Zijn prediking » Belangrijke onderwerpen » De inhoud van de prediking


De inhoud van de prediking

Predik het Evangelie

Vóór Zijn hemelvaart heeft Christus de prediking van het Evangelie ingesteld. Gij kent de woorden: “Predikt het Evangelie aan alle creaturen” (Mark. 16:15). Dat was hun opdracht. Hij heeft er niet bij gezegd: vraag eerst verlof aan de geweldhebbers dezer wereld. Doe het! Predik, predik het Evangelie aan alle creaturen.

Wanneer nu deze prediking is een prediking van het Evangelie, een voorstelling, een aanbieding van Hemzelf, dan is het al zoveel alsof Hij Zelf predikte. Zo staat er dan ook: “Wie u hoort, die hoort Mij” (Luk. 10:16). Wie Mij hoort, Die hoort Degene Die Mij gezonden heeft.

(Uit: Preek over Openbaring 1:5b, 21 oktober 1951 te Den Haag. Bundel 1997-’99, blz. 226.)


De prediking is een instelling van God; de inhoud van de prediking

De prediking is een instelling Gods. God is begonnen! Een punt waarover u veel kunt nadenken. God is begonnen, niet wij! “Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar Zaad; Datzelve zal u de kop vermorzelen, en gij zult Het de verzenen vermorzelen” (Gen. 3:15). Dit is het begin, de eerste prediking van het Evangelie. God is begonnen en vanaf dat ogenblik is de prediking gebleven. Noach was een prediker der gerechtigheid. Eerst, gedurende lange tijd, is de prediking alleen geweest onder één volk, onder de nakomelingen van Abraham, maar daarna is het anders geworden. “Gaat dan henen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in de Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes, lerende hen onderhouden alles wat Ik u geboden heb” (Matth. 28:19).

Wat is de prediking? Ze is een boodschap, een boodschap van God. Het is waar, ze wordt gebracht door mensen. Ter verduidelijking zal ik dit nog even toelichten. De prediking is eigenlijk het bezit van de Gemeente van Christus en ze is de mond van deze Gemeente. Maar de Gemeente van Christus stelt dienaren aan, en deze brengen het Evangelie. Ze doen dit dus als gevolg van aanstelling door de Gemeente. En de Gemeente doet het uit kracht van haar roeping: “Gij zijt het licht der wereld” (Matth. 5:14), “Gij zijt het zout der aarde” (Matth. 5:13), enzovoort. Zodat, gelijk gezegd is, de prediking feitelijk een Goddelijke boodschap is aan mij en aan u, aan oud en jong, rijk en arm, vroom en onvroom, zonder uitzondering.

Als iemand nu dit verstaat – het zijn schapen die het verstaan: “Mijn schapen horen Mijn stem” (Joh. 10:27) – als iemand dit verstaat, verstaat dat God tot hem spreekt, niet de leraar, maar God dóór de leraar – ik zeg, als iemand dit verstaat, dan ontstaat het geloof, het waarachtige geloof, niet eer, nooit eer! Een punt om veel over na te denken!

Deze boodschap is een goede tijding. Waarom is ze zo goed? Omdat het een allesvervullende boodschap is. Als iemand haar gelooft, dan heeft hij het gevoel alsof zijn hart vervuld is. “Mijn hart” – zegt de dichter van de 45e Psalm – “vervuld met heilbespiegelingen, zal ’t schoonste lied van enen Koning zingen” (vs. 1 ber.). En nu gaat dat gevoel wel over, maar het geloof blijft! (…)

Het is ook een blijde boodschap. Er is in de wereld niets dat de mens blij maakt. Men mag eens lachen, maar dan zegt de Prediker: “Tot het lachen zeide ik: Gij zijt onzinnig” (Pred. 2:2), en dat is ook zo. Dat een mens lacht, dat is alleen maar een bewijs dat hij een dwaas is. Blijdschap heeft geen mens voordat hij de prediking gelooft. “Wat blijdschap smaakt mijn ziel, wanneer ik voor U kniel”, enzovoort (Ps. 26:8 ber.). En daarom kon de apostel Paulus schrijven: “Verblijdt u in de Heere allen tijd; wederom zeg ik: Verblijdt u” (Filipp. 4:4). (…)

Wat is de inhoud van de prediking van het Evangelie? Dit: God is mens geworden. Zijn menselijke natuur aangenomen hebbende, heeft Hij de Wet volbracht en de straf der zonde gedragen. Dat is de inhoud van de prediking. (…) Deze zaak nu wordt door de prediking voorgedragen. De prediking wijst erop, en zij biedt de goederen, de inhoud van de prediking, aan de mensen aan. Wanneer dit is geschied, dan is de verantwoordelijkheid van de prediker weg, en de volle verantwoordelijkheid ligt voor de hoorder. Het is overgedragen! En ieder die het hoort of gehoord heeft, heeft toe te zien wat hij ermee doet. Want van deze zaak zal een verantwoording gevraagd worden. Men gaat niet verloren om de zonde in Adam, noch om de menigvuldige zonden die men gedaan heeft, maar men gaat verloren om het ongeloof. Terwijl wanneer iemand gelooft, hij behouden is. “Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden, maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden” (Mark. 16:16). (…)

Maar behalve het Evangelie wordt ook de Wet gepredikt. Het Evangelie is voor arme mensen. Rijke mensen, mensen die geen zondaar voor God zijn, die vertreden en verwerpen het Evangelie, het meest nog met wat ze menen te bezitten. Daarom is een prediking waarin niet de noodzakelijkheid van de rechtvaardigmaking en heiligmaking in Christus gesteld wordt, zulk een verfoeilijke prediking. Zo’n prediking brengt de mensen niet in de hemel, maar houdt ze eruit. Omdat ze leert te steunen op wat een mens denkt dat hij heeft, terwijl hij niets heeft, terwijl hij buiten Christus niets heeft. Een mens heeft buiten Christus niets! En zolang hij dit niet ziet, zal hij Christus niet deelachtig worden.

O, bedenk toch deze dingen, mensen! Bedenk ’t toch! En als uw kinderen nu of later een andere weg willen gaan, wijs ze er dan op. U kunt ze misschien niet tegenhouden, maar wijs ze er dan op dat ze een verkeerde weg inslaan! En als u erover denkt om het te doen, dan zeggen wij u: gij slaat een verkeerde weg in, gij hebt u te houden bij de Waarheid gelijk ze in Christus Jezus is, en niet gelijk ze in de hersenen van de mensen gevonden wordt.

Men nam het de Heere Jezus kwalijk dat Hij zoveel omgang had met allerlei geboefte. Ach, zei de Heere Jezus, “die gezond zijn, hebben de medicijnmeester niet van node, maar die ziek zijn” (Matth. 9:12). Het is voor hen die “ellendig en jammerlijk en arm en blind en naakt” zijn (Openb. 3:17), voor dezen. En nu zegt de apostel Paulus, dat “door de Wet is de kennis der zonde” (Rom. 3:20). Men kan de zonde op velerlei wijze leren kennen, dat is waar. Als u kwaad doet en het komt uit, dan leert u uw zonde kennen. Door de werking van uw consciëntie leert u de zonde ook kennen, maar niet zo dat u gedrongen en gedreven wordt en getrokken om tot Jezus de toevlucht te nemen. Daar is de Wet voor nodig. En als nu iemand de Wet kent, niet alleen in haar letter maar ook in haar geest, dan heeft hij Christus nodig. En niet zodra heeft iemand de Heere Jezus nodig, of de Heere Jezus staat voor hem gereed. Het ene hoort bij het andere, het ene sluit het andere in.

U zult misschien denken: “Hoe komt het dan? Ik denk al jaren dat ik de Heere Jezus nodig heb, en mijn belijdenis is dat men zonder Christus niet kan zalig worden.” Ja, wat de mens zoal menen en denken kan, nietwaar, dat weten we wel als we er acht op wensen te slaan. Maar het is niet de vraag wat de mens zoal menen en denken kan. Het is de vraag wat voor hem Waarheid geworden is door de Goddelijke bearbeiding van de Heilige Geest. En wie deze Waarheid mag leren kennen en erop acht mag geven, die zal nooit bedrogen worden. Want de Heilige Geest is de Geest der Waarheid. En daarom moet ook de Wet gepredikt worden. Wet en Evangelie, beide, moeten gepredikt worden.

Door de Wet ontneemt de Heilige Geest ons alles, behalve de zonde en de schuld. Ze laat ons zien dat we die hebben – de zonde en de schuld – en daar laat de Wet ons! En nu, op de prediking van het Evangelie volgt de vervulling van dat hart, van het hart waaruit de Wet alles genomen heeft. En dat doet het Evangelie dierbaar zijn, nietwaar? “U dan, die gelooft, is Hij dierbaar” (1 Petr. 2:7). Dat is het! En u moet zich afvragen of het dat bij u geworden is, want het moet bij u in wezen zo worden. Bij de één gaat het met meer benauwdheid en angst gepaard dan bij de ander. Daarover behoeft niet gedisputeerd te worden, dat zijn geen wezenlijke dingen. Wezenlijk is dat de mens zodanige bearbeiding van de Wet ontvangen heeft, dat er voor hem niets anders overbleef dan de dood in hem, en het leven buiten hem, in Christus Jezus.

En zoals ik al gezegd heb, als iemand waarlijk zondaar geworden is voor God, dan staat de genade Gods in Christus Jezus gereed om hem op te vangen en hem naar Zich toe te trekken en hem met weldaden te overladen. Met weldaden: met geestelijke, met tijdelijke en met eeuwige weldaden.

(Uit: Catechisatie, 19 mei 1954 te Den Haag. Bundel 1991-’93, blz. 242-247.)


Het voornaamste in de prediking is Christus

De ware prediking. Wat is eigenlijk de prediking? Hebt u er wel over nagedacht in uw leven? De ware prediking is een prediking van twee zaken. Ja, denkt u, dat is zo, de prediking, als ze goed is, is ze een prediking van Wet en Evangelie. Zeker, maar om dit nu te verstaan met het hart, en in zich te hebben de kennis van het onderscheid tussen deze twee zaken, tussen de Wet en het Evangelie, dat is nog wat anders.

Het voornaamste in de prediking is de prediking van Christus, omdat in Hem het heil is, de zaligheid. Er is nooit iemand gelukkig geweest buiten Christus, en nimmer is er iemand ongelukkig geweest, die in het bezit was van Christus. De dichter van de 73e Psalm heeft het op niet te overtreffen wijze gezegd: “Wien heb ik nevens U in den hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde!” (vs. 25). Ik weet zeker dat, wanneer u een begenadigd mens zijt, u niet eens maar honderden malen al gezegd hebt: “Heilig onverschillig ben ik ten opzichte van alles, als ik U maar heb, Heere!”

De Heere Jezus Christus is de inhoud van de prediking. Waar de prediking komt, daar is ook Christus. De prediking wijst op Christus. Ze zegt wat Hij is, en hoe in Hem de zaligheid wordt gevonden, en ze legt Christus neer aan de voeten van alle toehoorders of van alle mensen met wie ze in aanraking komt. Die wil, die kome, en neme van de wateren des levens om niet (Openb. 22:17).

(Uit: Catechisatie, 1 februari 1956 te Den Haag. Bundel 2000-’02, blz. 284.)


Instelling van de prediking; Wet en Evangelie

Voordat de Heere Jezus de aarde verliet, heeft Hij de prediking ingesteld. Wanneer Hij dit niet had gedaan, dan zou alles tevergeefs geweest zijn. Niemand zou geweten hebben wat Hij eigenlijk gedaan had. Want wat Hij gedaan heeft, dat heeft Hij niet voor Zichzelf gedaan. Dat moet nu de prediking ons bekendmaken. Hieruit ziet u, wat een betekenis de prediking heeft, en hoe waar het is wanneer er geschreven staat in Spreuken 29: “Als er geen profetie is, wordt het volk ontbloot” (vs. 18). Dan zinkt alles weg. Ik ben niet in staat om u te zeggen wat er dan gebeuren zal, als de prediking er niet meer is. Maar dan zal er alles gebeuren, behalve het goede. Ach, ik kan het toch niet zeggen, ik zal het nooit kunnen zeggen. Nooit heeft iemand het kunnen zeggen. Lees eens Romeinen 10: “Hoe zullen zij in Hem geloven, van Welke zij niet gehoord hebben? En hoe zullen zij horen, zonder die hun predikt?” (vs. 14). “Zo is dan het geloof uit het gehoor” (vs. 17). Overdenk eens deze spreuken, deze teksten. Hierom is de prediking van zo groot gewicht. Door de prediking wijst de Heere Jezus op Zichzelf en op Zijn werk en op de gezegende gevolgen van Zijn werk. En wanneer Hij dan op Zichzelf wijst, dan zegt Hij: Als u dit nu gelooft, dan ben Ik en het Mijne in uw bezit. “Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden” (Mark. 16:16). “Die God niet gelooft, heeft Hem tot een leugenaar gemaakt” (1 Joh. 5:10) en zegt van al wat niets anders dan leugen is, dat het waar is. Die niet gelooft, maakt God tot een leugenaar. Van wat niets anders is dan leugen zegt hij dat het waar is. Dat is mijn toestand van nature en de uwe. Zo zijn we allemaal. Zo leven wij nu. In zulk een vreselijke toestand bevindt ieder mens zich die buiten Christus is.

Aan de prediking van het Evangelie gaat de onderwijzing van de Wet vooraf. Om gelovig gebruik van Christus te kunnen maken, moeten we enige dingen weten. Ten eerste, dat wij door God goed geschapen zijn. Dat wij ons van Hem afgescheiden hebben. Dat we een Wet, die goed en heilig is en geestelijk, overtreden hebben. Dat deze Wet haar eis en bedreiging niet verloren heeft. Dat wij liggen onder het oordeel van een heilig en rechtvaardig God. Dat we machteloze wormen zijn. Vóór we tot het gelovig gebruikmaken van het Evangelie komen, moeten we deze dingen weten, bekennen, betreuren. We moeten erover verbroken zijn, verbroken en verslagen.

Bij de prediking van het Evangelie hoort het sacrament, dat van de Doop en dat van het Heilig Avondmaal.

(Uit: Preek over Johannes 21:15, 10 juni 1951 te Den Haag. Bundel 1991-’93, blz. 196-197.)


De prediking maakt onderscheid

Een prediking waarin niet wordt uiteengezet het onderscheid tussen Wet en Evangelie, is maar schijn; dat is geen prediking. En zulk een zogenaamde prediking heeft tot gevolg dat de mensen bedrogen worden. Want het komt alles aan op het onderscheid, op de kennis van het onderscheid tussen de Wet en het Evangelie, alles! Ik zou geen vrijmoedigheid hebben om aan te nemen dat u een begenadigd mens zijt, als u dit onderscheid niet in meerdere of mindere mate, meer of minder duidelijk, had leren kennen, het onderscheid tussen de Wet en het Evangelie. We kunnen het ook anders zeggen: de kennis van het onderscheid tussen de algemene werking des Heiligen Geestes en de bijzondere werking des Heiligen Geestes. Iemand die van dit onderscheid niets afweet, zou ik niet voor een begenadigd mens kunnen noch mogen houden, al was hij mijn eigen kind – niet kunnen noch mogen. Want er zijn twee Verbonden: er is een Verbond der werken en er is een Verbond der genade. Van het eerste moeten we losgemaakt worden. Hoe, dat moet ik, moet u weten. En in het tweede moeten we ingebracht worden. Wederom: hoe, dat moet ik, moet u weten. Deze dingen moeten wij elkaar kunnen vertellen. En wanneer men deze dingen verstaat, dan is dat een bewijs dat men van God geleerd is. Dezen zijn van God geleerd, zij die het onderscheid kennen tussen het ene en het andere Verbond, tussen de Wet en het Evangelie, tussen de algemene werking van de Heilige Geest en de bijzondere werking van de Heilige Geest. En de anderen kunnen noch mogen voor begenadigde mensen gehouden worden. Gebeurt dit toch, dan heeft er bedrog plaats, bedrog.

(Uit: Preek over Hooglied 1:4, 16 augustus 1953 te Den Haag. Bundel 2000-’02, blz. 394.)


De prediking een kenmerk van de Kerk

De prediking van het Evangelie is één van de kenmerken van de Kerk. En zo leert men haar ook kennen. Ze wordt genoemd de stem van Christus. Christus zegt, u weet het, in Johannes 10: “Mijn schapen horen Mijn stem” (vs. 27). Dit is geen stem uit de hemel, maar het is de prediking. De prediking is de stem van Christus, de zuivere prediking. En ieder die meent het predikambt te moeten waarnemen, heeft natuurlijk zich ervan te vergewissen of wat hij zegt, kan en mag en moet doorgaan voor de stem van Christus.

De prediking wordt genoemd het woord der verzoening, het woord der zaligheid, het woord des levens. Wanneer u nu al deze dingen eens overweegt, dan voelt u wel van hoe grote betekenis het is, dat men zich rekenschap geeft van de vraag wat toch eigenlijk de prediking is. (…)

Ik hoef u niet te zeggen, maar ik moet er u toch op wijzen, dat de prediking als prediking veel gezag heeft. Dat ze dit op het ogenblik niet heeft, dat is eenvoudig omdat dat gezag niet opgeëist wordt. U zult zeggen: “Wat is dat gezag?” Dat kunt u vinden in Johannes 20:23, daar staat: “Zo gij iemands zonden vergeeft, dien worden ze vergeven; zo gij iemands zonden houdt, dien zijn ze gehouden”. Dit voornamelijk is het gezag van de prediking. De prediking vergeeft; de prediking houdt iemand de zonde. Niet dat iemand die een mens is, in staat is om het bloed van Christus op iemands consciëntie te sprengen, waardoor de vergeving der zonden is. Maar de prediking zegt wanneer iemands zonden vergeven zijn, en ze zegt ook wanneer iemands zonden niet vergeven zijn. En dit voornamelijk is haar gezag.

Als de prediking het niet zegt, niet zegt wanneer iemand de zonden vergeven zijn of gehouden zijn, dan zegt op den duur niemand het. En waarom niet? Omdat niemand het meer weet! En dan is het: “Ziet hier is de Christus, en ziet daar is de Christus!” (…)

De prediking moet dus in waarde gehouden worden. Is ze er niet, dan moet dit worden, en wordt dit, beweend door degenen die de prediking in waarde houden. Dan wordt het gemis beweend, zodat men behoort tot “de bedroefden om der bijeenkomst wil” (Zef. 3:18), en zegt, zingt met de dichter van de 137e Psalm: “Indien ik u vergeet, o Jeruzalem, zo vergete mijn rechterhand zichzelf” (vs. 5). Want de waardij van een Kerk met de rechte prediking is met de hele wereld niet te vergelijken. Als een volk een Kerk met de rechte prediking mist, dan is het een arm volk. Bezit het haar, dan is het een recht gezegend volk.

(Uit: Catechisatie, 21 april 1954 te Den Haag. Bundel 1991-’93, blz. 219-222.)


Het Evangelie een blijde boodschap

Het Evangelie is zo volkomen terecht een blijde Boodschap. Wie het gelooft, wie het verstaat is een ander mens, een nieuw mens, wedergeboren, geboren uit God.

Wat is dan de inhoud van het Evangelie? De Opgestane, “Hij is opgestaan”, en dat is alles. Waar dit begrepen wordt, daar blijft de mens niet staande, zo min als de broeders van Jozef hebben kunnen staande blijven, toen Jozef deze woorden geroepen had: “Ik ben Jozef, uw broeder” (Gen. 45:4).

(Uit: Preek, 6 mei 1956 te Den Haag. Bundel 1982-’84, blz. 57.)