Zijn leven » Levensbeschrijving » Hoofdstuk 8

8. De jaren na 1945; zijn overlijden

Ziekte en herstel; minder diensten


De Lutherse Kerk aan de Hamburgerstraat
in Utrecht. In dit kerkgebouw ging ds.
Paauwe na de oorlog regematig voor.

Na de bevrijding, in het najaar van 1945, werd ds. Paauwe ernstig ziek. Hoewel voor zijn leven werd gevreesd, herstelde hij en na enkele maanden kon hij zijn werk gedeeltelijk hervatten. Vanwege zijn gezondheid en leeftijd sprak hij voortaan op zondag één keer, hetzij ’s morgens aan de Prinsegracht, hetzij ’s middags in de Waalse Kerk aan het Noordeinde. De tweede dienst verviel dus vanaf deze tijd. De eerste maanden voelde hij zich bovendien niet sterk genoeg om te reizen en preekte hij alleen in Den Haag. Pas op 10 juli 1946, voor het eerst sinds de oorlog, sprak hij weer in Bennekom en op 27 augustus in Utrecht. Bij beide gelegenheden gaf hij aan niet te weten of hij nog terug zou kunnen komen. Zijn gezondheid was nog niet wat het geweest was. Toch kwam er een verder herstel en is hij in beide plaatsen de jaren erna nog vele malen voorgegaan. Ook preekte hij nog een enkele keer in Middelharnis. In Delft, IJsselstein, Rotterdam, Woerden, en andere plaatsen waar hij vroeger vaak gesproken had, ging hij na de oorlog niet meer voor. Hoorders uit deze plaatsen en omgeving reisden voor de prediking voortaan naar Den Haag of Utrecht.

Ook doordeweeks preekte hij minder vaak. De catechisaties op vrijdagavond werden niet meer hervat, maar werden voortaan één of twee keer per maand gehouden op woensdagavond. Verder vonden de huwelijksbevestigingen meestal plaats op zondag en niet meer in afzonderlijke diensten. Zodoende preekte hij in de week alleen nog op woensdagavond of hield dan catechisatie. Op de catechisaties was hij in 1947 gekomen bij het hoofdstuk over de Wet in het vragenboekje van Hellenbroek. Bij dit onderwerp stond hij uitvoerig stil tot aan zijn dood in 1956, waarbij hij aan de hand van de eerste woorden van de Wet en het eerste gebod ook vele andere onderwerpen behandelde, waaronder het Werkverbond en het Genadeverbond, de verheerlijking van God, de almacht Gods, de kennis, de toestemming, het vertrouwen, de onderwerping, lijdzaamheid, hoop, liefde, hoogachting, de prediking, het predikambt, de belijdenis, afgodendienst, de gehoorzaamheid, enzovoort.

De omvang van zijn gehoor was aanzienlijk. Geschat wordt dat hij na de oorlog alleen al in Den Haag wekelijks voor 800 tot 900 belangstellenden optrad. Daarnaast had hij veel hoorders in Utrecht en Bennekom, afkomstig uit allerlei plaatsen. Op feestdagen preekte hij in Den Haag voor 1200 personen of meer. Vanaf 1945 werden door hem gemiddeld ongeveer 50 kinderen per jaar gedoopt. De doop bediende hij alleen onder zijn vaste hoorders. Op grond van het bovenstaande kan het aantal vaste kerkgangers voor deze jaren geschat worden op ongeveer 2000.

Reis naar Schotland; Nederlands-Indië; emigranten

In de zomer van 1947 maakte ds. Paauwe een reis naar Schotland waarbij hij logeerde bij een predikant van de Free Presbyterian Church. Aanvankelijk beoordeelde hij het contact met deze predikant en de in Schotland bijgewoonde kerkdienst positief. Later was hij hierin veel terughoudender. (1)

Diverse jonge mannen werden in de jaren 1947 tot 1950 uitgezonden naar Nederlands-Indië in verband met het optreden van het Nederlandse leger aldaar. Ds. Paauwe leefde met deze mannen en hun families mee en gedacht de jonge mannen vele malen in het gebed. Ook las hij een keer tijdens de catechisatie een brief voor die hij uit Indië had ontvangen.

In de eerste maanden van 1949 moest ds. Paauwe geruime tijd wegens ziekte verzuimen. Hiervan herstelde hij en ging vanaf 6 maart weer voor in korte diensten.

Verschillende jonge mensen emigreerden aan het eind van de veertiger en in het begin van de vijftiger jaren naar Australië, Nieuw-Zeeland en Canada. Hoewel ds. Paauwe zich gematigd opstelde, betreurde hij het dat ook onder zijn hoorders verscheidenen deze keuze maakten. Zolang de ware prediking in Nederland nog kon worden gehoord en dit voor het land van bestemming allerminst vaststond, meende hij dat men in ons land onder deze prediking diende te blijven. Dit laat onverlet dat hij de geëmigreerden diverse malen in het gebed gedacht.

In 1951 begonnen de heren J. Ros en J. Verwolf uit Scheveningen met het opnemen van preken en catechisatietoespraken met behulp van een draadrecorder. In die tijd was dit een zeer modern en kostbaar apparaat. In 1955 werd de draadrecorder vervangen door een bandrecorder. Met behulp van deze apparatuur werd het overgrote deel van de preken en catechisatietoespraken van ds. Paauwe tussen maart 1951 en mei 1956 opgenomen. (2)

De kerkorde van 1951; geen kerkherstel

Op 1 mei 1951 trad in de Nederlandse Hervormde Kerk een nieuwe kerkorde in werking. In de ’s-Gravenhaagse Kerkbode verscheen een artikel van dr. A.J. Bronkhorst waarin hij betoogde dat de kwestie die in 1914 leidde tot de afzetting van ds. Paauwe onder de nieuwe kerkorde heel anders geregeld was. Om in een andere gemeente belijdenis des geloofs af te kunnen leggen, was nu toestemming van de eigen kerkenraad nodig, wat eerder niet het geval was. Deze toestemming kon onder de nieuwe kerkorde ook om andere redenen dan niet-zedelijk gedrag worden geweigerd. Daarmee was ds. Paauwe wat zijn principiële protest betreft door de Nederlandse Hervormde Kerk stilzwijgend in het gelijk gesteld, aldus dr. Bronkhorst. (3) Ds. Paauwe beoordeelde de nieuwe kerkorde echter niet positief. (4) Alle pogingen die werden aangewend tot reformatie van de kerk zag hij als louter mensenwerk. Dit gold niet alleen de Nederlandse Hervormde Kerk, maar ook andere kerken. Zijn houding blijkt bijvoorbeeld duidelijk uit het volgende citaat uit 1954:

“Het is buiten alle twijfel dat de stichting van de Nederlandse Hervormde Kerk een werk Gods was. God heeft in deze landen de Nederlandse Hervormde Kerk gesticht. De stichting van deze kerk was een werk Gods – niet zonder gebrek, niet zonder zonde; zonder gebrek en zonder zonde wordt hier niets gedaan – het was een werk Gods. Maar deze kerk is afgegleden van haar belijdenis, zó dat iemand die op de kansel van deze kerk staat, vrijheid heeft om te verkondigen wat hij wil. En zover zelfs kan zijn prediking gaan dat hij ontkent dat Jezus bestaan heeft. Aan haar geven wij ons niet over. Ik heb in mijn lange leeftijd veel kerken zien verrijzen, heel veel. Is van één van deze kerken te zeggen dat ze een werk Gods is, en dat haar stichting een wederkeer geweest is tot de Waarheid gelijk ze in Jezus Christus is? Ons antwoord is ontkennend. Aan niet één van al deze kerken geven wij ons. Wij geven ons aan allen die God vrezen, die met de apostel Paulus zeggen: ‘Maar hetgeen mij gewin was, dat heb ik om Christus’ wil schade geacht’ (Filipp. 3:7). En als u de dingen verstaat, en zo hebt gehandeld, dan zult u zeggen: ‘Zo hoop ik te leven en te sterven, bewaard ervoor te mogen blijven om ooit mijn voet over de drempel van welke kerk ook te zetten.’ En als u mij nooit meer hoort – dat kan zijn, want ik ben zeker niet jong meer – dan moogt u dit ten aanzien van deze zaak beschouwen als mijn laatste woord.” (5)

Een nieuw ziekbed; de laatste jaren; zijn overlijden en begrafenis

Op bijna 81-jarige leeftijd werd ds. Paauwe in oktober 1953 opnieuw ernstig ziek. Gevreesd werd dat dit ziekbed ook zijn sterfbed zou worden. Toen de ziekte op het hevigst was maakte de Heere hem echter bekend dat hij weer zou worden opgericht en dat hij nog enige tijd het Woord zou bedienen. Hij vertelde dit in de eerste korte preek na zijn herstel op 10 januari 1954:

“Uit een zware ziekte wilde de Heere mij doen opstaan. Toen deze ziekte op zijn ergst was, ontving ik de bekendmaking, niet alleen dat ik zou herstellen, maar ook dat ik, hetzij aan mijn ziekbed hetzij op de preekstoel, de grote daden des Heeren zou mogen verkondigen. Zo ziet gij mij dan weer voor u, want wat de Heere belooft, zegt of voorzegt, dat is eeuwig zeker, want Hij is een waarmaker van Zijn Woord.” (6)

In maart 1954 ging hij voor een korte vakantie naar Merano in Noord-Italië, een door zijn huisarts aanbevolen oord. In september nam hij tien dagen rust. Ook in het daaropvolgende jaar had hij tweemaal een korte vakantie. De winter van 1955 op 1956 kwam hij nog goed door. Hij voelde zich echter niet helemaal goed wat betreft zijn maag en ingewanden. Ook kreeg hij meer last van suikerziekte. Op 21 maart 1956 hield hij zijn laatste catechisatietoespraak (zoals later bleek). In deze catechisatie behandelde hij uitgebreid het aanbod van genade met een weerlegging van tegenwerpingen en bezwaren die tegen deze leer konden worden ingebracht. (7) Op 4 april bediende hij in Bennekom voor de laatste keer het Heilig Avondmaal.

Op 9 april vertrok hij voor vier weken vakantie naar Merano. Bij de aanvang van de reis zei hij: “Wat ben ik begonnen, vier weken. Ik heb mijn hele leven zo’n lange vakantie niet genomen. Ik zie er erg tegenop.” (8) In Italië bezocht hij een arts en aan het eind van zijn vakantie een specialist, die hem aanraadde direct terug te keren omdat hij dit anders niet meer zou kunnen. Nadat hij op 3 mei thuisgekomen was, ging hij snel achteruit. Op zondag 6 mei was hij nog in staat om een korte dienst te houden. Vier dagen later, op Hemelvaartsdag 10 mei 1956, hield hij zijn laatste preek, die door hem in grote zwakheid en met lange adempauzes werd uitgesproken.

De dag na Hemelvaartsdag bleek het nodig dat hij in het ziekenhuis werd opgenomen. Op 18 mei werd hij geopereerd, waarbij een ernstige vorm van kanker werd geconstateerd. Men probeerde nog van alles te doen om het lichaam weer te laten functioneren en even scheen het alsof er een opleving was. Zelf was hij na zijn operatie onwetend van de ernst van zijn kwaal en had aanvankelijk nog hoop op herstel. Zijn krachten namen echter af en spoedig kon hij nauwelijks nog eten opnemen. Tijdens zijn verblijf in het ziekenhuis namen velen afscheid van hem en sprak hij hen ook persoonlijk toe. In de vroege morgen van vrijdag 6 juli 1956 is ds. Paauwe op 83-jarige leeftijd ontslapen.

De begrafenis vond onder zeer grote belangstelling plaats op dinsdagmiddag 10 juli. Velen hadden zich verzameld in het kantoor van de heer J.H. Koolschijn, nabij de woning van de overledene. Gezongen werd Psalm 123 vers 1, waarna de heer J. van Dis uit Middelharnis Jesaja 64 voorlas. Daarna ging men naar het sterfhuis om zich achter de volgrijtuigen van de lijkkoets aan te sluiten. Inmiddels had zich op de begraafplaats Oud Eik en Duinen een grote menigte verzameld. Nadat de overledene in de aula was opgebaard, werd daar (en wegens het grote aantal aanwezigen ook buiten) gezongen Psalm 74 vers 9 en 19. Volgens de wens van de overledene werd niet gesproken, maar alleen gelezen uit Gods Woord. De heer J. Ros uit Scheveningen las bij het graf Psalm 103. Ten slotte werd nog gezongen Psalm 72 vers 11. (9) Na een dankwoord van de zoon van de overledene, mr. B.W.F. Paauwe, was de plechtigheid ten einde.

Geen opvolging

Een opvolger heeft ds. Paauwe niet gehad en ook niet gezocht. Zijn eigen bediening vond plaats buiten een geordend (geïnstitueerd) kerkverband en had in dit opzicht reeds een buitengewoon karakter. Geheel onmogelijk achtte hij het niet dat later nog iemand in Nederland zou worden geroepen om buiten de bestaande kerken het Evangelie te verkondigen. Dat dit juist zou plaatsvinden in de groep mensen die zich om hem had geschaard, was voor hem echter niet vanzelfsprekend. In 1946 zei hij hierover:

“Er is mij al vele malen gevraagd: ‘Maar dominee, als u er niet meer is, wat dan?’ Er is ook wel eens gesproken over opvolging. Ik verbaas mij over de onnozelheid van dergelijke vragen. (…) Waar was ik toch veertig jaar of langer geleden? Ik bestond niet als prediker. Is God nu dood? Kan Hij, zo het Hem behaagt, niet voor of na mijn heengaan zorgen dat er iemand is die Wet en Evangelie predikt? Mensen, laat toch de dingen aan God over en spreek er niet van, spreek er met geen woord van! Je moet toch niet iets toevoegen aan de alwetendheid Gods? En wat betreft de opvolging – ach, als ik er niet meer ben, dan gaat minstens de helft van u zijn eigen weg en er wordt een heenkomen gezocht; minstens de helft, zo niet allen op een enkele uitzondering na! Veronderstel dat de prediking van Wet en Evangelie wordt gegeven, dan zou er een man komen die van niets afweet – want het vergaderen van de Gemeente van Christus is Gods werk – en hij zou uitzien naar de Heere en wachten op de God zijns heils (Micha 7:7). En wat zal God dan doen? Die zal Zijn Gemeente vergaderen en brengen onder het gehoor, hier of elders, waar ook. Het is toch ook niet gezegd, dat het hier moet blijven? Dus laat God zorgen. Hij alleen weet het en als ’t Hem behaagt, dan maakt Hij het mij of u bekend.” (10)

Zijn houding hierin komt bijvoorbeeld ook tot uitdrukking in het gebed na de preek op 1 januari 1952. Hij zei hierin het volgende:

“En nu staan we gereed om weer uit elkander te gaan. De eerste predikatie [in dit jaar] is gedaan. Of er nog vele volgen zullen, het is U bekend. Maar het allerbelangrijkste is dit toch nog niet. Belangrijk is het wel, maar niet het allerbelangrijkste. Wanneer alle ware leraren dood waren en Gij leefde, dan zou het toch nog goed wezen, zo het voor ons leefde en in ons leefde, Heere. Maar, zo het mogelijk is, laat de prediking nog wat blijven, door wie dan ook gesproken, want Gij zijt alleen maar gebonden aan Uw eigen werk. Maar als er gevonden worden die zich straks opwerpen, laat ons dan denken aan het woord: ‘En zij zullen velen verleiden, indien het mogelijk ware ook de uitverkorenen.’ ” (11)

Dat er altijd een prediking op aarde zou zijn, heeft ds. Paauwe duidelijk geleerd. (12) Tegelijk was hij ervan overtuigd dat God geheel vrij is om deze prediking in ons land nog te geven of ergens anders.

Het belang van zijn prediking; zijn laatste preek

Het grote belang van het optreden van ds. Paauwe ligt in zijn prediking en de handhaving van de beginselen van de oude Nederlandse Hervormde Kerk. (13) Hij had, in overeenstemming met de woorden die in de Bennekomse periode tot hem gekomen waren, dieper mogen graven, en meer gruwelen gevonden zowel in de kerk als in zijn eigen hart. (14) Dit uitte zich ook in zijn prediking waarin het onderscheid tussen het ware en het valse sterk naar voren kwam. De noodzaak van een persoonlijke en zaligmakende kennis van Christus en Zijn weldaden, welke kennis geschonken wordt wanneer God in Christus Zich door Zijn Woord en Geest inwendig en geestelijk aan de mens openbaart, had in zijn prediking alle nadruk. Zijn prediking is voor velen tot zegen geweest, niet alleen tijdens zijn leven, maar ook daarna. Bijna duizend preken en catechisatietoespraken zijn bewaard gebleven en laten een getuigenis na. (15) Van hem kan worden gezegd: “En door hetzelve geloof spreekt hij nog, nadat hij gestorven is” (Hebr. 11:4).

Ter afsluiting van deze levensbeschrijving volgt het slot uit zijn laatste preek op 10 mei 1956:

“Wat doet nu de Gemeente? Zij gelooft. Wanneer een mens gezien en erkend, en met schaamte en smart beleden heeft dat hij zich niets anders heeft waardig gemaakt dan de eeuwige rampzaligheid, en als hij ontdekt is aan zijn machteloosheid, en Jezus Christus Zich in hem geopenbaard heeft als ‘de Weg, de Waarheid, en het Leven’ (Joh. 14:6), dan is er geloof, en dan vangt het geloof zijn gezegende werking aan. De gelovige, dit alles nu verstaande, rekt en strekt zich uit naar Jezus. ‘Jezus is het alleen, waar mijn hart trekt heen.’ Er is van het geopenbaarde een trekking uitgegaan, en door deze trekking wordt de mens getrokken, Johannes 6 vers 44, zolang, tot hij bij Jezus in de hemel is. En daar omhelst hij Christus. Hij omhelst Christus, en eigent zich toe hetgeen door Hem is verworven, en nu ziet hij dat Christus op grond van de vrije belofte van het Evangelie hem toebehoort.

Is het dan niet begrijpelijk dat hij aanvangt te zingen: ‘Zijn Naam moet eeuwig eer ontvangen’, dat hij daar staat of ligt in grote verbazing en in diepe verwondering, dat hij niet kan nalaten God te danken: ‘Geloofd zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden’ (1 Petr. 1:3)?

Hierop wilde ik u wijzen. Er zijn twee zaken die voor ieder mens onmisbaar zijn. De ene is deze: het geloof dat in Christus de zaligheid is, en buiten Hem zwarte duisternis. Wereld, gij zult het te weten komen! Wereldse mens, gij zult eenmaal verstaan dat er buiten Jezus geen leven is, maar een eeuwig zielsverderf! De tweede zaak die ge verstaan moet, is de volgende: Gij moet in uw hart vastelijk geloven dat Jezus Christus met al Zijn schatten en gaven door de belofte van het Evangelie van de Vader u wordt aangeboden. Waar dit laatste niet is, ach, ik bid u, houd het er toch niet voor dat er geloof zou zijn. Onder de Wet is geen evangelisch geloof, en als ge toch denkt, doordat gij wel eens wat ondervindt, dat ge een klein geloof bezit, dan moet ik u deze illusie benemen – gij bedriegt u! Maar waar deze twee zaken worden geloofd, daar ís het geloof, en waar het geloof is, daar is de rechtvaardigmaking, daar is de heiligmaking, en daar zijn vele andere zegeningen. Nooit moet u aannemen dat er een geloof zou kunnen wezen zonder rechtvaardigmaking en heiligmaking, want deze twee zegeningen zijn de vruchten van het geloof, ofschoon er nog vele andere als vruchten van het geloof kunnen worden aangemerkt. Amen.” (16)

Terug naar levensbeschrijving

Noten hoofdstuk 8

(1) Op zijn eigen verzoek is de catechisatietoespraak waarin hij over dit bezoek verslag uitbracht, niet in druk verschenen.
(2) Totaal gaat het om ongeveer 380 geluidsopnamen. Deze opnamen werden met toestemming van ds. Paauwe gemaakt.
(3) Het artikel van dr. A.J. Bronkhorst verscheen in de ’s-Gravenhaagse Kerkbode van 1 september 1951, jaargang 65, nummer 48. Directe aanleiding was het 50-jarig ambtsjubileum van ds. Paauwe. Ds. Paauwe had van meet af aan geen enkele verwachting van de nieuwe kerkorde. Dit blijkt bijvoorbeeld uit een preek op 10 juli 1946 te Bennekom: “Wat er gedaan werd in deze dagen, in dit laatste jaar, om haar [de Nederlandse Hervormde Kerk] zogenaamd te herstellen, zal de toestand van die kerk alleen nog maar erger maken!” Bundel 1942-’47, aflevering juli 1947, blz. 6. De commissie die de nieuwe kerkorde moest opstellen was in december 1945 met haar werk begonnen.
(4) Zie bijvoorbeeld de catechisatie-toespraak op 23 september 1953 te Den Haag: “Is er van de nieuwe kerkorde iets te verwachten? Is er iets te verwachten van de Nederlandse Hervormde Kerk? Met mijn ganse hart zeg ik: Neen! En ik ben in ’t diepst van mijn ziel ervan overtuigd dat dit ook openbaar zal worden. Met te trachten haar te reformeren verteert zij het restje aan krachten dat er mogelijk nog in gevonden wordt. Veranderingen die wij aanbrengen, zijn en blijven zonder betekenis. In deze opmerking formuleer ik mijn oordeel.” Bundel 1951-’54, blz. 642. Idem de catechisatie-toespraak op 5 januari 1955: “Men heeft nu wel een andere kerkorde gekregen, maar van wie hebben we deze kerkorde? Zijn het mannen Gods die ons deze kerkorde gegeven hebben?” De Nederlandse Hervormde Kerk na 1816, tweede druk 2004, blz. 84.
(5) Preek op 18 augustus 1954 te Bennekom, Bundel 2003-’05, blz. 348.
(6) Preek op 10 januari 1954 te Den Haag, Bundel 1951-’54, blz. 654. Zie ook de preek op 28 maart 1954 te Den Haag. Na het zingen van Psalm 118 vers 7 en 8 zei hij: “Dat achtste vers heeft voor mij een zeer bijzondere betekenis. Toen mijn langdurige ziekte op zijn ergst en gevaarlijkst was, wilde de Heere met dit versje, althans met een gedeelte daarvan, me zeggen dat ik niet alleen nog zou worden opgericht, maar dat ik ook nog enige tijd in het werk van de bediening des Woords zou wezen.” Bundel 2003-’05, blz. 170. Idem preek op 6 oktober 1954, Bundel 1951-’54, blz. 806.
(7) Catechisatietoespraak op 21 maart 1956 te Den Haag, Bundel 2003-’05, blz. 90-96.
(8) J.H. Koolschijn, Leven en werk van ds. J.P. Paauwe, 1981, blz. 49.
(9) Het lezen van Psalm 103 door de heer J. Ros vond plaats op verzoek van de overledene. De keuze van de psalmverzen vond plaats na het overlijden in overleg met de familie. J.H. Koolschijn, Leven en werk van ds. J.P. Paauwe, 1981, blz. 51-52. Psalm 72 vers 11 was een zeer geliefd psalmvers van de overledene, die dit vers ook in zijn laatste preek nog geciteerd had. Het zingen van Psalm 74:9 met de regels: “Niet één profeet is ons tot troost gebleven; geen sterv’ling weet hoelang dit duren zal” trok in de pers de aandacht en leverde veel kritiek op.
(10) Preek op 10 februari 1946 te Den Haag, Het gebed, blz. 59. Idem Bundel 1948-’50, blz. 193.
(11) Preek op 1 januari 1952 te Den Haag, Bundel 1997-’99, blz. 136.
(12) Zie bijvoorbeeld de preek op 10 april 1949 te Den Haag: “Ik heb gezegd: er zijn altijd kinderen Gods. Maar er zijn ook altijd predikers!” Lijdenspreken uit de jaren 1946-1950, blz. 235. Idem de preek op 2 april 1952 te Bennekom: “Het eerst is er gepredikt door de Heere, en vanaf dat ogenblik heeft de Heere ervoor gezorgd dat de prediking op aarde bleef. Ze wordt gehaat met een gloeiende haat. Maar er is niets tegen te beginnen. Ze blijft, hier of elders, waar ook.” Bundel 1994-’96, blz. 406.
(13) Met de ‘oude Nederlandse Hervormde Kerk’ bedoelen wij de Nederlandse Hervormde Kerk in haar bloeitijd in de zestiende eeuw en het begin van de zeventiende eeuw.
(14) Zie hiervoor hoofdstuk 3.
(15) Tot en met 2007 zijn circa 950 preken en catechisatietoespraken in druk verschenen. Ongeveer 635 hiervan waren al tijdens het leven van ds. Paauwe gepubliceerd. Ongeveer 100 preken zijn in het Engels vertaald en in zes deeltjes in kleine oplagen gedrukt.
(16) Preek op 10 mei 1956 te Den Haag. Bundel 1955-’57, blz. 324-325. Idem in: Preken voor de christelijke feestdagen, 2007, blz. 279-280.

Terug naar levensbeschrijving