus’ gerechtigheid, of de omhelzing van Christus door het geloof. En de heiligmaking is de afzonderende werkzaamheid van de Heilige Geest in ons hart, waardoor wij aanvankelijk hersteld worden naar het Goddelijk beeld. Dit zijn de voornaamste weldaden van het Verbond der genade, en aan deze weldaden zijn alle andere weldaden verbonden. Wie aan de rechtvaardigmaking en aan de heiligmaking geen deel heeft, die heeft ook geen deel aan de andere weldaden van het Verbond der genade.

Dít is de verlossing, en deze verlossing is in Christus, zodat Christus onze Verlosser is. “En gij zult Zijn Naam heten JEZUS; want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden” (Matth. 1:21). Is er dan door deze verlossing voor alle mensen verlossing? Zij wordt door de prediking van het Evangelie aangeboden aan alle mensen die door de voorzienigheid Gods daarmee in aanraking komen. Dit is de blijde boodschap, die in deze ogenblikken ook tot u gekomen is. En nu geldt ook hier het woord van de apostel Petrus, op de Pinksterdag te Jeruzalem gesproken: “Want u komt de belofte toe en uw kinderen, en allen die daar verre zijn, zovelen als er de Heere onze God toe roepen zal” (Hand. 2:39). Ik mag u allen toeroepen: Want u komt de belofte toe en uw kinderen, en allen die daar verre zijn, zovelen als er de Heere onze God toe roepen zal.

De aanbieding die God doet, is de aanbieding van Christus. En met Christus biedt Hij aan al wat Christus door Zijn lijden, door het storten van Zijn dierbaar bloed verworven heeft. Hij biedt Zichzelf aan, en deze aanbieding geldt allen die door de voorzienigheid des Hemels met het Evangelie in aanraking gekomen zijn. Wie deze aanbieding omhelst, wie de belofte die God in Christus de zondaar doet, omhelst, omhelst door een waarachtig geloof, hij is een erfgenaam van het eeuwige leven en zal “de goedertierenheden des HEEREN eeuwiglijk zingen” (Ps. 89:2). Zijn ziel en lichaam zijn gered!

Als iemand deze aanbieding niet aanneemt, zijn bloed is op zijn hoofd. “Hij hoorde het geluid der bazuin, maar liet zich niet waarschuwen, zijn bloed is op hem”, zo vinden we in Ezechiël 33:5. De genade Gods is hem bekendgemaakt, maar hij heeft ze niet nodig gehad. Hij was niet schuldig! Hij was niet des doods schuldig, zodat hij zich niet heeft kunnen verheugen in het Evangelie des heils. Hij heeft zijn leven geëindigd met te zeggen: “Wijk van mij, want aan de kennis Uwer wegen heb ik geen lust” (Job 21:14).

(Uit: Preek over 1 Petrus 1:19, 24 oktober 1933 te Delft. Bundel 1997-’99, blz. 52.)


Wanhopen aan onszelf en vluchten tot Christus

Nu zult ge vragen: Wat moet ik dan doen? Wanhopen aan uzelf en bekennen dat het met u uit en gedaan is, en onmiddellijk vluchten tot het u voorgestelde offer van Christus. U zult nooit het leven vinden als u deze weg niet inslaat. U moet niet wachten. Soms denkt een mens dat hij nog moet wachten omdat zijn zonden, naar hij meent, niet genoeg zijn ontdekt. Al had een mens maar één zondige gedachte, dan zou Christus reeds noodzakelijk zijn. Als die éne zondige gedachte niet werd vergeven, zou dit de oorzaak van zijn eeuwige verdoemenis zijn. Hoeveel temeer daar een mens enkel zonde is en niets doet dan zondigen. Dus, toehoorders, als u zonde in u bemerkt, dan is het tijd om tot Christus te vluchten. Komt u te sterven en u hebt zich niet door een waar geloof met Christus verenigd, dan zou u voor eeuwig in de macht van de dood zijn. (…)

Wanneer iemand zonden in zich ziet, dan moet hij met al zijn zonden tot Christus gaan. Denkt u dat dit zo gemakkelijk is? ’t Is gemakkelijk als het wordt geschonken. De moeilijkheid zit hierin, dat een mens moet bekennen. Bekennen is niet alleen moeilijk, het is zelfs onmogelijk. Zó bekennen, dat men niets meer vasthoudt, is een onmogelijk werk. Gaf het Opperwezen het niet, dan zou een mens nooit bekennen.

Dus, toehoorders, naar Christus heen, maar dan ook waarlijk tot Hem gegaan. Die waarlijk gaat, rust niet in zijn pogingen, noch in de aangename gestalten die hij somtijds heeft, maar hij rust in Christus en in God door Hem Die God heeft gezonden en in de ambten van Priester, Profeet en Koning heeft gesteld en Die een eeuwig geldende gerechtigheid heeft aangebracht.

(Uit: Preek over Johannes 1:29, 9 februari 1928 te Rotterdam. Bundel 1967-’69, blz. 210-211.)


Door het Evangelie wordt de genade Gods aan de voeten gelegd

Door de prediking van het Evangelie wordt de genade Gods in de Zoon Zijner liefde u aan de voeten gelegd. Ik weet niet of ge het ooit hebt gezien. Ze is u in de hand gelegd. U moet zich afvragen of u dit weet. Ze is u in de mond gelegd. U moet op het allernauwkeurigst uzelf onderzoeken of uw hart mede getuigenis hiervan geeft. En eindelijk, ze is u ook in het hart gelegd. Want “de rechtvaardigheid die uit het geloof is, spreekt aldus: Zeg niet in uw hart: Wie zal in de hemel opklimmen? Hetzelve is Christus van boven afbrengen. Of: Wie zal in de afgrond nederdalen? Hetzelve is Christus uit de doden opbrengen. Maar wat zegt zij? Nabij u is het Woord, in uw mond en in uw hart. Dit is het Woord des geloofs, hetwelk wij prediken” (Rom. 10:6-8). Het is niet meer nodig Christus van boven af te brengen. Hij behoeft ook niet meer in de afgrond neder te dalen. Hij is immers gezeten aan de rechterhand der Majesteit in de hoogste hemelen. De apostel Paulus wil zeggen: dit is de gewone prediking van het Evangelie van de Heere Jezus Christus en Die gekruisigd, “namelijk, indien gij met uw mond zult belijden den Heere Jezus, en met uw hart geloven dat God Hem uit de doden opgewekt heeft, zo zult gij zalig worden. Want met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid, en met de mond belijdt men ter zaligheid” (vs. 9, 10).

Maar wat doen nu de meeste mensen? Terwijl hun het aanbod der genade Gods in de Persoon van Christus door de prediking wordt geopenbaard, aan de voeten gelegd wordt, vertreden zij Hem en nemen de moeite niet Hem aan te nemen. Meer moeite behoeven zij niet te doen. Het Manna ligt voor de deur en rondom de tent verspreid en men weigert uit zijn tent te komen en het te vergaderen. Geliefden, dit is het vreselijk ongeloof.

(Uit: Preek over Lukas 19:7, 13 januari 1925 te Rotterdam. Bundel 1961-’63, blz. 358-359.)


Tegenwerpingen beantwoord

En nu komt er een vraag: “Is het waar dat ons dat alles aangeboden wordt? Dat het ons voorgesteld wordt, dat het ons aangeboden wordt, is dat waar? Is dat nu werkelijk waar?” Het is werkelijk waar. U kunt het in de Schrift vinden.

Ik heb het al aangehaald uit Jesaja 45: “Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde; want Ik ben God, en niemand meer”, Jesaja 45:22. “Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven” (Matth. 11:28). Dat wil niet zeggen dat degenen die niet genoeg vermoeid en beladen zijn, niet mógen komen. Er wordt zo gesproken om alleen maar degenen die zo erg vermoeid en beladen zijn, een riem onder het hart te steken, ze te bemoedigen, ze te laten horen dat ze geen reden hebben om weg te blijven.

Er is een grote schare bijeen en Christus is met deze schare in de woestijn. En wat zegt Hij? “Mijn Vader geeft u het ware Brood” (Joh. 6:32). Hij zegt het niet tot deze en gene; Hij loopt niet door de rijen, Hij haalt er niet enkelen uit om tot dezen te zeggen: “Mijn Vader geeft u dat ware Brood” – nee, Hij zegt het tot de gehele schare, en daar waren er duizenden. En tot deze duizenden zegt Christus: “Mijn Vader geeft u dat ware Brood”. En Paulus: “De rechtvaardigheid die uit de Wet is, zegt: De mens die deze dingen doet, zal door dezelve leven. Maar de rechtvaardigheid die uit het geloof is, spreekt aldus: Zeg niet in uw hart: Wie zal in den hemel opklimmen? Hetzelve is Christus van boven afbrengen. Of: Wie zal in den afgrond nederdalen? Hetzelve is Christus uit de doden opbrengen. Maar wat zegt zij? Nabij u is het Woord, in uw mond en in uw hart. Dit is het Woord des geloofs, hetwelk wij prediken: Namelijk, indien gij met uw mond zult belijden den Heere Jezus, en met uw hart geloven dat Hem God uit de doden opgewekt heeft, zo zult gij zalig worden” (Rom. 10:5-9).

De aanbieding van het Evangelie, van de genade Gods in het Evangelie, is waar. U kunt erop aan. U kunt veel beter op deze aanbieding aan, dan op uw gedachten, voorstellingen. Maar, zo zoudt u wederom kunnen vragen: “Heeft íéder recht om wat aangeboden wordt, aan te nemen?” Iéder heeft recht om wat hem aangeboden wordt, aan te nemen. Hier is geen sprake van uitzondering te maken. En niet alleen heeft ieder het recht, maar hij is van Godswege verplicht om wat hem aangeboden wordt, aan te nemen. De Heere wil dat hij dat doen zal. De Heere wil volstrekt geen excuses, geen verontschuldigingen aannemen. Hij wil alleen maar hebben dat men doet wat Hij wenst dat we doen zullen: aannemen – aannemen wat ons in de hand, aan de voeten, in het hart gebracht is.

“Dat is dan gemakkelijk”, zo wordt er gekritiseerd: “Dat is dan gemakkelijk. Ja, zeker. We zijn in Adam gevallen, en de Heere Jezus heeft de zaligheid verworven, en nu moeten we dat geloven, en als we dat dan geloven, dan zijn we behouden.”

Laat me u in de eerste plaats zeggen dat het inderdaad makkelijk is, zo gemakkelijk zelfs, dat men er geen idee van heeft – gemakkelijk. Maar deze redenering deugt niet. Ze heeft met de werkelijkheid niets te maken. Ze is puur leugen en bedrog. Ik weet wel dat er zo gepreekt wordt: “Geloof het maar”, enzovoort. We kennen allen wel deze prediking. Dat is leugen en bedrog! Dat is zo gruwelijk en afschuwelijk, dat is zo misleidend! Want als iemand zo spreekt: “Het is gemakkelijk, dan is men gauw klaar”, dan verraadt hij zich en laat hij horen wie hij is. En wat is hij? Hij is een mens die zijn val niet kent noch erkent, die niet weet dat we gevallen zijn met het voornemen om nooit meer naar God om te zien. Het verstand is gesloten, de wil is vijandig, het hart is onrein, het oordeel is op een dwaalspoor, ook het geheugen kan niets goeds vasthouden. Wie nu zo spreekt, die weet dat niet. Hij is een vreemdeling in zijn eigen hart, en al wat hij zegt, daarmee bedriegt hij zichzelf en tracht hij een ander ook te bedriegen.

Als de Heilige Geest komt bij het Woord, dan hebben de dingen plaats. Wat gebeurt er dan? Zoudt u in staat zijn om daarvan een verslag te geven? Ik bedoel niet: zoudt u in staat zijn om de loop van de dingen te schetsen; dat bedoel ik niet. Maar zijt u in staat om te zeggen wat er plaatsheeft?

Als de Heilige Geest Zich verenigt met het Woord, dan hebben de volgende dingen plaats. Dan leert de mens zichzelf kennen: goed geschapen, door de zonde wanschapen – en zo wanschapen, dat er geen goed meer in hem gevonden wordt, zo wanschapen, dat hij zichzelf ziet als een waardeloze.

Als de Heilige Geest Zich bij het Woord voegt, dan wordt God hem verklaard, het Wezen waarvan hij nooit anders had dan voorstellingen, gedachten, opvattingen. Dan wordt God hem verklaard. En nu is het waar wat Paulus zegt: “Wij kennen ten dele en wij profeteren ten dele” (1 Kor. 13:9), maar als God in het hart verklaard wordt, dan kent de mens zoveel van Hem, dat hij niet meer van Hem kan afblijven, en hij komt tot Hem en hij gaat over in Hem. En wat is dat nu? Wat heeft dat voor gevolgen, dat iemand overgaat? De gevolgen hiervan zijn dat hijzelf dood op aarde ligt, en dat hij in Christus leeft. Men hoort wel eens spreken van dood en leven. Nu, dan zal men toch beide moeten kennen, niet door horen zeggen. Deze mens kent dood en leven. Hij heeft de dood in zichzelf gevonden en niets anders dan de dood; en hij heeft het leven gevonden buiten zichzelf en niets anders dan het leven. Let hier goed op: niets anders dan het leven, niets anders dan de dood. Dat is vanaf dat ogenblik waar geworden, maar dat wordt in de toekomst veel meer waar. Deze mens komt gedurig voor God, maar als een veel groter zondaar dan hij was toen hij voor het eerst voor God kwam. Dat houdt nooit op. Dus het verwerpelijke van hemzelf wordt steeds groter, en het aanbiddelijke van God, dat wordt ook steeds groter, want “Hij moet wassen, maar ik minder worden” (Joh. 3:30). En als u het er voor houden moogt dat u genade bezit, dan moet u maar eens nagaan het onderscheid tussen het begin en het heden. Want het is leven en het houdt nooit op leven te zijn.

En nu nóg een vraag: “Als het nu alles in Christus is, en de Heere Jezus wordt ons aangeboden door het Woord, zó, dat Hij in onze onmiddellijke nabijheid is – “nabij u is het Woord” – waarom wordt er dan gezegd dat er nog zoveel vooraf moet gaan? Kan het nu niet zonder dat er zoveel voorafgaat?” Weet u wel wat u bedoelt? Of zegt u maar iets dat zo uit het oppervlakkige dagelijkse leven opgenomen is? Als u wat zegt of vraagt, geef u dan toch vooral rekenschap van wat u zegt of vraagt.

Wanneer iemand zo op staande voet Christus aanneemt, is er geen aanmerking te maken. Maar wel iets anders moet er gedaan worden. Hij zegt: “Ik heb Christus aangenomen, want de Bijbel zegt dat ik dat doen moet”. “Goed”, zegt de ander, “maar wat hebt u gedaan, toen u Christus aannam? Geef er eens een verklaring van, want ik mag best deze vraag doen. En wat is het gevolg geweest van uw aannemen van Christus?” Nu, als men daarop maar goede antwoorden had, dan zou niemand iets mogen zeggen. Maar die zo op staande voet Christus aanneemt, zal wel niet bekwaam zijn om deze twee vragen goed te beantwoorden.

“Waarom moet er dan zoveel voorafgaan?” Hoeveel moet er voorafgaan? Nog eens, weet u wel wat u vraagt? Hoeveel moet er voorafgaan? Wat is de betekenis van wat voorafgaat aan de aanneming van Christus? Niets anders dan dit, dat de mens ziet: ik heb Christus nodig, en als ik Christus niet heb, dan ben ik verloren; – en dat hij in staat is om te zeggen waarom hij dan verloren zou zijn, als hij zonder Christus bleef. En daarom moet voorafgaan wat eraan vooraf moet gaan. Als dat doel bereikt is, dus als de mens zichzelf heeft gezien zonder Christus, en Christus hem geopenbaard is, en hij gewillig is om zich te laten helpen, dan is het alles goed. En daarom wordt er gesproken van een gewillig volk op de dag van Gods heirkracht (Ps. 110:3).

Maar Pilatus vroeg: “Wat zal ik dan met Jezus doen?” (Matth. 27:22). En iemand die zijn val niet heeft leren kennen, en zichzelf niet gezien heeft in het licht van de Waarheid, vraagt ook, al is het dat zijn mond heel andere dingen zegt, heeft ook in zijn hart de vraag: “Wat zal ik dan met Jezus doen?” En opdat men wete wat men met Jezus doen moet, moet er zoveel aan de aanneming van Christus voorafgaan, zodat, als men Christus aangenomen heeft, men op twee vragen het antwoord kan geven. De eerste vraag is: “wat men zelf is buiten Christus” en de tweede: “wat men door de genade is in Christus”. En hier komt het dan op aan.

En daarom, toehoorders, kunt u zich niet ver genoeg houden van een prediking waarin deze dingen niet voorkomen, niet gedurig voorkomen, want het is alles misleiding. En dan gaat een mens heen met de gedachte dat de hemel voor hem zal geopend worden, en de hemel zal voor eeuwig voor hem gesloten blijven, want: “Op dezen zal Ik zien, op den arme en verslagene van geest en die voor Mijn woord beeft” (Jes. 66:2).

(Uit: Catechisatie, 21 maart 1956 te Den Haag. Bundel 2003-’05, blz. 93-96. Dit is de laatste door ds. Paauwe gehouden catechisatie.)