Zijn leven » Levensbeschrijving » Hoofdstuk 7

7. Tijdens de oorlog

Het uitbreken van de oorlog


ds. Paauwe op 65-jarige leeftijd
(1938)

In 1939 brak de Tweede Wereldoorlog uit en op 10 mei 1940 kwam ook ons land in oorlog. Ds. Paauwe had het uitbreken van een oorlog reeds lange tijd verwacht (1), al sloot hij in 1939 het nog niet uit dat een oorlog met Duitsland zou worden afgewend. In zijn preek op nieuwjaarsdag 1940 over Deuteronomium 33:27a: “De eeuwige God zij u een woning” zei hij onder andere het volgende:

“Is u vol zorg voor de toekomst? Het is een donkere toekomst! 1940 schijnt het jaar van de oorlog te zijn. Ik zie de zaak zelf óók donker in. Als nu de wens van Mozes wordt verhoord, dan is het toch enkel licht. Daarom moet u, als u tot dit ogenblik buiten God leefde, toch niet buiten God blijven leven. Het kan zo bar worden in dit jaar! Andere volken ondervinden het reeds.” (2)

Toen de oorlog werkelijk uitgebroken was, zei hij in zijn toespraak op 21 mei 1940:

“Toehoorders, wat is het plotseling gekomen! Onverwacht, dat kan ik niet zeggen. Ik heb het verwacht en ik heb nooit anders verwacht. Ja, ik wist dat het komen zou, ik wist het al meer dan twintig jaar. Ook anderen hebben het geweten en ik heb in deze dagen gedacht aan de bekende ds. Theodorus van der Groe, die ongeveer 200 jaar geleden het Evangelie bediende op een plaats, die, naar ik hoor, vreselijk geteisterd is: Kralingen. Deze man heeft openlijk bekendgemaakt wat nu geschied is, maar men heeft hem niet geloofd.” (3)

Ook wees hij in deze toespraak op de diepere oorzaken van de oorlog:

“Ik heb in deze dagen gedacht aan Gods lankmoedigheid, want, ik heb het u reeds gezegd, dit was al ongeveer 200 jaar geleden bekendgemaakt. Ongeveer twee eeuwen heeft het Opperwezen uitgesteld of wij ons misschien nog zouden bekeren. Wij hebben ons niet bekeerd! Wij hebben gewerkt aan de zuivering van de kerk en andere kerken gebouwd. Wij hebben gedaan aan christelijke arbeid, maar wij hebben ons niet bekeerd! Wij hebben naar God niet gevraagd! Wij hebben geen schuld beleden om de breuk van de Kerk, om de breuk van land en volk! En toehoorders, dat is een zeker bewijs dat God doorgaat en Hij is doorgegaan, want God komt om Zijn recht, ook bij het Nederlandse volk.” (4)

Verder wees hij er op, dat nog een veel zwaarder oordeel ons land had kunnen treffen:

“Ach, er is zoveel gebeurd en degenen, die uit Rotterdam gekomen zijn vanavond, weten dat beter dan ik. Ik heb er zelf niet veel van gezien. Maar hoeveel er ook gebeurd is, heeft God niet genadig gehandeld? Men zegt dat van Rotterdam een groot gedeelte een puinhoop is. Had God dit van Delft, van Amsterdam, van Den Haag, van Utrecht, van zovele andere steden en dorpen ook niet kunnen maken? En hoe nabij is zulk een veel grotere verwoesting niet geweest? Dat is de lankmoedigheid van God, van Hem Die gezegd heeft: ‘Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo Ik lust heb in de dood des goddelozen! Maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve’ (Ezech. 33:11).” (5)

Houding tegenover de bezetter

Ds. Paauwe wees zijn hoorders erop nuchter te zijn en geen haat te kweken. Hoewel sprake was van een bezetting, werd de vreemde overheid toch als overheid door hem erkend. In de ‘Maandelijksche Mededeeling’ van september 1940 werd door de heer Bastmeijer, ongetwijfeld met medeweten van ds. Paauwe, een preek geplaatst van dr. H.F. Kohlbrugge over de verhouding tot de overheid naar aanleiding van 1 Petrus 2:11-17, onder andere de woorden: “Zijt dan alle menselijke ordening onderdanig, om des Heeren wil”. In deze preek leert Kohlbrugge de gehoorzaamheid van de gelovige aan de overheid ongeacht de regeringsvorm, hetzij “constitutioneel, republiek of despotisme”. “En zo eert hij de koning, hij hete nu Nero of vader zijns volks.”

Het bovenstaande neemt niet weg, dat ds. Paauwe de Duitse macht als vreemde overheid bleef zien en zich voluit verbonden voelde met het Nederlandse volk. Dit laatste bracht hij ook vanaf de preekstoel tot uitdrukking. Zo zei hij op 31 augustus 1941:

“Ik ben niets beter dan wie ook. Daarom, omdat ik zeggen mag dat ik de voornaamste van alle zondaren ben, ben ik mij één blijven voelen met mijn volk. Met mijn volk, met het Nederlandse volk wens ik te leven, ware het nodig, te sterven!” (6)

Op oudejaarsdag 1941 citeerde hij zelfs het bekende woord van Willem van Oranje: “Met de Potentaat der potentaten heb ik een verbond gemaakt, en dit is de oorzaak dat ik goedsmoeds ben”, hoewel hij deze uitspraak betrok op het geestelijke en geen parallel trok met de oorlog. (7)

Tot enige vorm van verzet heeft ds. Paauwe nooit opgeroepen. Zijn prediking werd geheel ingenomen door geestelijke zaken. Toen aan het eind van de oorlog vele jonge mannen, ook onder zijn hoorders, zich onttrokken aan de verplichting om in Duitsland tewerkgesteld te worden, keurde hij dit echter zeker niet af.

Jubileum in 1941; registratie van de Vrije Hervormde Gemeenten

Bij het 40-jarig jubileum als predikant verscheen in 1941 in het augustusnummer van de ‘Maandelijksche Mededeeling’ een door ds. Paauwe gedicteerde autobiografie met als titel ‘Ds. Paauwe vertelt ons’. (8) Hierin gaat hij in op zijn periode als predikant in de Nederlandse Hervormde Kerk en de geschiedenis van zijn afzetting. Tussen deze autobiografie en enkele van de catechisatietoespraken over de Nederlandse Hervormde Kerk uit 1938 bestaat veel overeenkomst.

De Duitse bezettingsmacht maakte het in 1941 noodzakelijk om de tot dusver naamloze gemeenten van ds. Paauwe te registreren. Dit vond plaats door ondertekening van een verklaring door H.J. Mekking te Bennekom, G. van der Wilt te Utrecht, J. van der Wildt te Delft en J.C. van der Zeeuw te ’s-Gravenhage, waarin zij verklaarden “namens de respectieve Besturen der Vrije Hervormde Gemeenten te Bennekom, Utrecht, Delft, en ’s-Gravenhage, dat de Weleerwaarde Heer Ds. J.P. Paauwe, die van 1901 tot 1907 te Yerseke en van 1907-1914 te Bennekom Predikant was der Nederlands Hervormde Kerk, na zijn uittreden uit deze Kerk, sedert 1914 zich als Predikant verbonden heeft aan de Vrije Hervormde Gemeenten te Bennekom, Utrecht, Delft en ’s-Gravenhage. 1 juni 1941.” (9)

In de loop van 1942 werd ook de naam van het maandblad gewijzigd in ‘Maandelijksche Mededeeling der Vrije Hervormden (Ds. J.P. Paauwe)’. De benaming ‘Vrije Hervormden’ bleef gehandhaafd tot 1951. Vanaf april 1943 werd het aantal bladzijden van de ‘Mededelingen’ wegens papierschaarste teruggebracht. Tussen september 1944 en april 1946 moest de verschijning zelfs geheel worden onderbroken.

Verder optreden tijdens de oorlog

In Den Haag werd begin 1941 het De Ruyterstraatcomplex door de Duitsers gesloten, zodat de diensten daar niet meer konden plaatsvinden. Alle samenkomsten vonden nu plaats in de zaal aan de Prinsegracht 4. Daar was het echter ’s middags rumoerig, zodat gezocht werd naar een andere plaats. In eerste instantie werd dat de kerk van de Vrijzinnig Hervormden aan de Beeklaan. Doordat dit gebouw in het ‘Sperrgebiet’ kwam te liggen, werd vanaf 1943 gebruik gemaakt van de Waalse kerk aan het Noordeinde. Vanaf die tijd sprak ds. Paauwe beurtelings op de Prinsegracht en in de Waalse kerk.

Ondanks zijn toenemende leeftijd bleef ds. Paauwe ook in de oorlogsjaren in andere plaatsen voorgaan. Het aantal plaatsen waar hij kwam, nam echter af. In Rotterdam, Mijdrecht en Woerden sprak hij na 1942 niet meer. De preekbeurten in Bennekom, Utrecht, Delft en een enkele keer IJsselstein en Middelharnis bleven echter nog enige tijd doorgaan. Vanaf de spoorwegstaking in september 1944 was het met het reizen gedaan en vonden alleen nog diensten plaats in Den Haag.

Nu het reizen naar Bennekom niet meer mogelijk was, bediende ds. Paauwe de sacramenten in Den Haag. Na de oorlog bleef hij hiermee doorgaan en bediende de Heilige Doop in Bennekom, Den Haag en Utrecht en het Heilig Avondmaal in Bennekom en Den Haag. De laatste twee jaar van zijn leven werd het Avondmaal weer alleen in Bennekom bediend en reisden zijn hoorders uit Den Haag en andere plaatsen hiervoor naar Bennekom.

Ook tijdens de oorlogsjaren leefde ds. Paauwe mee met zijn hoorders, ook bij alle moeilijkheden als gevolg van de bezetting. Persoonlijk zette hij zich er voor in dat in de hongerwinter van 1944/1945 verschillende kinderen uit Den Haag en Scheveningen ondergebracht werden op boerderijen, vooral in de Utrechtse Vechtstreek.

Aan het eind van de oorlog had ds. Paauwe geestelijke werkzaamheden met betrekking tot de oorlogssituatie. Hierover schrijft hij in een brief van 6 december 1945:

“Geachte Mej. S.
U wenste graag iets te weten van enige werkzaamheden, die ik in het laatste gedeelte van de oorlog heb gehad. U weet, dat in de vorige winter de spanningen erg groot waren. De V-wapenen, de bombardementen, de honger, de inundatie, de gevechtshandelingen.
We wisten, dat de vijand niets zou ontzien en het scheen, dat wij met een gehele ondergang werden bedreigd. (10) Ik had het er zeer moeilijk onder. Daar komt echter de vraag, of ik niet weet dat een gebed alles kan veranderen. Mijn aandacht werd gevestigd op Achitofel. De Heere gaf mij te bidden. Mijn pleitgrond hierbij was, dat er nog meer dan tien rechtvaardigen onder ons werden gevonden. Ik werd een grote kracht gewaar, en ik geloofde, dat deze kracht, de kracht des Heeren, zich stelde tegen Duitsland.
Korte tijd daarna hoorden wij de V-1 en V-2 niet meer. Dit was al meer gebeurd. Er was dan, zo meende men, geen toevoer. Het was echter afgelopen. We hebben deze wapenen niet meer gezien. Enige tijd later zei ik tot de Heere: ‘Heere, Gij hebt mij toch ook te bidden gegeven tegen de oorlog!’ Spoedig daarop, toen wij geen voedsel meer hadden voor het Westen en wij elke dag hier de strijd konden verwachten, werden de vijandelijkheden gestaakt. Door Gods genade had ik nog weer iets leren kennen van de kracht des gebeds. Soli Deo Gloria!
Met hartelijke groeten, J.P. Paauwe.
P.S. Enige dagen na het einde zag ik de oude Scheveningseweg. Het was daar tijdens de bezetting altijd heel druk geweest. Het was er nu zo stil. Ik dacht aan de woorden: ‘Ik heb gezien een gewelddrijvende goddeloze, die zich uitbreidde als een groene inlandse boom; maar hij ging door, en zie hij was er niet meer; ik zocht hem, maar hij werd niet gevonden.’ ”

Volgend hoofdstuk

Noten hoofdstuk 7

(1) Zie bijvoorbeeld de preek op 31 augustus 1941 te Den Haag ter gelegenheid van zijn 40-jarig ambtsjubileum: “Toen ik nu 27 jaren geleden hier ben gekomen, woedde de wereldoorlog. Ik heb toen gezegd, wijl de Hemel mij zo onderwezen had, dat wij, het Nederlandse volk, zouden blijven buiten de oorlog. Maar ik hoorde ook iets anders in die tijd: Er komt nóg een oorlog, en wanneer deze gekomen is, dan zal het volk van Nederland er niet buiten blijven; het zal zijn onafhankelijk volksbestaan verliezen.” Bundel 1985-’87, blz. 262. In een catechisatie-toespraak op 3 juni 1938 te Den Haag zei hij: “Nu ben ik van plan – indien ik het beleef – met Nederland onder te gaan en voor mijzelf geen veiligheid te zoeken.” Zie verder het hiernavolgende citaat uit de toespraak op 21 mei 1940.
(2) Preek op 1 januari 1940 te Den Haag, Bundel 1982-’84, blz. 429.
(3) Toespraak op 21 mei 1940 te Delft, Bundel 1985-’87, blz. 55.
(4) Toespraak op 21 mei 1940 te Delft, Bundel 1985-’87, blz. 55.
(5) Toespraak op 21 mei 1940 te Delft, Bundel 1985-’87, blz. 57.
(6) Preek op 31 augustus 1941 te Den Haag, Bundel 1985-’87, blz. 261.
(7) Preek op 31 december 1941 te Den Haag, Bundel 1942-’47, aflevering 1/44, blz. 3.
(8) In de uitgave werd tevens opgenomen de preek over Daniël 3:16-18 op 2 november 1913. Naar deze preek wordt door ds. Paauwe in zijn autobiografie verwezen. Heruitgaven verschenen in 1950 en 1995. In deze heruitgaven werden ook twee jubileumpreken uit 1947 opgenomen en enkele fragmenten van Luther en Zwingli.
(9) Wat opvalt aan deze verklaring is dat ds. Paauwe deze zelf niet heeft getekend.
(10) Ter toelichting op de situatie in Den Haag noemen wij de volgende feiten. In de periode september 1944 tot maart 1945 bestookten de Duitsers de stad Londen vanuit Den Haag met V2-raketten waarbij meer dan 2500 Britten om het leven kwamen. Meer dan duizend lanceringen vonden vanuit Den Haag plaats. Diverse lanceringen mislukten waardoor de projectielen al in Den Haag neerstortten waarbij vele doden vielen. De raketten stonden op verrijdbare lanceerinrichtingen en de Duitsers gebruikten steeds verschillende locaties in Den Haag om deze wapens af te vuren. Op deze wijze werden de bewoners van Den Haag gebruikt als levend schild tegen de verwachte luchtacties van de Geallieerden. Bij een zwaar bombardement van de Geallieerden op 3 maart 1945 vielen de bommen niet op de beoogde doelen, maar op de dichtbevolkte Haagse woonwijk Bezuidenhout. Hierbij kwamen minstens 500 burgers om en werden 430 mensen vermist. Ongeveer 4500 huizen werden verwoest of zwaar beschadigd. Schattingen van het aantal daklozen lopen uiteen van 12.000 tot 30.000.

Volgend hoofdstuk