Zijn leven » Levensbeschrijving » Hoofdstuk 4

4. Schorsing en afzetting

De aanloop tot het conflict; weigering van inschrijving nieuwe lidmaten


Hervormde Kerk en pastorie te Bennekom

De kerkelijke kwestie die landelijk bekend werd als ‘de Bennekomse zaak’ en eindigde met de schorsing en afzetting van ds. Paauwe en de andere kerkenraadsleden van Bennekom, begon in februari 1913 met het verzoek van de Hervormde gemeente van Tiel om een getuigschrift van goed zedelijk gedrag voor twee jonge mensen uit Bennekom. Deze personen wilden belijdenis doen in de Hervormde gemeente van Tiel, een vrijzinnige gemeente. Bij de Hervormde gemeente van Bennekom waren deze jonge mensen en hun ouders niet bekend. (1) Het verzoek van Tiel kwam binnen bij de kerkenraad van Bennekom op 8 februari 1913. De situatie was grotendeels vergelijkbaar met het verzoek van Tiel en Zutphen in de kwestie Otto een jaar eerder. Ook nu besloot de kerkenraad van Bennekom unaniem om aan het verzoek niet te voldoen. In een brief van 14 februari werd aan de kerkenraad van Tiel geantwoord dat deze personen “hem [de kerkenraad] ternauwernood bekend waren, dat hij zelfs niet wist dat hunne familiën in enige betrekking staan tot de Nederlandse Hervormde Kerk. Nimmer zag men hen in de gewone godsdienstoefening of op de catechisatie.”

Evenals in de zaak Otto in 1912 (2) speelde een belangrijke rol dat Tiel een vrijzinnige gemeente was. Toch was dit voor Paauwe niet de enige reden. Hij kwam op voor de rechten van de kerkenraad. (3) Vanuit de overtuiging dat gemeenteleden in de eerste plaats aan de eigen kerkenraad verantwoording schuldig zijn, achtte hij een opgave van redenen voor het doen van belijdenis in een andere plaats noodzakelijk: (4)

“De jonge mensen ten behoeve van wie het verzoek gedaan werd, leefden, voor zover mij bekend, in de wereld. Maar al was dit niet zo geweest, en al was mij bekend geweest dat hun belijdenis rechtzinnig was, en al was mij ook bekend geweest dat Tiel rechtzinnig was, dan zou ik toch geweigerd hebben, tenzij men mij redenen had kunnen opgeven, die mij gegrond schenen. Een kerkenraad heeft een roeping, heeft een roeping tegenover een gemeente.” (5)

Ondanks de weigering uit Bennekom deden de genoemde personen, nadat de termijn van vier weken voor het afgeven van een getuigschrift verstreken was, in Tiel belijdenis. De kerkenraad van Tiel verzocht daarop aan de kerkenraad van Bennekom om beide personen in het lidmatenboek in te schrijven. Dit verzoek behandelde de kerkenraad van Bennekom op 28 maart. Evenals in de kwestie Otto, weigerde Bennekom de namen in te schrijven. Tevens protesteerde de kerkenraad van Bennekom bij Tiel tegen de aanneming en bevestiging zonder de vereiste getuigschriften. De kerkenraad van Tiel richtte zich daarop tot het classicaal bestuur van Arnhem.

In deze situatie werd ds. Paauwe beroepen door de Hervormde gemeente van Gameren. (6) Hij vertelt dat er verschillende redenen waren waarom hij aanvankelijk voor deze plaats iets voelde, maar dat hij uiteindelijk het uitgebrachte beroep niet kon aannemen:

“Een van deze redenen was de nabijheid van het dorp Brakel, waar ik enige goede vrienden had (ofschoon ik wel vreesde dat ik toch geen vrijmoedigheid zou vinden om mij als ’t ware opnieuw aan de Hervormde Kerk te verbinden). Het gevoel voor Gameren bleef intussen. Een van de ouderlingen in mijn gemeente vroeg, hoe ik ermee stond. ‘Denkt u er nog aan?’ vroeg hij. Ik vertelde hem er iets van. ‘Maar u kunt toch zo niet gaan’, merkte hij op. ‘Neen,’ antwoordde ik, ‘maar als de tijd van beslissen daar is, zal ik het wel weten.’ Toen hij vertrokken was, was het alsof mij gevraagd werd of ik daar wel zo zeker van was, dat ik het op de tijd van de beslissing wel weten zou. Ik zei: ‘Ik heb zo geantwoord, omdat ik het tot nog toe altijd geweten heb, dat ik bedanken moest voor een beroep.’
Toen de drie weken bijna verstreken waren, ontving ik bericht van het classicaal bestuur van Arnhem, dat ik bij dit bestuur aangeklaagd was. (…) Het bleek nu uit het schrijven dat mij uit Arnhem gezonden was, dat Tiel de zaak voor het classicaal bestuur gebracht had. Terwijl ik dit schrijven las, was het mij alsof er tegen mij gezegd werd dat ik terwille van deze zaak in Bennekom moest blijven. Mijn gevoel voor de gemeente Gameren was weg en ik bedankte voor het beroep.”
(7)

Ds. Paauwe bleef dus in Bennekom, terwijl het conflict ernstige vormen begon aan te nemen. Op 28 mei besloot het classicaal bestuur van Arnhem dat de kerkenraad van Tiel het gelijk aan zijn zijde had. De redenering daarbij was, dat de kerkenraad van Bennekom geen feitelijke bezwaren had ingediend tegen het gedrag van beide jonge mensen. Op grond hiervan mocht Tiel volgens het classicaal bestuur na het verstrijken van vier weken inderdaad deze personen tot lid aannemen. (8) Het classicaal bestuur droeg nu de kerkenraad van Bennekom op om beide personen alsnog in het lidmatenboek in te schrijven. De kerkenraad van Bennekom besloot op 5 juni in zijn houding te volharden en deelde aan het classicaal bestuur mee de namen niet te zullen inschrijven. Op 13 oktober las ds. Paauwe in de kerkenraad opnieuw een schrijven voor van het classicaal bestuur waarin de kerkenraad nogmaals gezegd werd, dat de namen van de “bij de kerkenraad van Tiel aangenomen jongelieden in het lidmatenregister der gemeente behoren te worden ingeschreven”. De kerkenraad besloot daarop unaniem aan het classicaal bestuur te melden, dat men zich gedwongen voelde zich aan zijn vorige besluit om de namen niet in te schrijven, te houden. (9)

Geplaatst in de kerk van vóór 1816; preek over Daniël 3

Onder deze omstandigheden werd ds. Paauwe bepaald bij het feit dat hij twaalf jaar eerder bij het proponentsexamen de belofte had afgelegd om de reglementen van de Nederlandse Hervormde Kerk te zullen gehoorzamen. Nu werd hijzelf de schuldige aan de toestand van de kerk. Tevens ging voor hem de Nederlandse Hervormde Kerk van ná 1816 geheel onder en werd hij als het ware geplaatst in de kerk van vóór 1816. (10) Hij beschrijft dit als volgt:

“Niet lang daarna werd ik, terwijl de toestand mij erg bleef drukken, erbij bepaald, hoe ik ongeveer twaalf jaar geleden bij het proponentsexamen de belofte had afgelegd, de reglementen der kerk te zullen gehoorzamen. Ik kan niet uitdrukken wat er van dat ogenblik af door mijn ziel gegaan is. Christus, Die ik voor mijzelf als onmisbaar had leren kennen, zag ik in de verordeningen van de kerk buitengezet. Ik zag dat de mens zich de kerk had toegeëigend. Koning Willem I, of wie ook, had het niet gedaan; ik had het gedaan. Mijn gemoed was vol diepe rouw. De oneer, het Hoofd van de Kerk door mij aangedaan, was mij een grote smart. Ik kan ook niet zeggen, hoe geheel mijn hart al wat in de kerk tegen Christus was, dus de wetten, losliet. Het was mij als was ik in de kerk van vóór 1816 geplaatst en als was de kerk van ná 1816 geheel voor mij ondergegaan. Ik zag nu ook dat ik mijn ambt aanvaard en waargenomen had, niet om Christus wil, maar terwille van mijzelf. Ik was dus een ‘brooddienaar’ geweest. O, wat boog zich mijn ziel! Ik verfoeide de waarneming van het ambt in gehoorzaamheid aan wetten die zózeer in strijd met het gebod Gods zijn.
De Heere had mij aan Zijn zijde geplaatst; ik was de schuldige geworden, ik alleen. ’k Had door genade een walging van mijzelf. Ik had een hartelijk leedwezen over mijn zonden. Ik verfoeide mijn wegen. Ik vroeg: ‘Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal?’ Tegelijkertijd was het me zo’n wonder, dat de Heere mij ook hierin genade bewezen had. De waardigheid van het Opperwezen lag op mijn ziel. Daarop toonde de Heere mij dat Hij nu niet alleen in de Hervormde Kerk niet meer was, maar ook niet meer in de regering en in de Staten en op de scholen. Ik zag iets van de gezonken toestand, waarin wij ons bevinden. Als Christus niet meer in het openbare leven is, waar moet het dan heen? Ik had een onuitsprekelijk medelijden met onze koningin. Ik eerde haar, ik had haar lief, ik had medelijden met haar. En nooit was de wereld in die mate een woestijn voor mij geweest. ’t Gevoel van smart, dat ik had, was zo diep.”
(11)

Ds. Paauwe voelde de behoefte zijn zonde in het ondertekenen van de reglementen in het openbaar te belijden. Op Hervormingsdag, vrijdag 31 oktober 1913, ontving hij hierover nader onderwijs:

“De ondertekening van de reglementen van de kerk was in het openbaar geschied, ik had behoefte deze zonde in het openbaar te belijden. Ik nam mij voor, dit te doen op de eerstvolgende rustdag. Donderdags was ik op mijn studeerkamer bezig met het maken van enige aantekeningen over een tekst waarover ik dacht te preken. Mijn vrouw kwam binnen en zei: ‘Wat heb je het druk!’ ‘Ja’, antwoordde ik. Toen ik de volgende dag met dit werk weer bezig was, kwam mijn vrouw weer de kamer binnen en maakte dezelfde opmerking. Toen ze weg was, kwamen haar woorden zó naar mij toe: ‘Wat heb jij het druk!’ Ik zei: ‘Ja, ’t is waar ook.’ Daarop was het mij als werd mij de vraag gedaan, of ik nu wel wist dat ik de aanstaande rustdag over die tekst moest spreken (het was Psalm 119:28). Ik zei: ‘Neen, Heere, ik heb hem maar genomen omdat hij zo overeenkomstig mijn toestand is; maar wilt U mij dan zeggen waarover ik op de aanstaande rustdag moet spreken?’ Toen werd tot mij gezegd dat ik de stof moest behandelen, waarover ik veertien dagen geleden had gesproken, de bekende geschiedenis die we in Daniël 3 vinden. Ik kreeg in het licht van wat we daar vinden nog duidelijker de nare toestand van de kerk te zien. Het was alsof ik op een bijzondere wijze werd onderwezen, en het lag vast bij me dat de Heere wilde dat ik dat onderwerp zou behandelen. Ik nam mij voor om bij het uitspreken van deze predikatie mijn zo-even genoemde zonde te belijden.” (12)

Deze preek over Daniël 3:16-18 werd door ds. Paauwe op zondag 2 november 1913 uitgesproken en vóór of ná deze zondag geheel uitgeschreven. (13) Dit tekstgedeelte uit Daniël betreft het antwoord van de drie vrienden van Daniël aan koning Nebukadnezar, toen zij weigerden het gouden beeld te aanbidden. In deze preek wees ds. Paauwe onder andere op de macht van de vorst der duisternis en hoe deze macht zich richt tegen de ware Kerk. Daarbij ging hij ook in op de geschiedenis van de kerk, om vervolgens stil te staan bij de in 1816 ingevoerde kerkelijke organisatie en reglementenbundel, waarna hij de ondertekening van deze reglementen herriep:

“O, als men alles eens wist, als men eens wist, wat men al uitgedacht heeft om de Kerk van haar rechten te beroven, en haar ten onder te brengen. Want dit wordt door de vijand wel gezien en gevoeld: laat de Kerk toe dat men haar van haar rechten berooft, gedaan is het met haar licht en haar kracht. De rechten van de Kerk en de invloed van de Kerk zijn nimmer gescheiden; in nauwer verband staan die beide tot elkaar dan de lange haarlokken van Simson en zijn grote kracht. Want de rechten van de Kerk zijn tenslotte de rechten van de Vader, aan de Kerk toevertrouwd als een dierbaar pand, dat wèl bewaard moet worden. ‘Maakt niet het huis Mijns Vaders tot een huis van koophandel’ (Joh. 2:16). Maar wij weten niet wat er in de loop der tijden tegen de Kerk beraamd en ondernomen is. Veel, ontzaglijk, onbegrijpelijk veel zal het zijn; in de Openbaring van Johannes wordt het vergeleken bij een rivier (Openb. 12:15), maar het rechte weet de Heere alleen.
Hoe is de Kerk van ’s Heeren wege altijd gewaarschuwd. Helaas, haar wachthouden bij de zuivere beginselen duurde, ondanks de waarschuwingen des Hemels, maar zeer kort. Somtijds deed de Kerk in de Heere kloeke daden en had zij zichzelf veil, maar al heel spoedig, de strijd en de menigvuldige bezwaren moe geworden, en niet gedachtig het woord van Jezus: ‘Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak’ (Mark. 14:38), verslapte men. Men liet toe dat de vijand al dichter en dichter kwam, en eindelijk bevond zich het ganse terrein onder zijn macht.
Zo ging het met het oude volk Gods. Eerst kwam Efraïm, het rijk der tien stammen, in de macht van de geweldhebber, en daarna Juda en Benjamin. Zo ging het met de kerk, die door de prediking van de apostelen gesticht was. Het ging hier wat sneller en daar wat langzamer, maar eindelijk kwam overal de officiële kerk in handen van de vijand. En zo is het ook gegaan met de kerk van de reformatie in andere landen, maar ook in ons land.
O, welk een sieraad was zij hier, zij was onze ere. ‘Schoon van gelegenheid, een vreugde der ganse aarde was de berg Sion aan de zijden van het noorden, de stad des groten Konings’ (Ps. 48:3). Maar het duurde niet lang. Toen het, om zo te zeggen had moeten beginnen, namelijk na de grote synode van 1618 en 1619, kwam er reeds een aanvang van het einde. Wij stonden door de genade des Heeren niet pal, wij verdreven de vijand niet, tenminste niet overal, wij kwamen niet op voor de rechten van de kerk, en eindelijk raakte de kerk onder de voet.
In het jaar 1816 kwam het aan de dag, dat het verwoestingswerk aanvankelijk zijn beslag gekregen had. Toen ontving de kerk van Koning Willem I, die daarbij te rade was gegaan met zijn dienaren, een organisatie, ten gevolge waarvan zij in haar bewegingen ten enenmale belemmerd werd, ontving zij een stel wetten, die het haar verder onmogelijk maakten naar de ordinantiën Gods te leven en zich te openbaren. ’s Heeren volk mocht toen klagen: ‘Wij zien onze tekenen niet.’ Hadden zij het maar luider gedaan, maar helaas, de meesten zagen het niet, en die er iets van zagen, zoals bijvoorbeeld de classis Woerden en Amsterdam, zagen het nog niet recht. Straks zal het honderd jaar geleden zijn.
(14)
Welnu, die organisatie is onwettig, en de reglementenbundel – die in die jaren nog aanzienlijk met wetten die in diezelfde benedenwaartse lijn liggen, vermeerderd is – is onschriftuurlijk, een belemmering voor het ware leven, en is er opdat de kerk zich als Kerk des Heeren niet zal openbaren.
Om iets van de listigheid waarmee zij ontworpen zijn, te leren kennen, moet men in aanraking komen met de besturen die zich geroepen achten ze te handhaven. En toch eist de kerk, wanneer er tenminste in zo’n geval nog van kerk gesproken kan worden, dat ieder die in haar als predikant werkzaam wenst te zijn, deze wetten ondertekent. In onze diepe blindheid, die wij voor de Heere wensen te bewenen, hebben wij ze ook getekend. Ik acht mij niet gehouden ze te gehoorzamen.”
(15)

Na de tussenzang vervolgde ds. Paauwe zijn toespraak met de geschiedenis van Luther en las daarbij Luthers gebed voor tijdens zijn verblijf in Worms. Hij besloot zijn preek op de volgende wijze:

“Zielen die de Heere vreest, merk op welk een macht er in de Heere is. Ja, genade en ere gaf Hij aan Sadrach, Mesach en Abed-nego. Hij onthield hun het goede niet, maar heeft wonderbaar Zich met hen willen bemoeien. O, kleef Hem dan toch maar achteraan, en vraag gedurig naar de rechte weg en ’s Heeren sterkte. Geef geen acht op het zichtbare, maar onderzoek wat de Heere welbehagelijk is. Een oprecht vragen: ‘HEERE, maak mij Uw wegen bekend, leer mij Uw paden’, is heel wat profijtelijker dan rekening te houden met hetgeen wij met onze ogen zien en met onze handen tasten kunnen. ‘Gods Woord houdt stand in eeuwigheid, en zal geen duimbreed wijken’, zong Luther. De Heere kan Zich verborgen houden, de vervulling Zijner beloften uitstellen, allerlei laten gebeuren, waardoor wat wij begeren, ons als een onmogelijke zaak voorkomt – de Heere vergeet de hoop Zijner ellendigen niet. Hij vergist Zich niet, en Hij heeft Zich nooit vergist, al menen wij het. Maar Zijn gedachten en Zijn wegen zijn alleen maar zoveel hoger dan onze gedachten en wegen. O, gelukkig allen, die Hem maar blijven verbeiden als armen, schuldigen en onwaardigen in zichzelf. ‘Ja, vanouds heeft men het niet gehoord, noch met oren vernomen, en geen oog heeft het gezien, behalve Gij, o God, wat Hij doen zal dien, die op Hem wacht’ (Jes. 64:4).
Eindelijk, vrienden, duidelijk blijkt uit de geschiedenis die wij behandeld hebben, dat al wat vijand is, vroeg of laat beschaamd zal worden gemaakt, en dat de Heere alleen met die mensen is, die zich door genade aan Zijn zijde geplaatst hebben. Amen.”
(16)

Zoals ds. Paauwe later vertelde, las hij de woensdag die op deze zondag volgde iets uit het leven van Ledeboer en vond daarin een treffende overeenkomst met wat hijzelf had doorgemaakt:

“De volgende week woensdag, nadat deze dingen alzo geschied waren, dacht ik: ‘Hoe zou ds. Ledeboer onder dit alles het gemaakt hebben?’ Ik sloeg het boekje van ds. Landwehr op, en vond daarin dat hij [Ledeboer], toen hij de laatste keer in de Hervormde Kerk preekte, Daniël 3 behandeld had. Ik las ook, dat hij de opmerking gemaakt had: ‘De Heere leidde mij aan de hand van deze stof geheel in de toestand van de kerk in.’ ” (17)

Geschorst door het classicaal bestuur

De spanning tussen de kerkenraad van Bennekom en het classicaal bestuur van Arnhem was inmiddels hoog opgelopen. Nu de kerkenraad van Bennekom bleef weigeren om de in Tiel aangenomen lidmaten in te schrijven, konden maatregelen vanuit het classicaal bestuur niet lang meer uitblijven. Het classicaal bestuur ging echter niet overhaast te werk. De leden van dit bestuur waren zich ervan bewust dat ds. Paauwe op veel sympathie kon rekenen en dat een nieuwe kerkscheuring bij schorsing of afzetting van de kerkenraad niet onmogelijk was. Bovendien hadden diverse leden van het classicaal bestuur wel enig begrip voor de houding van ds. Paauwe, wat het treffen van disciplinaire maatregelen voor hen niet gemakkelijker maakte. Toch leek schorsing van de kerkenraadsleden onafwendbaar te zijn. De reglementen, die door alle predikanten waren ondertekend, dienden door de kerkelijke besturen strikt te worden gehandhaafd en ook het classicaal bestuur van Arnhem wist zich hieraan niet te onttrekken.

Eind november besloot het classicaal bestuur om in voltallige samenstelling een bezoek te brengen aan Bennekom en de kwestie mondeling met de eveneens voltallige kerkenraad te bespreken. Ds. Paauwe was blij zich nu ook mondeling te mogen verantwoorden:

“Bij het lezen van dit bericht viel er met klaarheid in mijn hart: ‘Ik acht mijzelven gelukkig, o koning Agrippa, dat ik mij heden voor u zal verantwoorden’ (Hand. 26:2). Ik achtte het een bijzonder voorrecht dat ik de zaak des Heeren, die nu ook mijn zaak geworden was, zou mogen verdedigen.” (18)

De bijeenkomst vond begin december in Bennekom plaats. De kwestie werd in deze vergadering niet opgelost. De kerkenraad van Bennekom bleef volharden in zijn weigering, terwijl het classicaal bestuur aangaf dat op grond van de reglementen de namen van de in Tiel aangenomen lidmaten dienden te worden ingeschreven. Ds. Paauwe geeft deze bijeenkomst als volgt weer:

“Het voltallige classicaal bestuur was er en de kerkenraad van Bennekom. Alles werd nog eens weer opgehaald, en nadat men nog enige pogingen had aangewend om mij tot toegeven over te halen, kreeg ik verlof om enige dingen te zeggen. Het was mij toen alsof ik niets te doen had. ’k Had een gevoel dat ik sprak voor een zaak waarmee ik persoonlijk eigenlijk niets te maken had. Het was Gods zaak en ik mocht haar bepleiten. Ik vertelde hun hoe het lag in mijn gemoed, hoe ik daartoe gekomen was, en wat ik mij voorstelde dat ik te doen had. Ik ondervond waarlijk wat het woord betekende: ‘Gij zijt het niet, die spreekt, maar de Geest uws Vaders, Die in u spreekt’ (Matth. 10:20). De voorzitter vond het nu het beste dat de vergadering maar gesloten werd. Een van de leden van het classicaal bestuur maakte nog de volgende opmerking: ‘Ik ben het in alles, voorzitter, met broeder Paauwe eens, maar ik trek tegenovergestelde conclusies.’ ‘Mag ik u eens iets zeggen?’, zo wendde hij zich tot mij. ‘Ik heb uit uw verhaal gehoord dat u een ogenblik gehad hebt, waarin u zich van de kerk geheel los gevoelde.’ ‘Ja’, antwoordde ik. ‘Toen had u ontslag moeten aanvragen’, zei hij. Ik antwoordde dat ik dat zo niet gezien had. ‘Ik behoef geen ontslag te vragen’, zei ik, ‘en ik ben niet van plan dit ooit te doen. De kerk behoort Christus toe.’ ‘Nooit’, zei ik nog, ‘heb ik mij zozeer aan de kerk verbonden gevoeld, als in het ogenblik en vanaf het ogenblik dat ik me geheel los van de kerk (de Nederlandse Hervormde Kerk van na 1816) gevoelde.’
De voorzitter nam toen nog het woord: ‘U moet wel bedenken, als u blijft weigeren, dat wij u zullen schorsen en wel met ingang van 1 januari. We hopen echter zeer, dat het niet nodig zal zijn.’ ‘Nog één woord’, zei ik toen. ‘Met de vraag of u mij zult schorsen, heb ik eigenlijk niets te maken. U zult dit doen als het u toegelaten wordt. Maar wordt het u toegelaten, dan zal dit betekenen de zekere ondergang van de kerk.’
(19) Een gegrom was het antwoord. Hiermede was de samenkomst afgelopen.” (20)

Nu de partijen niet tot elkaar gekomen waren, viel niets anders te verwachten dan schorsing van de kerkenraadsleden van Bennekom. Op 10 december 1913 deed het classicaal bestuur van Arnhem uitspraak en oordeelde dat de kerkenraad zich schuldig had gemaakt:

“1e. aan verzuim in de uitoefening uwer kerkelijke betrekking, welke de verplichting oplegt te voldoen aan het bepaalde bij artikel 40 van het Reglement op het godsdienstonderwijs; 2e. aan verzet tegen het voorschrift van artikel 6 van het Reglement voor kerkelijk opzicht en tucht.” (21)

Op grond hiervan besloot het classicaal bestuur de kerkenraadsleden te schorsen:

“besluit, uitspraak doende met algemene stemmen, op de Kerkenraad der Nederduitse Hervormde Gemeente van Bennekom toe te passen het bij artikel 4 van het Reglement voor kerkelijk opzicht en tucht genoemde tuchtmiddel van schorsing in de waarneming zijner kerkelijke bedieningen en ambten voor onbepaalde tijd, wat de Weleerwaarde Heer J.P. Paauwe, predikant, aangaat, zonder verlies van traktement [inkomen], zullende deze schorsing ingaan op 1 januari 1914, tenzij vóór die datum aan de verplichting tot inschrijving mocht worden voldaan.” (22)

De uitspraak was ondertekend door ds. J.D. van Arkel als voorzitter, ds. P. Heimens Visser als scriba, alsmede de acht overige leden van het classicaal bestuur. (23)

Rond de jaarwisseling; in hoger beroep

Hoewel ds. Paauwe na afloop van het mondeling onderhoud met het classicaal bestuur verheugd was geweest, had hij het in de daaropvolgende tijd zeer moeilijk. Hij spreekt hierover als volgt:

“Mij restten dus nog [ruim] veertien dagen, voordat ik geschorst zou worden. Ik was verblijd over de afloop van de zaken. Ik was verheugd dat ik had kunnen spreken zoals de Heere het mij had bekendgemaakt, maar ach, wat benauwde dagen zijn er gevolgd. Mijn omgeving, mijn gemeente, allen hadden gedacht dat de zaken nog wel een keer zouden nemen, of men hoopte dat ik nog wel een weg zou weten te vinden, om mij aan de moeilijkheden te kunnen onttrekken. Of men de kerk niet in staat achtte iemand, van wie men toch wel wist dat hij niet in een of ander opzicht schuldig was, te schorsen, weet ik niet. Ik houd het ervoor, dat men niet geloofde dat de kerk het zou aandurven mij af te zetten.
Het viel vreselijk tegen, toen men hoorde dat op 1 januari een schorsing zou plaatshebben. Ik ondervond dat de teleurstelling, volgend op een valse hoop, vijandschap baart. Het was alsof ieder zich aan mij onttrok; men scheen mij te schuwen. Vreselijk waren de aanvechtingen in deze dagen. Dag op dag had ik zware benauwdheid, alles drukte mij ontzaglijk. Aan het eind van de veertien dagen veranderde het echter. De moeilijkheden, die zeer groot en zeer vele waren, kreeg ik onverwachts in de hand des Heeren te leggen. De Heere nam alles en ook mij geheel over. Ik was niet alleen van mijn benauwdheid, van mijn druk verlost, ik geloofde ook dat ik ze nooit meer terug zou krijgen over deze zaak. Ik geloofde dat ik in dit alles geheel voor rekening des Heeren lag. Ik gevoelde een onuitsprekelijke verlichting, ik werd een diepe vrede gewaar en met mijn ganse hart zong ik: ‘Looft, looft verheugd den HEER’ der heren’, enzovoort (Ps. 105:1, 2, 3 berijmd).
De kerk was geheel van me weggenomen. Ik stond op de vlakke baan. Ik had vele weken eenzaam geleefd. Ik vreesde in betrekking tot deze dingen de invloed van mensen. Ik had voortdurend gevoeld en ik bleef dit gevoelen, dat alleen dán wanneer het Opperwezen mij onderwees en leidde, ik een rechte weg zou hebben, een weg waarin de waarheid van de zaak waarom het ging, openbaar zou worden. Maar nu besloot ik een bezoek aan iemand te brengen. Er woonde tussen Wageningen en Bennekom een oude bekeerde vrouw. ’k Had haar in lange tijd niet ontmoet. Toen ze mij in de verte zag aankomen, trad ze naar buiten en riep me het welkom toe, vragende hoe het ging. ‘Goed’, antwoordde ik. ‘O, dat is gelukkig’, zei ze. Ik ging binnen en vertelde haar alles, en toen ik haar mededeelde hoe ik schuldig voor God geworden was en wat ik daarbij gezien had, zei ze: ‘Ja, en dan zou men willen bidden: Heere, open toch de ogen van Uw volk voor deze dingen.’ Ik antwoordde dat ik dit juist gevraagd had.”
(24)

Ds. Paauwe had aanvankelijk gedacht het te laten gaan zoals het gaan zou en geen hoger beroep aan te tekenen. Op zondag 21 december was het echter alsof hem de vraag gedaan werd, waarom hij niet in hoger beroep wilde gaan:

“ ‘Ik heb er eigenlijk nog niet ernstig over gedacht’, antwoordde ik. Hieronder werd ik opgewekt om in hoger beroep te gaan, en ik zag dat dit niet in strijd was met het Woord.” (25)

Eén dag later, 22 december 1913, besloot de kerkenraad met algemene stemmen om tegen de uitspraak van het classicaal bestuur van Arnhem in hoger beroep te gaan bij het provinciaal kerkbestuur van Gelderland. Als gevolg hiervan ging de schorsing per 1 januari niet door en kon de kerkenraad vooralsnog zijn werk blijven doen.

Op één van de laatste dagen van december ontving ds. Paauwe nog een briefje van P. Heimens Visser, scriba van het classicaal bestuur. De inhoud hiervan was dat deze nog een poging had ondernomen om een uitweg te vinden door de families van de in Tiel aangenomen lidmaten te bezoeken en hen te vragen om van het recht op inschrijving afstand te doen. (26) Ds. Paauwe hoorde dit ook van enkele gemeenteleden:

“Omstreeks nieuwjaar hadden enkele leden van het classicaal bestuur van Arnhem een bezoek gebracht aan de gemeente. Ik hoorde dat het hun bedoeling was, nu ze gezien hadden dat ik volhardde, de respectieve families van de jongelui te bezoeken, om ze te bewegen het verzoek om ingeschreven te mogen worden, in te trekken. Er waren enkele leden van de gemeente, die mij dit met grote blijdschap kwamen mededelen. Men dacht dat het nu nog wel alles zou geschikt worden. Met de woorden: ‘Mijn raad zal bestaan, en Ik zal al Mijn welbehagen doen’ (Jes. 46:10), werd ik opnieuw verzekerd dat het einde zou wezen: afzetting.” (27)

Toch waren de bestrijdingen nog niet voorbij:

“In de weken die nu volgden, kon ik met mijn werk doorgaan. Ik had last van de volgende bestrijding. ’t Is tot hiertoe goed gegaan, je hebt licht gehad, dat licht ben je gevolgd, je hebt je er door laten leiden, zodat het nu in alle opzichten des Heeren weg schijnt te zijn, maar als de zaak straks zal beslist zijn, dan zul je achter andere dingen komen. Je zult zien dat het naar een diepere beoordeling alles verkeerd is geweest, en in de vreselijkste wanhoop zul je terechtkomen. Anderen van Gods kinderen en knechten zijn, wanneer zij waarlijk in de diepte van de dingen gekomen waren, getroost, maar dat zult gij missen. Het zal blijken dat je overgelaten bent aan jezelf.” (28)

Maar tevens mocht ds. Paauwe wat hij in kerkelijk opzicht ondervond, ook terugvinden in het Woord:

“Als naar gewoonte hield ik in die tijd bijbellezingen voor de gemeente. Zes jaar geleden was ik bij mijn komst in de gemeente begonnen bij Genesis 12. In die tijd behandelde ik Genesis 31. Gedurig trof het bij de bespreking van de inhoud van dit hoofdstuk, hoezeer de dingen overeenkwamen met die welke ik doorleefd had en nog doorleefde. En dit was in zó sterke mate het geval, dat de mensen die de bijbellezing volgden, de opmerking maakten: ‘Had u een gedeelte der Schrift dat met uw zaken overeenkomt, moeten zoeken, dan zou u geen beter hebben kunnen vinden.’ Onderwijl naderde de tijd voor de lijdenspredikaties, ook deze stof was ik gewoon in volgorde te behandelen. Ik had dat jaar te spreken over het verhoor en de beschuldiging en veroordeling van Christus voor Kajafas. Ik had hetzelfde als bij de bijbellezingen over Genesis 31. Het was of het de geschiedenis van mijn zaak was. De overeenkomst viel aan verscheidenen mijner hoorders op onder de prediking.
Er is iets wat ik toen nog niet wist: dat een zaak, ten opzichte waarvan men onderwezen is door Gods Geest, moet gevonden worden in het Woord, met andere woorden, dat men wat waarheid is, altijd vindt in het Woord der Waarheid.”
(29)

Uitbreiding van het conflict; de uitslag in hoger beroep

Intussen was de situatie nog verder verergerd doordat eind februari opnieuw uit Tiel het verzoek kwam om getuigschriften van goed zedelijk gedrag, deze keer voor drie jonge mensen uit Bennekom. (30) De kerkenraad van Bennekom besloot op 27 februari aan de kerkenraad van Tiel te antwoorden geen vrijmoedigheid te hebben om aan de aanneming en bevestiging van deze jonge mensen mee te werken. De kerkenraad van Tiel ging desondanks op 9 en 10 april over tot de aanneming en bevestiging van de genoemde personen tot lidmaten en verzocht aan de kerkenraad van Bennekom deze personen in te schrijven. Evenals de vorige keer weigerde de kerkenraad van Bennekom dit te doen. Hoewel dit nieuwe conflict met de kerkenraad van Tiel in het hoger beroep geen rol meer zou spelen, leidde dit wel tot een nieuwe aanvaring met het classicaal bestuur van Arnhem. (31)

De situatie waarin ds. Paauwe zich bevond, trok landelijk belangstelling. Hoewel velen met hem sympathiseerden, ontving hij van collega predikanten toch weinig openlijke steun. In De Waarheidsvriend, het officiële orgaan van de in 1906 opgerichte Gereformeerde Bond, werd hem eigenmachtig optreden verweten. (32) Daarentegen betuigden diverse vrienden hun medeleven. De raad van een onbekende vriend, die hij later wel eens aanhaalde, trof hem:

“Ik ontving een brief van een onbekend mens uit Amsterdam (ik heb hem ook [later] niet leren kennen). In die brief werd mij dit toegewenst: dat ik roerloos mocht blijven liggen in het midden van de doornen. Als u het kunt, denk er eens over na wat zo’n raad betekent. Wat er in het leven al moet verwerkt zijn in betrekking tot het lijden en strijden om in staat te wezen om zulke raad te geven. Dat woord is altijd onvergetelijk gebleven voor mij, voor geheel mijn leven.” (33)

Nadat de eerste maanden van 1914 de nodige correspondentie gevoerd was en de kerkenraadsleden van Bennekom eenmaal mondeling waren gehoord, deed het provinciaal kerkbestuur op 7 mei 1914 uitspraak in hoger beroep. In deze uitspraak komt duidelijk de zienswijze van zowel de kerkenraad van Bennekom als van de kerkelijke besturen naar voren. (34) Zo had de kerkenraad van Bennekom onder meer aangevoerd:

“dat wanneer de zienswijze van de Kerkenraad van Tiel juist is, geen Kerkenraad ooit de gelegenheid heeft eventueel zijn bezwaren tegen het afgeven van getuigschrift van goed zedelijk gedrag bekend te maken, behalve dan, wanneer op het gedrag in engere zin van het woord aanmerkingen mochten kunnen worden gemaakt;
dat hij de aanwezigheid van zulk een listig artikel (als artikel 40 Reglement op het godsdienstonderwijs) in de wetgeving ener Kerk, die zegt Kerk van Christus te zijn, een schande acht voor de wereld en een gruwel voor God.”

In de uitspraak van het provinciaal kerkbestuur werden deze argumenten als volgt beantwoord:

“dat inderdaad een Kerkenraad wel het recht heeft bezwaren tegen het afgeven van getuigschrift van goed zedelijk gedrag bekend te maken gelijk de Kerkenraad van Bennekom gedaan heeft, maar dat hij ook volgens artikel 40 van het Reglement op het godsdienstonderwijs alleen dan verwachten kan dat de aanneming en bevestiging niet zal doorgaan wanneer hij op het zedelijk gedrag in de engere zin van het woord aanmerking heeft kunnen maken;
dat de engere zin van het woord zedelijk gedrag geen andere kan zijn dan de gewone en zeer duidelijke zin, en nooit kan betekenen ‘leer’, ‘belijdenis’, ‘overtuiging’ of iets dergelijks;
dat de Kerkenraad van Bennekom artikel 40 van het Reglement op het godsdienstonderwijs een listig artikel moge noemen in de wetgeving ener Kerk, die zegt een Kerk van Christus te zijn, een schande voor de wereld en een gruwel voor God, maar dat er dan ook voor degenen, die van zulk een gevoelen zijn, wettige wegen openstaan om te trachten daarin verbetering te brengen;
dat de weg van het niet naleven van de kerkelijke verordeningen echter niet tot verbetering leidt, en allerminst mag ingeslagen worden door ambtsdragers die, reeds toen zij lidmaat waren, beloofd hebben ze na te komen, en toen zij het ambt ontvingen dit nog eens nadrukkelijk hebben herhaald.”

Hoewel de eerdere uitspraak van het classicaal bestuur door het provinciaal kerkbestuur op formele gronden werd vernietigd, werd de kerkenraad van Bennekom inhoudelijk in het ongelijk gesteld. (35) Het provinciaal kerkbestuur oordeelde dat de kerkenraadsleden “schuldig staan aan verzuim in de uitoefening van kerkelijke betrekkingen” en paste op hen toe het tuchtmiddel van “schorsing in de waarneming van kerkelijke bedieningen en ambten voor de tijd van twee maanden, ingaande 2 juni 1914 (zonder verlies van traktement [inkomen]).” (36)

Zo blijkt uit deze uitspraak in hoger beroep zeer duidelijk, dat volgens de reglementen van de Nederlandse Hervormde Kerk en de hieraan in de kerkelijke rechtspraak gegeven betekenis, nieuwe lidmaten die ergens anders belijdenis deden, door de thuisgemeente niet konden worden geweerd op grond van hun “leer, belijdenis, overtuiging of iets dergelijks”. Duidelijker dan in deze uitspraak had dit niet kunnen worden gezegd. Tevens blijkt dat het provinciaal kerkbestuur niet de moeite genomen had om de mening van de kerkenraad te weerleggen dat deze regelgeving een gruwel is voor God, terwijl het kerkbestuur bovendien van mening was dat zolang deze reglementen niet waren aangepast, deze onvoorwaardelijk moesten worden gehoorzaamd. Hiermee werden de reglementen maar al te duidelijk gesteld boven Gods Woord.

In dit licht bezien is het des te opmerkelijker dat een half jaar eerder, op Hervormingsdag 1913, aan ds. Paauwe het tekstgedeelte Daniël 3:16-18 werd aangewezen voor de preek waarin hij de ondertekening van de reglementen zou herroepen. (37) Dit tekstgedeelte eindigt met deze woorden: “U zij bekend, o koning, dat wij uw goden niet zullen eren, noch het gouden beeld, dat gij hebt opgericht, zullen aanbidden.” Tevens werd de uitspraak van ds. Paauwe in deze preek over Daniël 3 bevestigd, dat de kerkelijke wetten het de Kerk “verder onmogelijk maakten naar de ordinantiën Gods te leven” en dat deze reglementen er waren “opdat de kerk zich als Kerk des Heeren niet zal openbaren”. (38)

De zondag nadat ds. Paauwe de uitslag van het hoger beroep ontvangen had (39), maakte hij de uitslag aan de gemeente bekend:

“Ik was in die tijd bezig met de behandeling van de geschiedenis van Thomas. Op de volgende zondag moest ik spreken over de woorden: ‘Mijn Heere en mijn God’ (Joh. 20:28). Bij deze gelegenheid moest ik aan de gemeente bekendmaken dat mijn schorsing zou doorgaan. Als naar gewoonte deed ik aan de trap van de preekstoel een gebed. Onder dit gebed werd ik wonderlijk gesterkt. Ik kreeg mij en mijn zaken bij vernieuwing in des Heeren hand te stellen. Op de preekstoel weende ik, de mensen dachten om de teleurstelling – want de uitkomst van de zaak was al onder de mensen bekend geworden – doch het was van verwondering en van blijdschap: de Heere had ook mij niet begeven. Hij had mij in mijn ellende willen troosten. Het prediken ging bijzonder gemakkelijk. Aan het eind van de prediking deelde ik de gemeente mee, hoe tot dusver alles verlopen was.” (40)

In cassatie bij de Algemene Synodale Commissie

Op 19 mei 1914 gingen de leden van de kerkenraad in cassatie bij de Algemene Synodale Commissie. Deze commissie trad op als dagelijks bestuur namens de Algemene Synode en was daarmee na de Synode het hoogste bestuurlijk orgaan van de kerk. De president, vice-president en secretaris van de Algemene Synode waren tevens president, vice-president en secretaris van de Algemene Synodale Commissie. De leden van de kerkenraad verzochten de Algemene Synodale Commissie om vernietiging van de uitspraak in hoger beroep van het provinciaal kerkbestuur van Gelderland. Bij hun verzoek voerden zij aan:

“dat artikel 40 van het Reglement op het godsdienstonderwijs niet rechtens op hen is toegepast. Voornoemden hebben geweigerd een getuigschrift van goed zedelijk gedrag af te geven voor de in de stukken genoemde personen, en menen daartoe gerechtigd te zijn, waar geen der ouders als dooplid of belijdend lid bekend is, en zij menen dat de Kerkenraad van Tiel, na bekendmaking hiervan, niet had mogen aannemen zonder meer. Daarom achtende de aanneming en bevestiging onwettig, hebben ondergetekenden gemeend niet te behoeven in te schrijven, die tegen de ordeningen der Kerk in, waren aangenomen en bevestigd.” (41)

De Algemene Synodale Commissie maakte erg veel haast met de behandeling van het cassatieverzoek. De toegenomen onrust over deze ‘Bennekomse zaak’ heeft hierbij ongetwijfeld een grote rol gespeeld. (42) Deze haast ging echter zo ver, dat de bezwaarden de mogelijkheid ontnomen werd om nog een ‘memorie’ in te sturen waarin de gronden van hun verzoek nader werden toegelicht. Voor het insturen van een ‘memorie’ gold reglementair een termijn van vier weken, te rekenen vanaf de uitspraak in hoger beroep. (43) Dat betekende dat ds. Paauwe en de andere kerkenraadsleden nog tot begin juni een dergelijke ‘memorie’ konden insturen. De Algemene Synodale Commissie deed echter reeds op 25 mei uitspraak zónder een memorie te hebben ontvangen. (44) De rechten van de bezwaarden werden door deze handelwijze van de Algemene Synodale Commissie ernstig geschonden. Van deze commissie hoefden de bezwaarden dan ook geen steun te verwachten. De uitspraak van de commissie hield in dat het verzoek van ds. Paauwe en de andere kerkenraadsleden werd afgewezen en de uitspraak in hoger beroep werd gehandhaafd. (45) De schorsing zou nog steeds op 2 juni ingaan. (46)

Tijdens de schorsing; optreden in andere plaatsen


Op 1 juni 1914 sprak ds. Paauwe
voor de laatste keer in het kerkgebouw
van de Nederlandse Hervormde Kerk te
Bennkom. De foto is uit 2007.

De laatste dag voordat de schorsing inging, tweede Pinksterdag 1 juni 1914, hield ds. Paauwe in Bennekom zijn laatste preek als predikant van de Nederlandse Hervormde Kerk. Deze preek is niet bewaard gebleven. Wel is bekend dat ds. Paauwe deze preek afsloot met de volgende woorden:

“Gij kunt alles missen, ook een kerk! Gij kunt alles missen, maar gij kunt God niet missen.” (47)

Dinsdag 2 juni ging de schorsing in voor de duur van twee maanden. Behalve de predikant Jan Pieter Paauwe waren geschorst de enige ouderling Jan Bertus Dirksen en de drie diakenen Evert Jan van de Kamp, Hendrik Jan Mekking en Frank Floor. De volgende dag, 3 juni, kwam het classicaal bestuur van Arnhem in Bennekom bijeen om de taken van de kerkenraad over te nemen. Ook de eerste en tweede consulent van de gemeente waren gevraagd deze bijeenkomst bij te wonen, maar beiden hadden afgezegd uit betrokkenheid met de geschorste predikant. (48) Nadat uit de aanwezigen een voorzitter gekozen was (49), werden de namen van de vijf jonge mensen die in maart 1913 en april 1914 in Tiel belijdenis hadden gedaan, in het lidmatenboek ingeschreven. Nu er geen consulent was, werd een commissie benoemd voor spoedeisende zaken. (50) Deze commissie moest onder andere zorgen voor het vervullen van de preekdiensten. Vervolgens werden in deze vergadering twee nieuwe ouderlingen benoemd, die nog dezelfde dag hun benoeming aannamen. (51) Ten slotte werd besloten om de boeken en andere stukken tijdelijk in handen te geven van de kerkvoogden van Bennekom. (52)

De komende zondagen werden de preekdiensten in Bennekom door andere predikanten vervuld. Verschillende predikanten uit de omgeving weigerden echter hieraan mee te werken en werden om die reden beboet. (53)

Ds. Paauwe zelf had geen vrijmoedigheid om tijdens zijn schorsing in Bennekom op te treden. Sommigen meenden dat hij hiertoe het recht had of zelfs daartoe verplicht was. Op een hierover door een vriend schriftelijk gestelde vraag (54), antwoordde hij: “Ik had daar geen opening voor.” Een vrouw uit zijn gemeente zei hem: “Dominee, vergader uw gemeente.” Hij antwoordde: “Als ik dat doe, dan komt zij op mij te liggen en deze last zou mij te zwaar zijn.” (55) Zo bleef de door velen gevreesde afscheiding vooralsnog uit.

Op verzoek van anderen ging ds. Paauwe in deze periode wel in andere plaatsen voor in bijeenkomsten buiten regulier kerkverband. Dit deed hij ook wel vóórdat zijn schorsing inging, bijvoorbeeld in Utrecht. (56) Op 28 juni sprak hij voor het eerst in Den Haag. Dit gebeurde op uitnodiging van de heer J.C. van der Zeeuw, voorzitter van de Nederlandse Hervormde Vereniging ‘Calvijn’ in Den Haag. (57) Ds. Paauwe sprak deze zondag twee keer in het hiervoor gehuurde kerkgebouw aan de Zuid West Buitensingel. (58) Van der Zeeuw had veel belangstelling voor het conflict in Bennekom en had daarover al eerder met ds. Paauwe gecorrespondeerd. (59) Na deze zondag diende Van der Zeeuw samen met secretaris Noorland namens de vereniging ‘Calvijn’ een protest in bij de Algemene Synode tegen de uitspraak en de handelwijze van de Algemene Synodale Commissie. Hierop werd nimmer een antwoord ontvangen. (60) De contacten die in Den Haag waren gelegd, vielen wederzijds kennelijk goed, want ook de drie volgende zondagen ging ds. Paauwe in Den Haag voor. (61) De daaropvolgende weken bleef ds. Paauwe echter in Bennekom.

Behalve in Den Haag ging ds. Paauwe tijdens zijn schorsing ook voor in Utrecht en in Delft. In Delft sprak hij voor de eerste keer op een woensdagavond in juni of begin juli. (62)

Nu ds. Paauwe daadwerkelijk geschorst was, nam de aandacht van de kerkelijke pers voor deze kwestie nog verder toe dan voorheen. In het Gereformeerd Weekblad verscheen een artikel van dr. J.D. de Lind van Wijngaarden met als titel “De gespannen toestand”. Ook de hoofdredacteur van De Waarheidsvriend besteedde ruim aandacht aan de kwestie. Hoewel er wel enig begrip was voor de houding van de kerkenraad van Bennekom, keurden zij de weigering om de in Tiel aangenomen lidmaten in te schrijven toch ernstig af. (63) Via ingezonden brieven lieten enkele predikanten weten wel degelijk de houding van ds. Paauwe te respecteren of zelfs te steunen. (64) In het bijzonder ds. D.Th. Keck stelde zich geheel achter ds. Paauwe op. (65)

Het einde van de schorsing; geen terugkeer mogelijk

Op vrijdag 3 juli vergaderde het classicaal bestuur voor de tweede keer in Bennekom om lopende zaken af te handelen. (66) De bedoeling van de kerkelijke besturen was nu dat ds. Paauwe en zijn kerkenraad direct na afloop van de schorsingstermijn hun ambtelijk werk zouden hervatten, aangezien het inschrijven van de lidmaten voor rekening kwam van het classicaal bestuur.

“De bedoeling van dit bestuur was deze: zij zouden de namen inschrijven en dan zou ik met de leden van de kerkenraad, die mede geschorst waren, terugkeren. Ik was dus ontheven van de plicht, zelf de namen in te schrijven, en de verantwoordelijkheid van de inschrijving zou rusten op de leden van het classicaal bestuur. Ik gevoelde echter, dat het toch niet in orde zou zijn als ik terugkeerde. Ik moest de boeken overnemen van het classicaal bestuur. Wanneer ik dit deed en mijn werk hervatte, dan zou de zaak toch niet op de rechte wijze zijn opgelost.” (67)

De scriba van het classicaal bestuur, P. Heimens Visser, lichtte mondeling aan ds. Paauwe de bedoeling van het classicaal bestuur toe. Mogelijk werd reeds bij deze gelegenheid geopperd dat ds. Paauwe het lidmatenboek ‘onder protest’ van het classicaal bestuur kon overnemen en zijn werk hervatten. Het zou ook kunnen dat dit pas later ter sprake kwam. (68) Ds. Paauwe voelde het overnemen van de boeken ‘onder protest’ echter als een onmogelijkheid:

“Ik noemde mijn bezwaren. Het classicaal bestuur antwoordde: ‘Goed, dan neemt u de boeken over onder protest.’ Ik gevoelde dat ook dat niet kon. Van meer dan één zijde, ook van de zijde van de kerkelijke besturen, schreef men mij dat ik toch zou terugkeren. ’t Was toch voor rekening van het classicaal bestuur, alles wat er geschied was. ‘Neen,’ zei ik, ‘ik kan niet.’ Geen kerkenraad kan toelaten zo opzij gezet te worden. ’t Was in strijd met de meest eenvoudige opvatting van de roeping van een kerkenraad.” (69)

Inmiddels naderde de einddatum van de schorsing. Ds. Paauwe wist nog niet wat hem te doen stond. Hij vertelt hierover als volgt:

“Intussen wist ik niet, welke stappen nu door mij gedaan moesten worden. De tijd naderde, het kwam erop aan. Ik moest nu weten wat ik te doen had, en ik wist het niet. Op een morgen gebeurde het volgende. Ik las aan het ontbijt 2 Petrus 2. De woorden: ‘Zo weet de Heere de godzaligen uit de verzoeking te verlossen’ (vs. 9), maakten een diepe indruk op mij. Ik dankte, en onder diepe indrukken liep ik de tuin in. ‘O Heere,’ begon ik te zeggen, ‘het is U bekend dat het gaat om Uw zaak en niet om de mijne. Ik weet niet wat ik doen moet, maar U kunt het mij zeggen.’ Ik hield aan, ik bleef roepen. ’t Ging vanzelf. Telkens en telkens gevoelde ik mij aangedrongen. Ik sprak tot, ik sprak met het Opperwezen. Hoe lang dit geduurd heeft weet ik niet. Op een ogenblik liet ik los. Ik gevoelde, ik geloofde dat mijn roepen gehoord was. De Heere zou mij uit de verzoeking verlossen. Een paar uur daarna was de tijd aangebroken voor mijn afzondering in de morgen. Eigenlijk was ik op dat ogenblik met de zaak niet bezig, maar onverwachts begon het Opperwezen mij te onderwijzen. Ik moest schrijven dat ik ten volle bereid was, na afloop van de schorsingstijd, mijn werk in de gemeente te hervatten, maar dan moest het classicaal bestuur mij de boeken van de kerkenraad teruggeven in de staat waarin ik ze aan het classicaal bestuur overhandigd had, dus zonder de namen van de jonge mensen die in Tiel waren aangenomen. Het was me alsof me de woorden werden voorgezegd.” (70)

Op 28 juli verstuurde ds. Paauwe de volgende brief aan het classicaal bestuur, die door hemzelf en de vier andere kerkenraadsleden werd ondertekend:

“Door uw scriba, de weleerwaarde heer P. Heimens Visser, werd ons mondeling de mededeling gedaan, dat de namen der door de Kerkenraad der Nederduitse Hervormde Gemeente te Tiel aangenomen Bennekomse jongelieden door het Classicaal Bestuur van Arnhem in het lidmatenregister der Gemeente waren ingeschreven. Had het Classicaal Bestuur het recht daartoe? In genen dele. Men had moeten zien of het toegepaste tuchtmiddel ook genezing mocht aanbrengen, en eerst na verwijdering van een eventueel halsstarrige en onboetvaardige Kerkenraad, de namen moeten inschrijven. (71)
Wij weten niet of van u nog enig schrijven te wachten is, maar wij voelen ons gedrongen u te berichten, dat wij de bediening, in de uitoefening waarvan wij verhinderd werden, niet opnieuw kunnen aannemen, wanneer wij verplicht geacht worden de in Tiel aangenomen en bevestigde jongelieden als leden der Gemeente te erkennen. Meld u ons, dat wij hen niet behoeven te erkennen, dan zullen wij hun namen schrappen, zo dit door u niet reeds gedaan is.”

Op vrijdag 31 juli, de op één na laatste dag van de schorsing, behandelde het classicaal bestuur deze brief en stuurde dezelfde dag het volgende bericht terug:

“Het Classicaal Bestuur van Arnhem heeft de eer u in antwoord op uw missive den dato 28 juli 1914 te berichten:
1e dat de bedoelde inschrijving der nieuwe lidmaten in kwestie volkomen wettig is, aangezien het Classicaal Bestuur optrad te Bennekom ‘doende wat des Kerkenraads is’;
2e dat diensvolgens bedoelde lidmaten als leden der gemeente van Bennekom moeten worden erkend.”
(72)

Eveneens op 31 juli vergaderden in de woning van ds. J.M.Ph. Schippers in Ede vijf predikanten die tijdens de schorsing geweigerd hadden in plaats van ds. Paauwe in Bennekom op te treden. Na afloop van dit beraad schreef ds. Schippers aan ds. Paauwe dat zij gezamenlijk besloten hadden om bij een eventuele tweede schorsing van ds. Paauwe wél in Bennekom te zullen preken. Uit de brief blijkt, dat deze predikanten meenden dat ds. Paauwe en de andere kerkenraadsleden geen verantwoordelijkheid droegen voor de inschrijving van de lidmaten door het classicaal bestuur, en daarom onder protest hun ambten weer zouden kunnen aanvaarden. (73)

Beide brieven zal ds. Paauwe op zaterdag 1 augustus, de laatste dag van zijn schorsing, hebben ontvangen. De voorwaarde voor zijn terugkeer die hij het classicaal bestuur gesteld had, was niet vervuld. Iets anders was ook niet te verwachten. Nu werd voor hem bevestigd, dat hij zondag 2 augustus en ook later niet meer zou kunnen voorgaan in de Nederlandse Hervormde Kerk. Bovendien wist hij nu ook dat zijn collega predikanten hun beurt in Bennekom voortaan weer zouden vervullen. Dezelfde zaterdag 1 augustus gebeurde er echter ook iets onverwachts. Het kerkgebouw in Bennekom werd in beslag genomen door militairen voor tijdelijke huisvesting als gevolg van de op die dag begonnen mobilisatie in verband met de dreigende oorlog tussen Duitsland en Frankrijk. Zo was juist de eerste zondag waarop ds. Paauwe volgens de besturen weer kon optreden, maar voor God en zijn geweten niet, een preekdienst in de Hervormde Kerk van Bennekom onmogelijk geworden. Noch ds. Paauwe, noch iemand anders in zijn plaats, zou deze zondag optreden. (74)

Tweede schorsing en afzetting

De militairen trokken al spoedig uit het kerkgebouw en in spanning werd afgewacht wat zondagmorgen 9 augustus gebeuren zou. Ds. Paauwe en de andere kerkenraadsleden verschenen echter niet. (75) Daarop leidde een predikant uit Rotterdam-Kralingen de dienst. (76)

De volgende dag, 10 augustus, verstuurden de preses en scriba namens het classicaal bestuur een oproep aan ds. Paauwe en de andere kerkenraadsleden om op woensdagmiddag 12 augustus in Arnhem te verschijnen op een buitengewone vergadering van het classicaal bestuur. Hier verschenen zij als gedaagden en verklaarden zij, dat zij hun ambten niet meer zouden uitoefenen wanneer de namen van de in Tiel aangenomen personen in het lidmatenregister van Bennekom zouden blijven staan. Ook verklaarden zij dat zij hun bedieningen niet vrijwillig wilden neerleggen. Van hun verklaringen werd proces-verbaal opgemaakt. Het classicaal bestuur besloot daarop in dezelfde buitengewone vergadering provisionele schorsing van ds. Paauwe en de andere kerkenraadsleden toe te passen. Wat ds. Paauwe betreft ging dit gepaard met verlies van traktement (inkomen). De provisionele schorsing hield in, dat de schorsing onmiddellijk inging en tijdens de verdere rechtsgang niet kon worden opgeschort door een eventueel hoger beroep. (77) Tevens werd geoordeeld dat de feiten aanleiding gaven tot “ontzetting” (afzetting) uit de kerkelijke bedieningen. In lijn hiermee werden alle stukken ter beschikking gesteld aan het provinciaal kerkbestuur van Gelderland, dat hierover een oordeel moest vellen.

Het provinciaal kerkbestuur benoemde een commissie om de zaken te onderzoeken. Intussen werden zonder succes diverse pogingen gedaan om ds. Paauwe over te halen om zijn houding te wijzigen en predikant te blijven in de Nederlandse Hervormde Kerk. (78)

Ds. Paauwe ging ook in augustus en september in andere plaatsen buiten regulier kerkverband voor. In Den Haag sprak hij in deze maanden diverse malen, één keer in Scheveningen, daarnaast in Utrecht en mogelijk ook in andere plaatsen. (79)

Een plan voor de toekomst had hij niet:

“Men had mij dikwijls gevraagd, wat ik wel, wanneer mijn afzetting een feit zou geworden zijn, van plan was te doen. Ik heb categorisch geantwoord, dat ik het niet wist.” (80)

Velen probeerden hem, ook nog in deze maanden, tot andere gedachten te brengen:

“Aan mensen, die raad hadden of zich geroepen voelden om mij te waarschuwen, ontbrak het niet. Men zei: ‘Gij maakt uzelf en uw gezin ongelukkig, zo u niet toegeeft.’ Ik heb gevraagd: ‘Wie zegt dat?’, en ik heb geen antwoord gekregen. Men sprak: ‘Ik weet niet wat uw plan is (ik heb u gezegd, dat ik in het geheel geen plan had), maar als u er misschien aan denkt om buiten de Nederlandse Hervormde Kerk te gaan spreken, dan kan ik u wel zeggen wat er gebeuren zal: drie maanden komt men naar u luisteren en als men het dan gehoord heeft, dan gaat men zijn weg en u staat alleen.’ En mijn antwoord is geweest: ‘Ziet u dit gebeuren, smaakt u dan de voldoening, dat u mij gewaarschuwd hebt.’ ” (81)

Op 10 september werden ds. Paauwe en de andere kerkenraadsleden per brief opgeroepen om zich op donderdagmiddag 17 september in Arnhem voor de commissie van het provinciaal kerkbestuur te verantwoorden. Van de antwoorden op de door de commissie gestelde vragen werd proces-verbaal opgemaakt. Eén van deze vragen was:

“Blijft gijlieden bij uw, in uw schrijven van 28 juli aan het Classicaal Bestuur van Arnhem uitgedrukt, en sedert ook op 9 augustus toen niemand uwer in het kerkgebouw aanwezig was, gebleken voornemen, om de bediening niet aan te nemen, tenzij de door u gestelde voorwaarde is vervuld?” (82)

Deze vraag werd door ds. Paauwe en de vier andere kerkenraadsleden eenparig met “ja” beantwoord.

Het onderzoek van de commissie leidde ertoe dat het provinciaal kerkbestuur van Gelderland in zijn vergadering van maandag 5 oktober 1914 besloot ds. Paauwe en vier andere kerkenraadsleden af te zetten:

“(…) Om welke redenen het Provinciaal Kerkbestuur van Gelderland (…) besluit uit te spreken, gelijk het uitspreekt bij deze:
dat J.P. Paauwe, predikant; J.B. Dirksen, ouderling; B.J. van de Kamp, diaken; H.J. Mekking, diaken en F. Floor, diaken, allen te Bennekom, schuldig zijn aan verstoring van orde en rust en verzuim in de uitoefening van kerkelijke betrekkingen,
recht doende in eerste aanleg,
past op hen toe het in de vijfde plaats genoemde tuchtmiddel, namelijk: ontzetting van kerkelijke bedieningen en ambten, ingaande op de dag waarop deze uitspraak kracht van gewijsde zal hebben bekomen (…).”
(83)

Ds. Paauwe ontving het bericht van zijn afzetting op 8 oktober. De door hemzelf in 1941 opgestelde beschrijving van de periode 1901-1914 (‘Ds. Paauwe vertelt ons’) sluit hij als volgt af:

“Begin oktober bereikte mij het bericht van mijn afzetting. Ik had het gevoel dat ik tien jaar ouder geworden was, maar mijn hart had zich volkomen verenigd met de weg die de Heere met mij hield. Het is mij altijd een oorzaak van zeer grote blijdschap geweest, dat het zo gelopen is.” (84)

Volgend hoofdstuk

Noten hoofdstuk 4

De noten bij dit hoofdstuk zijn in revisie.

Volgend hoofdstuk