Zijn prediking » Belangrijke onderwerpen » Prediking van de Wet; de ellende van de mens


Prediking van de Wet; de ellende van de mens

Staat der rechtheid; de zondeval en zijn gevolgen

In de staat der rechtheid was de zonde er niet, want God had de mens goed en naar Zijn evenbeeld geschapen, dat is in ware kennis Gods, gerechtigheid en heiligheid. De mens was toen aan God verbonden en deed al wat God zei dat hij doen zou. Daarin nu had de mens zaligheid, want hij eindigde met alles in de drie-enige, algenoegzame en volzalige God. Maar, toehoorders, de mens overtrad het gebod van God, hij handelde in strijd met wat de Heere hem had gezegd te doen, hij werd een wetsovertreder, hij ging in tegen God, hij werd een zondaar. Nu zijn wij allen uit Adam voortgekomen, alle mensen zijn nu zondaren, gelijk Paulus zegt in Romeinen 3:23: “Want zij hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid” – dat is het beeld – “Gods”.

De mensheid staat nu hoofd voor hoofd schuldig voor God, is ganselijk verloren, zij is vol wonden, striemen en etterbuilen, die niet uitgedrukt noch verbonden zijn, en geen derzelve is met olie verzacht, naar Jesaja 1:6. Er komt niets uit de mens voort dat goed is, een onreine bron zijnde, is alles wat uit hem voortkomt bedorven. Zijn woorden zijn bedorven, zijn daden zijn bedorven, en het is de mens onmogelijk hierin ook maar de minste verandering te brengen. Hij is onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad (Heidelbergse Catechismus, vraag 8). Het beginsel van zijn gedachten is al zonde.

Mijn toehoorders, nu ligt de mens onder Gods vloek, want de Heere heeft gezegd: “Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen” (Gal. 3:10; Deut. 27:26). Zo ligt de mens dus onder de toorn des Hemels, want God vertoornt Zich schrikkelijk beide over onze aangeboren en dadelijke zonden, en wil die door een rechtvaardig oordeel tijdelijk en eeuwig straffen (Heidelbergse Catechismus, antwoord 10). De mens moet door God dan ook worden verstoten, wanneer hem wordt vergolden buiten Christus. Had God de Heere niet reeds van eeuwigheid gedachten des vredes over een bepaald aantal van het gevallen mensdom gehad, dan zou ieder mensenkind ook zeker door God zijn verworpen.

(Uit: Preek over Handelingen 4:12b, 18 juli 1922 te Rotterdam. Bundel 1955-’57, blz. 516.)


De mens heeft zijn Schepper verlaten

De mens heeft vrijwillig en moedwillig zijn Schepper verlaten. Hij heeft niet geloofd dat God rechtvaardig is en haat en straft al wat van Hem afwijkt. Hij heeft niet geloofd dat de Heere heilig is en dat Hij de boosheid die in de wereld te vinden is, niet kan aanschouwen. Hij heeft niet geloofd dat God waarachtig is en bij Zijn eenmaal gesproken Woord blijft. Hij heeft niet geloofd dat God almachtig is en in staat is om waar te maken hetgeen Hij gezegd heeft; dat God wijs is en wegen en middelen weet te vinden om zijn doel te bereiken; dat God goed is en in staat en gewillig is om “het wel” te bevorderen van allen die Hem zoeken en Zijn Naam vrezen. De mens heeft de belofte Gods “Doe dat en gij zult leven” (Luk. 10:28) niet geteld, en hij heeft het dreigement “ten dage als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven” (Gen. 2:17) veracht. Hij heeft de deugden Gods geschonden en hij is een overtreder geworden van een Wet die volmaakt is, waarvan immers de eis is God lief te hebben boven alles en de naaste als zichzelf.

Van vergoeding van de zijde van de mens is geen sprake. De mens is niet in staat om iets terug te geven. Hij zoekt God niet eens en hij zou willen dat God buiten zijn bereik kon blijven. Als hij kon, zou hij zich verbergen, al was het in het ingewand van de aarde. Daarom zal er in de dag der dagen door velen geroepen worden: Bergen, valt op ons; heuvelen, bedekt ons!

De mens is een vijand van God, en God is vertoornd en wil de zonde tijdelijk en eeuwig straffen, want er staat: “Vervloekt is een iegelijk die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der Wet, om dat te doen” (Gal. 3:10).

(Uit: Catechisatie, 14 februari 1951 te Den Haag. Bundel 1979-’81, blz. 194.)


Het verlies van het beeld van God

God heeft ons goed geschapen, en in deze toestand bezaten wij kracht. Wij waren in staat God te zoeken, Hem te aanbidden, Hem te prijzen, in Zijn gemeenschap te leven, over Hem op de rechte wijze te spreken, Hem te volgen. In deze staat bezaten we kracht, ofschoon we als mens van onze Schepper afhankelijk waren en bleven. Maar deze kracht is verloren gegaan. Onder de invloed van de vorst der duisternis – aan welke invloed we ons overgegeven hebben, moedwillig en vrijwillig – hebben we ons van God losgemaakt, getracht ons van Hem te ontslaan, zoals wij dit dagelijks, ja ieder ogenblik nog doen. Hiervan is het gevolg geweest dat we onze kracht verloren hebben: het beeld Gods, bestaande in kennis, gerechtigheid en heiligheid. En waar het beeld Gods weg is, daar is de kracht ook weg. Daar moet zo op gelet worden! Men moet zich afvragen of men gekomen is in het gemis van het beeld Gods, en of men dit gemis betreurd heeft, en of het hersteld is, en door Wie en in Wie. Dit zijn gewichtige vragen, en u en ik en alle mensen die onder het Evangelie leven, moeten op deze vragen het antwoord hebben. Anders liggen de dingen niet goed, hebben we geen rust hier, en hierna geen zaligheid te wachten. Maar dat we onze kracht kwijt zijn, wordt niet door ons beseft. En we doen alsof wij nog krachten genoeg hebben. We bidden, we danken, we spreken een woord mee over de christelijke Godsdienst, trachten misschien de Heere te volgen, lezen de Bijbel, onderzoeken de Waarheid – alles in eigen kracht. En wat we doen in eigen kracht, dat is schijn! Zo leeft een mens bij de schijn. Schijn is zijn bidden, zijn lezen; schijn is zijn horen, overdenken; schijn is al wat hij op godsdienstig gebied doet. Deze schijn moet doorbroken worden. En dat geschiedt als God Zichzelf voor ons en in ons stelt. Dan zien we wat het was, dan verstaan we dat het schijn was al wat we gedacht, gesproken en gedaan hebben, nog eens, op godsdienstig gebied.

Dat zijn harde dingen voor iemand die zichzelf liefheeft, en in de waan verkeert dat hij zo braaf en goed en sterk is, om dít te doen, om dát te doen – ’t zijn harde dingen. Maar God ontziet het vlees niet, ontziet ons niet. Hij kan dat niet doen. Ik zou haast willen zeggen: Hij mag dit niet doen. Want er is aan ons en in ons niets dat ontzien moet worden. Het is waardig, alles waardig om verworpen te worden.

(Uit: Catechisatie, 20 april 1955 te Den Haag. Bundel 1997-’99, blz. 41-42.)


Werkverbond en Genadeverbond

U weet, en wij hebben het u dikwijls gezegd, dat de Heilige Schrift spreekt van twee verbonden. Van een Verbond der werken, dat de Heere heeft opgericht met Adam en in zijn persoon met mij en met u, met de gehele wereld. En van een Verbond der genade, en dit verbond heeft de Heere ook opgericht en richt Hij op met Zijn Zoon en in Zijn Zoon met de uitverkorenen; dus niet met de gehele wereld, niet met iedereen.

Ik kan u niet genoeg op het hart drukken deze dingen te overdenken. De leer van de twee verbonden; wie hierin van God onderwezen is, die is “van den HEERE” geleerd. Aan hem is de belofte vervuld en wordt vervuld: “En al uw kinderen zullen van den HEERE geleerd zijn, en de vrede uwer kinderen zal groot zijn” (Jes. 54:13). (…)

Het Werkverbond komt tot de mens met een eis: “Doe dat en gij zult leven” (Luk. 10:28). Niet: “Doe dat” alleen! Want “doe dat” is de eis van de Wet als zodanig, afgescheiden van het Verbond der werken. Maar: “Doe dat en gij zult leven”. Dat is de eis van het Verbond der werken en met deze eis komt het Verbond der werken tot mij en tot u.

Het Genadeverbond doet heel wat anders. Er zijn in het Genadeverbond geen eisen, niet één! Het Genadeverbond bevrijdt en biedt aan, geeft dus. Dat is het Genadeverbond. Niet eisen, maar geven, aanbieden, bevrijden. Het Genadeverbond biedt Christus aan.

“Doe dat en gij zult leven”. Wat moet er gedaan worden? Om het kort te zeggen is het dit: Men moet niet gevallen zijn. Het Werkverbond eist een mens die niet is gevallen, en dàn kan het Werkverbond eisen God lief te hebben boven alles en zijn naaste als zichzelf; nooit één zondige gedachte, nooit één zondig woord, nooit één zondige daad gehad te hebben, enzovoort. Het Werkverbond: “Doe dat en gij zult leven” eist zuiverheid en deugd, maar in het Genadeverbond is niets van dat alles.

(Uit: Catechisatie, 31 januari 1951 te Den Haag. Bundel 1979-’81, blz. 178-179.)


Het Werkverbond

Het Verbond der werken heeft een eis, een belofte en een bedreiging. De eis is: “Doe dat en gij zult leven” (Luk. 10:28). De belofte is een belofte van leven. En de bedreiging is: Als gij niet doet, zult gij sterven.

De mens, toehoorders, heeft gezondigd. God had gezegd dat hij niet van de boom der kennis des goeds en des kwaads zou eten. Hij heeft ervan gegeten. Eerst Eva en daarna Adam. Zo is de mens gekomen onder de vloek. De Wet is gebleven! De mens is veranderd, maar God is onveranderlijk, dus handhaaft God Zijn Wet en dit doende, zo wil Hij, dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiede.

(Uit: Preek over Galaten 3:13, 18 maart 1936 te Rotterdam. Bundel 1979-’81, blz. 419.)


In de zonde is besmetting, heerschappij en schuld

De mens moet van de zonde verlost zijn. De zonde maakt scheiding tussen de mens en het leven; tussen de mens en de Heere. Beter zou het wezen, wanneer wij zeiden: de scheiding tussen de Heere en ons, dat is de zonde.

Er is in de zonde een besmetting. De mens is niet goed. Hij is kwaad. De Heere Jezus noemt hem een kwade boom (Matth. 7:17). Hij is niet ten dele kwaad en ten dele goed. Hij is volstrekt kwaad, zodat er van hem nooit iets verwacht kan worden. Jesaja beschrijft de toestand, waarin hij en zijn volk zich bevonden in zijn tijd met deze woorden: “Het ganse hoofd is krank en het ganse hart is mat. Van de voetzool af tot het hoofd toe is er niets geheels aan hetzelve, maar wonden en striemen en etterbuilen, die niet uitgedrukt noch verbonden zijn, en geen derzelve is met olie verzacht” (Jes. 1:5, 6). Deze woorden beschrijven ons de toestand van een mens: “niets geheels” (vs. 6). In het boek Job staat: “Wie zal een reine geven uit den onreine? Niet één” (Job 14:4). Ziet een begenadigde vader of moeder op zijn of haar kind en is de bearbeiding van de Geest daar, dan zal gezegd worden: Dat is mijn schuld. En hij zal verstaan wat David gevoeld en gezegd heeft in deze woorden: “Wat hebben deze schapen gedaan?” (2 Sam. 24:17). Let op de beschrijving van de apostel Paulus in Romeinen 3 en geef eindelijk acht op de woorden van onze catechismus: “onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad” (Heidelbergse Catechismus, vraag 8).

Het verstand is enkel duisternis. “De natuurlijke mens begrijpt niet de dingen die des Geestes Gods zijn” (1 Kor. 2:14). Een mens dwaalt (Ps. 95:10) en tenzij hij terechtgebracht is, hij doet niet anders dan dwalen. “Wij dwaalden”, dat is de openhartige belijdenis van de gehele Kerk: “wij dwaalden allen als schapen. Wij keerden ons een iegelijk naar zijn weg” (Jes. 53:6). In de wil is niets dan verkeerdheid. “Gij wilt”, zo sprak de Heere Jezus, “tot Mij niet komen” (Joh. 5:40). En de apostel Paulus schrijft: “Het bedenken des vleses is vijandschap tegen God, want het onderwerpt zich der Wet Gods niet, want het kan ook niet” (Rom. 8:7). De hartstochten werken ongeregeld. De consciëntie geeft in de voornaamste dingen geen onderricht. Het geheugen is niet goed. Het oordeel is op een dwaalspoor. En, toehoorders, zo kan de mens er nooit toe komen, om een goede keuze te doen, of hij moet wederom geboren wezen.

In de zonde is een heerschappij. De mens dient de zonde (Joh. 8:34), hij is er een slaaf van. De apostel Paulus zegt dit zeer duidelijk in Romeinen 6:17: “Maar Gode zij dank, dat gij wel dienstknechten der zonde waart” (slaven staat er in de oorspronkelijke taal), “maar dat gij nu van harte gehoorzaam geworden zijt aan het voorbeeld der leer tot hetwelk gij overgegeven zijt”. Ook in het leven van een begenadigd mens heeft de zonde nog een droevige werking. Deze mens haat de zonde (Ps. 139:21, 22). Wat de Heere wil, dat wil hij ook: het recht van de Wet (Rom. 8:4); dat is, wat de Wet eist. Hij stelt het boven zijn behoudenis. Hij stemt de Wet toe, dat zij goed is (Rom. 7:15) en heilig en geestelijk, maar van zichzelf komt hij tot het doen niet (Rom. 7:18). Wat hij wil, dat voert hij niet uit. Hij doet wat hij niet wil (Rom. 7:19).

In de derde plaats betekent de zonde een schuld. Ieder mens heeft een schuld. Met een schuld zijn wij in de wereld gekomen en van onszelf maken wij dagelijks de schuld groter. De Wet staat erop dat haar geschonken wordt waarop zij recht heeft (Rom. 7:1 en 8:4). Zij laat dit recht niet los. Vindt zij nu een mens die niet is zoals Adam was in de staat der rechtheid, dan laat de Wet zich gelden. Zij vervloekt deze mens (Gal. 3:10), en zo is, zoals de apostel Paulus schrijft, de gehele wereld verdoemelijk voor God (Rom. 3:19).

(Uit: Preek over Mattheüs 24:13, 21 september 1933 te Rotterdam. Bundel 1973-’75, blz. 535-536.)


Wat is zonde?

Toehoorders, wat is zonde? Het woord “zonde” zegt ons, dat wij gemist hebben, ons doel niet bereikt hebben. Wat dat doel is, zegt het Woord Gods. “De HEERE”, staat er in de Bijbel, “heeft alles gewrocht om Zijns Zelfs wil” (Spr. 16:4). Dit doel, Gods eer, God te verheerlijken, hebben wij gemist. De mens werkt in zichzelf, door zichzelf en tot zichzelf. God blijft buiten alles, en dat is zijn ongeluk; als God het niet verhoedt, zijn ongeluk voor eeuwig. Want de Heere zal dan zeggen: “Dezen waren niet om Mijn lof te vertellen”, terwijl er toch geschreven staat: “Dit volk heb Ik Mij geformeerd, zij zullen Mijn lof vertellen” (Jes. 43:21).

Toehoorders, in de zonde wordt meer dan één kwaad gevonden. De zonde is een besmetting. “Het ganse hoofd is krank en het ganse hart is mat” (Jes. 1:5). De zonde is een heerschappij, zij heeft ons in haar greep. De zonde betekent een schuld, en wel een schuld die van de aarde tot de hemel reikt.

(Uit: Preek over de vraag “Wat verhindert het geluk van de mens?”, 13 april 1936 te Den Haag. Bundel 1979-’81, blz. 49-50.)


Kennis van de letter en van de geestelijke zin van de Wet

Men moet niet vergeten dat er tweeërlei kennis van de Wet is, en dat de eerste die ik zal noemen niet zaligmakend is en de tweede dit wel is.

Er is een kennis van de letter van de Wet: “Gij zult niet dit doen, gij zult niet dat doen”. Dat is de kennis van de letter van de Wet, dat is geen verborgenheid. Maar er is een kennis van de Wet die wél een verborgenheid is, en dat is de kennis van de geestelijke zin van de Wet. Wat is dat voor een kennis, kennis van de geestelijke zin van de Wet? Wanneer kent iemand de Wet in haar eigen inhoud en bedoeling? Wanneer ze beschenen wordt met het licht van het Evangelie. Want als dat gebeurt, dan wordt de mens overtuigd van ongeloof, en ge weet ’t, dat de Heere Jezus zo gesproken heeft: “En Die gekomen zijnde (de Heilige Geest), zal de wereld overtuigen van zonde, … van zonde, omdat zij in Mij niet geloven” (Joh. 16:8, 9).

Als de Wet beschenen wordt door het licht van het Evangelie en men dus de geestelijke zin en de wijduitgebreidheid van de Wet leert kennen, dan ziet men eerst, eerst dán ziet men wat men voor een mens is. Eerst dán ziet men dat men een gevallen mens is; gevallen van God af, uitgevallen uit onze Schepper. En hoe wij ons tegenover Hem geplaatst hebben en vijanden van Hem zijn. En hoe heel ons bestaan tegen Hem ingaat en er niets in ons hart is dat naar Hem vraagt. Dat kan nooit iemand zien zonder de kennis van de geestelijke zin en van de wijduitgebreidheid van de Wet. Zó is de Wet de tuchtmeester tot Christus.

Als we alleen de letter van de Wet kennen, tuchtigt ze ons niet zó, dat we naar Christus gaan. Integendeel, als we alleen de letter van de Wet kennen, tuchtigt de Wet ons zo, dat we nog ernstiger ons gaan toeleggen op de onderhouding van de Wet, ofschoon we van de Wet niets moeten hebben. Maar de Wet gekend in haar geestelijke zin, tuchtigt ons tot Christus. Want als wij haar leren kennen in die wijduitgebreidheid, dan blijft er niets meer voor ons over, dan – als Hij geopenbaard mag zijn of worden – dan Christus.

(Uit: Catechisatie, 19 december 1951 te Den Haag. Bundel 1982-’84, blz. 42.)


Onderscheid tussen de Wet als Verbond en als regel des levens

Het is een grote vraag – waar het toch gaat in de prediking om de aanbieding van de Heere Jezus – waartoe dan nog de onderwijzing van de Wet is. Ik bedoel: de onderwijzing van de Wet als een Verbond der werken, niet van de Wet als een regel des levens. Er staat – om met weinige woorden deze vraag te beantwoorden – er staat dat de Heere Jezus gekomen is om te zoeken en zalig te maken dat verloren was (Luk. 19:10). “Ik ben niet gekomen”, zegt Hij op een andere plaats, Mattheüs 9, “om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering” (vs. 13).

Nu schrijft de apostel Paulus dat “door de Wet is de kennis der zonde” (Rom. 3:20). Daarom moet de Wet onderwezen worden. Maar versta het goed, er ligt in het onderwijs door de Wet niets zaligmakends, niets! Zodat, om duidelijk te wezen, wanneer een mens niet in Christus is, er niets dat zaligmakend is bij hem wordt gevonden. Daar moet u goed van doordrongen wezen. De zaligheid ligt immers – gelijk we al gezegd hebben en gelijk het Woord ook leert – geheel in Christus. Maar nu is de Wet, de kennis van de Wet, nodig om ons te drijven naar Christus.

Ik heb u vroeger wel eens gezegd dat de uitverkorenen leren kennen de drijving en de trekking tot Christus. De drijving wanneer ze door de Wet zijn aangegrepen, en de trekking wanneer het Evangelie geopenbaard is. Let hier op. Beide moet u hebben leren kennen: de drijving door de Wet en de trekking door Christus. Waar de trekking een aanvang neemt, daar houdt de drijver op. Want niet zodra zijn wij in Christus gekomen, of wij zijn aan de Wet gestorven. En de Wet is aan ons gestorven als een Verbond der werken – goed gehoord? – terwijl de Wet als een regel des levens dán pas begint voor ons haar betekenis te krijgen. Voordat een mens in Christus is, heeft hij geen hart om de Wet te gehoorzamen. En al wat hij vóór die tijd doet, dat is overtreding van de Wet. Maar is hij door een oprecht geloof met de Heere Jezus verenigd, dan vraagt hij, zoals we dat zien bij Saulus van Tarsen op de weg naar Damaskus: “Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal?” (Hand. 9:6).

(Uit: Preek over Lukas 2:18, 25 december 1952 te Den Haag. Bundel 2000-’02, blz. 130-131.)


Omhels uw veroordeling

Ik heb u meermalen gezegd dat een mens in zijn blindheid en vijandschap naar boven werkt, in de hoop ergens, waar dan ook, God te zullen ontmoeten, maar God is tussen de mirten (Zach. 1:8). Hij wordt gevonden in het dal van ootmoed, en “Wie Hem need’rig valt te voet, zal van Hem Zijn wegen leren” (Ps. 25:4 ber.). Val in de schuld, val in de dood, omhels uw veroordeling, en ge zult wonderen beleven, de wonderen des Allerhoogsten.

(Uit: Preek over Romeinen 8:1a, 21 november 1954 te Den Haag. Bundel 2003-’05, blz. 369.)


Geen geneesmiddel buiten de Zoon van God

“Die Zichzelf gegeven heeft voor onze zonden” (Gal. 1:4). De Zoon van God heeft Zichzelf gegeven voor de zonden van de uitverkorenen. Toehoorders, wanneer dit niet waar was, zou de zaligheid voor eeuwig onmogelijk zijn. Niets en niemand kan ons helpen. God kan het niet, want er is in God geen deugd of ze staat tegenover ons. De Wet kan het niet, zij is, zoals de apostel Paulus schrijft, door het vlees krachteloos (Rom. 8:3). Zij wijst de weg aan, ze zegt: “De mens, die deze dingen doet, zal door dezelve leven” (Rom. 10:5). Zij bedreigt op een schrikkelijke wijze, want er staat: “Ten dage als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven” (Gen. 2:17). En: “Vervloekt is een iegelijk die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen” (Gal. 3:10). Zij geeft een belofte, een belofte van leven, maar het is alles vruchteloos, want zij doet niet anders dan de zonde opwekken. Hoe sterker ze aandringt, hoe krachtiger zij haar eis aanbindt, des te meer zonden komen er; waarom Paulus zegt: “De kracht der zonde is de wet” (1 Kor. 15:56).

Wijzelf kunnen in onze toestand ook geen verandering brengen, want we maken de schuld dagelijks groter en we zijn onbekwaam tot enig goed. Een engel kan ons evenmin helpen, want er staat: “De ziel die zondigt, die zal sterven” (Ezech. 18:20). Een dier is ook niet in staat om ons te bevrijden!

Jezus is het alleen, geliefde toehoorders, zoals het ons in het Woord wordt voorgehouden: “Wendt u naar Mij toe, wordt behouden alle gij einden der aarde; want Ik ben God en niemand meer” (Jes. 45:22).

Uit: Preek over Galaten 1:4a, 8 april 1924 te Rotterdam. Bundel 1961-’63, blz. 193-194.