Zijn leven » Levensbeschrijving » Hoofdstuk 6

6. In de jaren twintig en dertig

Uitgave van preken; de inhoud van zijn prediking

Vanaf 1922 kwam het tot de periodieke uitgave van preken van ds. Paauwe. Dit gebeurde in de vorm van een gestencild maandblad met de naam ‘Maandelijksche Mededeeling’. Het blad bevatte meestal twee preken van ds. Paauwe, terwijl op het voorblad de preekbeurten voor de komende maand vermeld werden. Het maandblad was een initiatief van de heer D.J. Bastmeijer uit Den Haag. Behalve de preken van ds. Paauwe nam de heer Bastmeijer in het maandblad meestal ook een kort gedeelte op uit de werken van één van de Reformatoren of ‘oude schrijvers’. Om de twee tot drie jaar werden de lezers van de ‘Mededelingen’, zoals het blad door velen genoemd werd, in de gelegenheid gesteld om de preken in uniforme banden te laten inbinden. De uitgave van gestencilde preken is doorgegaan tot 1942, waarna werd overgegaan tot uitgave in gedrukte vorm. Vanaf dat moment werden ook de huwelijksinzegeningen en doopbedieningen in het maandblad, en later op de omslagen, vermeld.

Dankzij genoemd maandblad is een groot aantal preken bewaard gebleven vanaf 1922 tot aan het overlijden van ds. Paauwe in 1956. Deze preken geven ons een goed beeld van de inhoud van zijn prediking. Hoewel in sommige opzichten een ontwikkeling is waar te nemen, heeft ds. Paauwe al deze jaren dezelfde boodschap gebracht. Zijn prediking betreft de verkondiging van Wet en Evangelie. Door de prediking van de Wet wordt de mens zijn verloren staat en ellende voorgesteld. Door het Evangelie wordt Christus, en in Hem de beloften van het Genadeverbond, aan allen die met het Evangelie in aanraking komen, aangeboden. Een mens is niet eerder zalig dan wanneer hij, door de bijzondere werking van de Heilige Geest, Christus en Zijn weldaden aanneemt en met Hem verenigd wordt. Ds. Paauwe onderscheidt inwendige roeping, zaligmakend geloof, rechtvaardigmaking en heiligmaking, maar scheidt deze weldaden niet. De inwendige roeping bestaat in een bovennatuurlijke verlichting en overbuiging van het hart. In dit verband sprak ds. Paauwe over de noodzakelijkheid dat God Zich in Christus aan het hart openbaart. In de inwendige roeping wordt het ware, zaligmakende geloof gewerkt. Dit geloof eigent zich Christus en de zaligheid toe. Door het geloof wordt de mens met Christus verenigd en komt zo in de gemeenschap van de drie-enige God. Het geloof bestaat in kennis, toestemming en vertrouwen. Het vertrouwen of de zekerheid behoort tot het wezen van het geloof, al is dit geloof niet altijd en in allen even sterk. Ook vindt de openbaring van Christus aan het hart en de schenking van het geloof niet plaats zonder dat de mens hier kennis van heeft, al leert een gelovige de zaken later duidelijker verstaan. Wanneer een mens gelooft, heeft hij deel aan de weldaden die door Christus verworven zijn en waarvan de belangrijkste zijn de rechtvaardigmaking en de vernieuwing of heiligmaking. Een mens die gelooft, is dan ook tegelijkertijd wedergeboren. De wedergeboorte is de aanvankelijke vernieuwing van de gehele mens. Deze vernieuwing wordt voortgezet in de heiligmaking en heerlijkmaking. Er is geen wedergeboorte zonder de geloofskennis van Christus. In de rechtvaardigmaking wordt de door Christus verworven gerechtigheid aan de mens toegerekend. De rechtvaardigmaking bestaat in vergeving van zonden en een recht op het eeuwige leven. Er is één rechtvaardigmaking, de rechtvaardigmaking uit of door het geloof. Ds. Paauwe maakt onderscheid tussen het algemene en het bijzondere werk van de Heilige Geest. De algemene werking van de Heilige Geest vindt ook plaats in degenen die niet zalig worden. De bijzondere werking betreft alleen de uitverkorenen en komt openbaar in de inwendige roeping en het geloof. Hieraan gaat een overtuiging van zonde vooraf waarbij een mens gebracht wordt in het Gods-gemis. (1)

Ds. Paauwe stond in zijn preken uitgebreid stil bij de genoemde onderwerpen zoals inwendige roeping, geloof, rechtvaardigmaking en heiligmaking. In later tijd gebeurde dat ook, maar dikwijls minder systematisch en was hij vrijer in de behandeling van zijn tekst of onderwerp. Grote nadruk legde hij op de noodzaak van bevindelijke kennis van deze waarheden. Veel sprak hij ook over het leven des geloofs, dat gepaard gaat met toenemende zelfkennis, zelfverloochening en afhankelijkheid van de Heere. In zijn preken kreeg ook de toepassing van het besprokene veel aandacht. Zowel degenen die het ware geloof bezaten als degenen die dit niet bezaten, werden aangesproken, waarbij het aan raadgeving niet ontbrak.

Verschillen met andere gezindten

Door deze prediking kwamen de verschillen met de prediking van andere gezindten duidelijk aan het licht. Ds. Paauwe verwierp iedere prediking waarin de orde des heils werd vereenzelvigd met verschillende standen en gestalten in het genadeleven. Dit gold ook voor de verkeerde begrippen en onderscheidingen die op de gezelschappen en in de prediking werden gemaakt met betrekking tot roeping, wedergeboorte, geloof en rechtvaardigmaking. Steeds duidelijker werd dat ds. Paauwe niet slechts in kerkelijk opzicht alleen stond, maar ook wat betreft de leer. Zijn kerkelijk isolement mogen we zelfs voor een niet onbelangrijk deel hieraan toeschrijven. Het isolement heeft hij dan ook niet gezocht. Regelmatig wees ds. Paauwe erop, dat zijn leer niet verschilde van de leer van de Reformatie (2), de belijdenisgeschriften en vele ‘oude schrijvers’ (3), en dat anderen hiervan afweken. Het bovenstaande betekent overigens niet, dat hij van mening was dat er helemaal geen begenadigde predikanten meer waren. Zo zou hij ook ds. J. Fraanje hebben ontmoet, die hij hield voor een broeder in Christus. Tegelijk was hij ervan overtuigd dat sommige kinderen Gods in belangrijke leerstukken dwaalden en daarmee afgeweken waren van de leer van de Reformatie.

Wat betreft het verband tussen de kerkelijke breuk en de ware leer zei hij in 1924 het volgende:

“Sla eens op wat er staat aan de rand [de kanttekeningen in de Statenvertaling] van de u bekende woorden van Romeinen 8:30: ‘En die Hij tevoren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt.’ Als ge dat doet, dan zult ge zien wat wonderlijke dingen men in deze tijd van de roeping weet te zeggen; en als ge licht ontvangt om het in te zien, zult ge bevinden, dat het alles in strijd is met Gods Woord en de geloofsbelijdenis der Kerk.
Dàt is de breuk, geliefden! We zouden geneigd zijn van de kerkelijke breuk te spreken, maar het is feitelijk geen kerkelijke breuk. De breuk is dit, dat de waarheid zoals die in Jezus is, niet meer wordt verstaan. Als het alleen maar de breuk van de Hervormde Kerk was, dan was het nog niet zo erg. Wat hebben wij aan die gebouwen, aan die kerkmuren, laten die in de grond zakken en verdwijnen! Als wij de waarheid, de leer der waarheid die naar de godzaligheid is, maar mogen bezitten.
Maar over Neerlands volk van onze dagen ligt het oordeel Gods naar het profetisch Woord: ‘De waarheid is ondergegaan en uitgeroeid van hun mond’ (Jer. 7:28). De kennis der waarheid is zoek. De waarheid, voor zover die nog zuiver wordt verkondigd, wordt niet begrepen; en daarom wordt de kerkelijke kwestie niet opgelost. Want de kerkelijke kwestie is in de grond geen andere kwestie dan van de kennis der waarheid. De kennis der waarheid is de oorzaak dat er een Kerk komt. Dit is de grondslag geweest van de Reformatie. En daarom hebben onze vaderen geleerd wat Luther heeft gezegd: ‘Met de leer van de rechtvaardigmaking door het geloof staat of valt de Kerk.’ Omdat die leer niet meer wordt gehandhaafd en de rechtvaardigmaking van de zondaar voor God door het geloof, niet als noodzakelijk wordt gesteld voor elk mens, zo ligt dáár de breuk als de oorzaak van het verval der Kerk, hier en overal.”
(4)

Wijze van preken

Ter voorbereiding op zijn preken maakte ds. Paauwe preekschetsen waarin hij met korte zinnen de te behandelen tekst en onderwerpen uitwerkte. Soms gaf hij een bepaalde gedachte met slechts een enkel woord weer. Deze schetsen waren zonder twijfel het resultaat van veel overdenking, studie en gebed. Een wandeling in een rustige omgeving achtte hij voor overdenking en de voorbereiding van zijn preken zeer geschikt. Op de preekstoel zelf gebruikte hij zijn aantekeningen niet, maar sprak uit het hoofd. Regelmatig week hij daarbij af van zijn voorbereiding. In zijn spreken was hij levendig en betrokken bij zijn hoorders. Hij sprak ernstig en recht op de man af. De behandeling van de stof was vooral praktisch en bevindelijk. Taalkundige of uitlegkundige kwesties werden vermeden of in enkele zinnen afgedaan. Leerstellige onderwerpen werden eenvoudig en praktisch behandeld. Zijn stemgebruik was natuurlijk, zonder ‘preektoon’. De zinnen werden door hem in een rustig tempo en weloverwogen geformuleerd. (5)

Nieuwe vergaderplaatsen


Het gebouw Prinsegracht 4 in 2007.
Van 1935 tot 1956 preekte ds. Paauwe
achter dit herenhuis in de grote zaal van
de Christelijke Jonge Mannen Vereniging.
Deze zaal is inmiddels afgebroken.

In het begin van de jaren twintig werd in Den Haag het gebouw aan de ’s-Gravenzandelaan te klein. De heer Van der Zeeuw bouwde daarop in 1923 of 1924 aan de Steynlaan opnieuw een ruimte voor de preekdiensten. Toen ook deze zaal te klein werd, zocht de heer Van der Zeeuw aanvankelijk naar een geschikt terrein om voor de derde keer een eigen gebouw neer te zetten. In overleg werd echter besloten een grote zaal te huren in de De Ruyterstraat. Dit vond plaats in 1929. Het gebruik van deze zaal viel echter tegen. De zaal was lang en de stem van de dominee was op de achterste rijen moeilijk te verstaan. Door een geluidsinstallatie werd dat later beter. Verder was de zaal eens in de veertien dagen op zondagmorgen niet beschikbaar. Een keer in de vier weken was dat niet erg, want dan sprak hij in Delft. De andere keer in de vier weken verviel de ochtenddienst. In 1935 werd dit opgelost door het huren van een grote zaal van de Christelijke Jonge Mannen Vereniging aan de Prinsegracht 4. Wanneer de zaal in de De Ruyterstraat bezet was, werd naar de Prinsegracht uitgeweken.

Het overlijden van mevrouw Paauwe-Dagevos

Vanwege de afstand tot het gebouw in de De Ruyterstraat, die ’s zondags vier keer lopend werd afgelegd, verhuisde ds. Paauwe in 1929 van de Copernicuslaan naar de 2e Schuytstraat 278. De vrouw van ds. Paauwe, mevrouw Paauwe-Dagevos, die geen sterke gezondheid bezat en leed aan een chronische aandoening, werd in de Schuytstraat ernstig ziek. Na enkele malen in het ziekenhuis opgenomen te zijn geweest, stierf ze op 10 december 1931. Mevrouw Paauwe had zich in 1914 de afzetting van haar man als predikant in de Nederlandse Hervormde Kerk zeer aangetrokken. Zelf afkomstig uit een vooraanstaande familie, heeft zij deze afzetting vermoedelijk als zeer vernederend ervaren. Zij ging daarna niet meer bij haar man naar de kerk, maar bleef thuis. Zij kreeg echter goed contact met diverse hoorders en vrienden van ds. Paauwe. Ook heeft zij meermalen het plan gehad weer bij haar man naar de kerk te gaan, maar kon daar uiteindelijk niet toe komen. De laatste tijd van haar leven was zij door haar ziekte niet meer in de gelegenheid dit alsnog te doen. Ds. Paauwe mocht geloven dat zij behouden was heengegaan, hetgeen hij ook in het openbaar na haar overlijden te kennen gegeven heeft. In april 1932 heeft hij in een brief aan een kennis in het toenmalige Nederlands-Indië het een en ander van zijn werkzaamheden en de gebeurtenissen rond het overlijden van zijn vrouw meegedeeld. Ook spreekt uit deze brief veel droefheid om het verlies van zijn vrouw:

“Mijn droefheid is groot. Ik mis mijn dierbare vrouw zo. Ach, wat is zij veel voor mij geweest, circa dertig jaren lang. Ik kan geloven dat zij zalig is, ofschoon ook in deze zaak de aanvechting mij niet gespaard blijft. Wanneer ik erg bedroefd was, heeft de Heere mij wel eens gevraagd of Hij mij kwaad gedaan heeft; en of het gering is gebruikt te worden om voor iemand te bidden en haar het Evangelie te verkondigen. Bij zulke vragen zonk ik weg onder de goedheid Gods.”

Tweede huwelijk

In de loop van de dertiger jaren verhuisde ds. Paauwe naar de Van Blankenburgstraat 9. Op 17 oktober 1939 trad hij voor de tweede maal in het huwelijk. Hij trouwde toen met Cornelia Korstanje. Zij werd in 1900 in Wemeldinge geboren. Na het overlijden van haar ouders zorgde ze als achttienjarige oudste dochter voor het gezin van haar ouders. Later verhuisde ze naar Delft en kwam onder de prediking van ds. Paauwe. Vanaf 1936 zorgde ze voor zijn huishouding. Dit tweede huwelijk bleef kinderloos. Zijn vrouw overleefde ds. Paauwe vele jaren en overleed op 3 februari 1991.

Contact met zijn hoorders; een ontmoeting in het buitenland

In de jaren vóór de oorlog heeft ds. Paauwe een zeer arbeidzaam leven gehad. Wekelijks preekte hij meestal vier, soms vijf keer in verschillende plaatsen. Daarnaast gaf hij catechisatie, bevestigde huwelijken en leidde begrafenissen. Ook hiervoor moest hij dikwijls een reis afleggen. Het is dan ook begrijpelijk dat slechts weinig tijd resteerde. Het was voor hem dan ook niet mogelijk om bij zijn hoorders, die bovendien geografisch sterk verspreid waren, huisbezoek af te leggen. Incidenteel vond dat overigens wel plaats. Verder bezocht hij degenen die ernstig ziek waren. Ook kon men bij hem thuis terecht voor een persoonlijk gesprek. Verder legde men bij hem een bezoek af voorafgaand aan het sluiten van een huwelijk of voor het dopen van een eerste kind. Zijn vaste hoorders van vóór de oorlog heeft hij dan ook vrijwel allemaal persoonlijk ontmoet. Daarnaast ontving hij vele brieven, die hij persoonlijk beantwoordde. Dergelijke antwoorden waren vaak kort, maar kernachtig. Ook kwam het voor, dat hij een briefschrijver beloofde op een bepaalde datum in een preek nader op de in de brief gestelde vragen in te gaan, wat hij ook nakwam.

Rust heeft ds. Paauwe zich voor de oorlogsjaren weinig gegund. Een onderbreking van zijn werk kwam voor het eerst voor in 1930, toen hij wegens ziekte zes weken moest rusten. Na die tijd nam hij wel eens een week vakantie, een enkele keer veertien dagen. In september 1936 maakte hij een reis naar Italië. Een enkele keer bezocht hij zijn oudste zuster Jacoba en haar man, die in Noorwegen woonden. In 1928 had hij op een korte buitenlandse reis een onverwachte ontmoeting met een 24-jarige jongeman. Hij vertelde hierover in de preek op de zondagmiddag na zijn terugkomst:

“In de afgelopen week was ik voor een paar dagen heel ver vanhier verwijderd. Terwijl ik mij op een boot bevond, poogde een jongeman (later bleek dat hij 24 jaar was) met mij een gesprek over de eeuwige dingen aan te knopen.
Ik vroeg hem waarom hij over deze dingen sprak, waarop zijn antwoord was: ‘Omdat er niets is dat meer belangrijk is, en omdat in Christus alles gevonden wordt.’ Hierop vroeg ik hem: ‘Wat heeft men dan als men die weg inslaat?’ Hij antwoordde: ‘Vrede.’ Ik vroeg hem daarop: ‘Wat dacht u dan dat de weg tot de vrede was?’ Zijn antwoord luidde: ‘Het geloof in Christus.’
Daarop was mijn vraag: ‘Wat moet men doen om te geloven? Moet men tot Christus gaan om te geloven? Bent u tot Hem gegaan? Of is Hij tot u gekomen?’ Hierop liet hij volgen: ‘Christus is tot mij gekomen.’
Eindelijk vroeg ik hem: ‘Wat zijn dat voor mensen die dat zo ondervinden?’ Zijn antwoord was: ‘Dat zijn mensen die zeggen: ‘Wee mij, want ik verga, dewijl ik een man van onreine lippen ben.’ Zondaren zijn het. Wanneer een mens zijn zonden niet gevoelt, helpt hij zichzelf en heeft hij Christus niet nodig. Als hij ze gevoelt en werkelijk zondaar voor God geworden is, heeft hij Christus nodig.’ Hierop stak ik hem de hand toe, en zei tot hem: ‘Deze dingen weet ik ook’, waarop hem de tranen in de ogen kwamen. Ik keek hem in de heldere, stralende ogen, en dacht: jongen, wat zijt ge reeds vroeg gelukkig.
Dikwijls had ik ernaar verlangd te weten hoe het nu toch in den vreemde was, en zie, daar liet God mij er een ontmoeten zonder dat ik er in het minst aan dacht.”
(6)

Catechisaties; toespraken over de Nederlandse Hervormde Kerk

In de jaren twintig veranderden de catechisaties enigszins van karakter. Aanvankelijk werden de catechisaties uitsluitend gegeven voor de jongeren. In 1914 werd in Den Haag begonnen met slechts acht catechisanten. Dit aantal liep in de loop van de jaren op tot ver boven de honderd. Het bekende vragenboekje van Abraham Hellenbroek werd door ds. Paauwe als leidraad gebruikt voor zijn bespreking, terwijl de antwoorden door de jeugd van buiten moesten worden geleerd. De catechisaties werden gegeven in een gemoedelijke sfeer. In de loop van de twintiger jaren woonden sommige ouders die hun kinderen gebracht hadden, de catechisatie ook zelf bij. Dit werd steeds meer gewoonte, totdat ten slotte meer ouderen dan jongeren aanwezig waren. De catechisatie veranderde hierdoor in een eenvoudige dienst. De onderwerpen werden nog steeds besproken in de volgorde van het vragenboekje van Hellenbroek. Bij veel hoofdstukken uit dit vragenboekje stond ds. Paauwe lange tijd stil.

In 1938 besteedde ds. Paauwe een reeks catechisatietoespraken aan de bespreking van de geschiedenis van de Nederlandse Hervormde Kerk vanaf 1816 en de afscheidingen in de negentiende eeuw. Ook de geschiedenis van zijn eigen afzetting kwam hierbij aan bod. Aanleiding hiervoor waren pogingen binnen de Nederlandse Hervormde Kerk om te komen tot een nieuwe bestuursvorm en kerkorde. Naar vorm en inhoud waren het eenvoudige toespraken, zonder dat de bedoeling aanwezig was om deze voor een breed publiek te publiceren. De kerkelijke positie die ds. Paauwe innam, komt echter in deze toespraken goed tot uitdrukking. Om die reden werden deze toespraken in 1976 alsnog uitgegeven. (7)

Volgend hoofdstuk

Noten hoofdstuk 6

(1) Elders op deze site zijn fragmenten opgenomen uit preken waarin de in deze alinea genoemde onderwerpen worden behandeld. Volstaan wordt dan ook met hiernaar te verwijzen.
(2) Ds. Paauwe wees vooral terug naar de tijd van de Reformatie en de beginperiode van de Nederlandse Hervormde Kerk. Hij was van mening dat het verval in de Nederlandse Hervormde Kerk al kort na de Dordtse Synode is begonnen. Bijvoorbeeld in 1955: “Het begin was er in 1618 en ’19, en toen is meteen de achteruitgang weer begonnen.” Catechisatie-toespraak op 19 januari 1955, Bundel 1994-’96, blz. 186.
(3) Wat betreft de Nederlandse ‘oude schrijvers’ verwees ds. Paauwe in het bijzonder naar Theodorus van der Groe. In 1945 noemde hij hem: “mijn, ik zou haast zeggen, hooggeschatte leermeester”. Preek op 22 april 1945 te Den Haag, Bundel 1985-’87, blz. 426. Echter ook andere ‘oude schrijvers’ werden door hem met enige regelmaat aangehaald, vooral Jodocus van Lodenstein, Bernardus Smijtegelt en Wilhelmus Schortinghuis, minder vaak Willem Teellinck, Abraham Hellenbroek, Wilhelmus à Brakel, Ledeboer en anderen. Bij Smijtegelt plaatste hij wel eens een waarschuwing, zoals in een preek in 1940: “Ik heb wel eens gezegd: ‘De Catechismus van Smijtegelt is weergaloos.’ Maar omdat het gevaar van misleiding te groot is, moet u erbij lezen de ‘Toetssteen van ware en valse genade’ van ds. Theodorus van der Groe.” Preek op 1 januari 1940 te Den Haag, Bundel 1982-84, blz. 427. Wat betreft schrijvers buiten Nederlandse bodem noemde hij het meest frequent Luther, Calvijn, Augustinus en Bunyan, minder vaak Olevianus, Binning, Halyburton, de Erskines en sommige anderen.
(4) Preek op 21 oktober 1924 te Rotterdam, Bundel 1961-’63, blz. 319-320.
(5) Bij de uitgave van de onder het gehoor opgenomen preken behoeft de tekst nauwelijks taalkundige aanpassing.
(6) Uit: Fragment predikatie op 15 juli 1928 te Den Haag, Jaargang 2006, blz. 48.
(7) Onder de titel: De Nederlandse Hervormde Kerk na 1816. Een tweede druk verscheen in 2004. Deze catechisatie-toespraken zijn ook opgenomen in bundel 1976-’78, blz. 1-56.

Volgend hoofdstuk