Zijn leven » Autobiografie » “Ds. Paauwe vertelt ons”

“Ds. Paauwe vertelt ons”

Deze autobiografie is door ds. Paauwe zelf gedicteerd en nagezien en geeft de geschiedenis weer van de periode als predikant in de Nederlandse Hervormde Kerk (1901-1914). De eerste uitgave dateert uit 1941. Hieronder vindt u de volledige tekst van deze autobiografie. De ‘tussenkopjes’ zijn toegevoegd.

Hervormd predikant in Yerseke

In het jaar 1901 ben ik Nederlands Hervormd predikant geworden in Yerseke, een dorp op Zuid-Beveland, dat bekend is om zijn oesterteelt. Ik was nog niet zo heel lang daar, toen ik in mijn gemoed moeite begon te krijgen in betrekking tot mijn positie als Nederlands Hervormd predikant. In die tijd van mijn verandering voelde ik het wat betreft de Hervormde Kerk zo: “Ben ik er bij mijn dood nog in, dan is het verloren”. Ik kan niet zeggen dat ik hiervoor enige gronden had; ik voelde het zo. En de vrees dat ik er werkelijk bij mijn dood nog in zou zijn, deed mij peinzen op middelen om eruit te komen. Somtijds dacht ik: “Werd ik maar ongeneeslijk ziek, dan zou ik op deze manier van de moeilijkheid ontslagen zijn”; want ik zag vreselijk tegen de moeilijkheden op, die ik dacht dat zich weldra zouden voordoen.

Invloed werd te dezen opzichte ook op mij uitgeoefend door leden van de Gereformeerde Gemeente te Yerseke (dat is de kerk die ontstaan is onder de invloed van de afscheiding van ds. Ledeboer), van welke er verscheidenen waren, die mij vriendschap en medeleven betoonden. Het is eens zo ver geweest, dat ik het plan opvatte, mijn ontslag te nemen als Nederlands Hervormd predikant en over te gaan tot de Gereformeerde Gemeente. Dit was op het einde van het jaar 1905. Op vrijdagavond zou er kerkenraadsvergadering zijn en het was mijn voornemen op die avond mijn ontslag in te dienen. De Heere heeft het genadig verhoed. Met angst en beven sprak ik van mijn voornemen met mijn vrouw. Deze bewaarde, nadat ik haar het een en ander had medegedeeld, enige ogenblikken het stilzwijgen. Ik had juist voor het beroep naar de gemeente van Poortvliet bedankt. Na enig nadenken deed mijn vrouw mij deze vraag: “Goed, nu alles eens daargelaten, maar wat zouden dan bijvoorbeeld de mensen van Poortvliet moeten doen?” Ik had op deze vraag geen antwoord en ik dacht: “Lag de zaak goed, dan zou ik een antwoord hebben”. Ik gevoelde dat ik de zaak nader te overwegen en dieper te onderzoeken had.

Denkt evenwel niet, dat ik van mening was dat het in die gemeente zo goed in orde was. Dat ik zo naïef niet was, bleek wel uit het antwoord dat ik eens gaf toen men bij mij bleef aanhouden om tot hen over te komen: “Wanneer ik in de Nederlandse Hervormde Kerk rechtdoor ga, word ik eruit gezet door de wetten, en zou ik in uw gemeente rechtdoor gaan, dan word ik eruit gezet door de mensen”. Veel, veel heb ik erover nagedacht, dikwijls heb ik gevraagd om licht. Tot het jaar 1914 heb ik het er nog in uit kunnen houden. Ik dacht in die tijd, dat ik geen beroep naar andere plaatsen meer zou mogen aannemen. Ik bedankte dan ook telkens.

Naar Bennekom

In maart van het jaar 1907 zei iemand bij wie ik logeerde: “U weet dat Bennekom vacant komt, daar wordt ook over u gedacht”. Enige uren daarna – ik was ter ruste gegaan – was het mij, als werd er tot mij gezegd: “Ge krijgt dat beroep en ge gaat erheen ook”. Maanden verliepen, zonder dat ik iets van deze zaak bemerkte, doch in ’t midden van de zomer werd het beroep mij gezonden. Er ontstond een tweestrijd in mijn gemoed. Ik kon niet zien dat het mogelijk was in een rechte weg nog in de Hervormde Kerk van de ene gemeente naar de andere te gaan, en ik kon me ook niet losmaken van hetgeen er in de logeerkamer van die heer gebeurd was. Ik besloot te gaan. Ik had, vóór ik dit besluit nam, nog een bezoek gebracht bij een van de meest bekende kinderen Gods in die dagen. Bij dit bezoek had ik haar gevraagd: “Acht u het voor mij geoorloofd nog een beroep aan te nemen?”, waarop zij mij antwoordde: “Waarom zou u dat niet geoorloofd zijn?” Ik zei: “Omdat in de Hervormde Kerk het ambt feitelijk niet kan uitgeoefend worden”. “Waar kan men dat wel?”, was haar antwoord geweest. ’k Was onvoldaan huiswaarts gekeerd; ’k gevoelde dat er in haar onderricht toch iets niet in orde was. Ik zou nu naar Bennekom gaan, met het voornemen de Heere te vragen wat Hij wilde dat ik doen zou in betrekking tot de uitoefening van mijn ambt, met opzijzetting van de kerkelijke reglementen.

De mededeling van mijn beslissing verwekte grote beroering in de gemeente. Men was, ofschoon ik zelf niet begreep waarom, zeer gehecht aan mijn persoon en mijn prediking. Ofschoon velen zeer verblijd waren dat ik heenging, was toch een groot gedeelte van de gemeente diep bedroefd. Dit en de overweging van de mogelijke gevolgen van mijn besluit voor de gemeente, hebben mij ertoe gebracht nog weken voor mijn vertrek onder grote droefheid de Heere te vragen, dat, zo het Zijn wil was dat ik mijn ganse leven in Yerseke zou blijven, Hij het mij toch te kennen wilde geven. Ik kreeg hierop echter geen nadere aanwijzingen en zo vertrok ik eind augustus.

Diverse moeilijkheden

De bevestiging had nog niet plaatsgehad, of ik bevond me reeds in moeilijkheden. Er had zich metterwoon een predikant gevestigd, die met verlof uit West-Indië gekomen was. Deze heer had de kerkenraad het verzoek gedaan ingeschreven te mogen worden in het lidmatenboek. De consulent had deze zaak voor de aanstaande predikant van Bennekom laten liggen. Daar ik wist dat deze heer vrijzinnig was, had ik bezwaar om aan het door hem gedane verzoek te voldoen (iemand die vrijzinnig is, loochent de Godheid van Christus). Ik schreef hem dit, maar hij herhaalde zijn verzoek. Nogmaals deed ik hem een weigerend antwoord toekomen. Daarop schreef hij mij, dat het classicaal bestuur wel aan zijn zijde zou staan. Ik kon toch niet doen wat hij begeerde. Ik wendde mij tot mijn kerkenraad en deelde alles mede. Ik betuigde mijn leedwezen, dat men misschien nu reeds door mij in een kerkelijk conflict zou gewikkeld worden, maar tegelijkertijd zei ik mijn kerkenraadsleden, dat ik onmogelijk anders kon handelen. Een der leden vroeg nu de correspondentie tussen die dominee en mij te mogen hebben. Ik overhandigde ze hem en hoorde nooit meer iets van de zaak.

Een tijdlang bleef het tamelijk rustig, ofschoon ik met heel veel bezwaren mijn weg ging. Het scheen ook, dat de prediking lang die uitwerking niet had, die ze in Yerseke scheen gehad te hebben. Ik had het eerste jaar van mijn verblijf in Bennekom een diepe vrees dat de Heere mij aan mijzelf had overgelaten. In die tijd gebeurde het eens, terwijl ik onderweg was, dat het mij was als werd ik staande gehouden en mij de vraag gedaan, of ik wel wist waarom ik in Bennekom gekomen was. Het ging toen op de volgende wijze toe. Ik zei: “Neen, Heere”. Toen was het mij, alsof ik dit tot antwoord kreeg: “Opdat gij dieper zoudt leren graven, en als gij dit zult gedaan hebben, zult gij gruwelen vinden, gruwelen in uzelf en in de kerk”.

Voortdurend dreigde het conflict met de kerk. Ik was al een paar jaar in Bennekom, toen tot mij door de kerkenraad van Haarlem het verzoek gericht werd het bewijs van goed zedelijk gedrag van een van mijn kerkvoogden over te zenden. Deze heer wenste zijn kind dáár en niet bij mij gedoopt te hebben, en de kerkelijke wet eist daarvoor het zo-even genoemde bewijs. Kort daarvoor had ik juist een overdenking gehad aangaande de toestand waarin de kerk zich bevindt. Ik zag dat het de bedoeling van de kerk was zoveel mogelijk bij elkander te houden, en tegelijkertijd verstond ik dat de doorwerking van de Waarheid zoiets niet gedoogt. Ik begreep dat het onder deze omstandigheden mijn dure roeping was, waar het nodig blijken mocht, tegen de bedoeling van de kerk in te gaan. In verband hiermede overwoog ik wat ik in betrekking tot het door Haarlem aan mij gerichte verzoek te doen had. Ik dacht: familieomstandigheden en dergelijke kunnen de Doop elders wenselijk maken. In dit geval zou ik het bewijs van goed zedelijk gedrag kunnen geven. Maar mocht verschil van overtuiging de reden blijken te zijn, en was het de bedoeling mij en mijn kerkenraad opzij te zetten, dan zou ik niet mogen doen hetgeen men van mij begeerde en hetgeen de kerkelijke wet van mij eiste.

Ik besloot een bezoek te brengen aan mijn kerkvoogd om naar de reden te vragen. Het antwoord was: “Ik ben u geen verantwoording schuldig”. Ik nam toen het besluit het gevraagde bewijs te weigeren en dit aan Haarlem mede te delen. Daar sloeg men echter geen acht op mij. Na enige tijd ontving ik bericht van de doop van het kind, met verzoek het te willen inschrijven. Wat moest ik nu doen? Ik hoopte mijn kerkvoogd er nog van te kunnen overtuigen dat hij verkeerd gehandeld had, maar mijn pogingen daartoe waren tevergeefs. Ik deed toen in de kerkenraadsvergadering het voorstel te censureren. Alle kerkenraadsleden keurden de handelwijze van de kerkvoogd af, maar tegelijkertijd sprak men de mening uit, dat ’t beste zou zijn, dat men ter wille van de vrede de zaak maar liet rusten. Zo daarop over deze zaak gestemd was geworden, zou ik het verloren hebben, want het stond drie tegen drie en in zo’n geval beslist de wet dat alles blijft zoals het is. Toen legde ik de volgende verklaring af: “Wanneer u, als kerkenraadsleden, het onmogelijk maakt te doen hetgeen ook volgens uw overtuiging gedaan zou moeten worden, dan kan ik hier mijn ambtsbezigheden niet verrichten. Ik moet mij wenden tot het classicaal bestuur, en zo dit mij niet helpt, wat het zeker niet zal doen, dan moet ik mijn ontslag nemen”.

Een der leden deed daarop het voorstel de zaak acht dagen uit te stellen. Een of twee dagen voor de volgende kerkenraadsvergadering kwam mij deze vraag voor: “Zouden de inwoners van Kehila u overleveren?”, waarop als antwoord kwam: “Ze zouden u overleveren” (1 Sam. 23:12). Wat betreft de afloop van de zaak kon ik niet meer twijfelen. De stemming werd een paar dagen daarna gehouden: de uitslag was drie tegen drie. Ik vertelde nu aan mijn vrouw wat er gebeurd was en welke verklaring ik had afgelegd. Terwijl ik dit deed, was ik biddende. Mijn vrouw antwoordde niets.

Enkele dagen na het hierboven vermelde, bedankte een van de tegenstemmende kerkenraadsleden. Toen in een volgende kerkenraadsvergadering de zaak weer aan de orde gesteld was, viel het besluit tot censureren over te gaan. Het bleek spoedig dat de gecensureerde in hoger beroep gegaan was. Het classicaal bestuur meldde ons na enige tijd, dat er eigenlijk geen censuur was uitgesproken, omdat er een fout in de vorm was, maar wanneer alles in de vorm geweest was, dat men dan de censuur ongeldig verklaard zou hebben. Ik had daarop niet het gevoel dat ik met het een of ander door moest gaan, alleen heb ik de kerkvoogd nog eens bezocht.

Ongeveer een jaar daarna ontvingen we een schrijven van de kerkenraad van Zutphen met verzoek het bewijs van goed zedelijk gedrag te willen zenden van een paar jonge mensen die tot de gemeente behoorden. Daar ik wist dat de geloofsbelijdenis die deze jonge mensen wensten af te leggen, zou gedaan worden in het midden van een gemeente waarvan de predikant (de leraar van deze jongelui) vrijzinnig was, had ik geen vrijmoedigheid om aan het verzoek te voldoen. Ik schreef dit aan de kerkenraad van de Nederlands Hervormde gemeente te Zutphen en tegelijkertijd bracht ik een bezoek aan de moeder (de vader was reeds overleden). Ik zei haar, dat ik aan het verzoek van de kerkenraad van Zutphen niet had kunnen voldoen. Zij vroeg mij, of er dan op haar dochters iets aan te merken was. Ik zei: “Mevrouw, als uw kinderen bewijs van goed zedelijk gedrag nodig hadden voor een betrekking, dan zou ik het hun geven. Ze zijn onderwezen in een leer, die ik weet, niet waar te zijn en waarmee men voor eeuwig verloren moet gaan. Nu heb ik geen vrijmoedigheid het voornemen van uw kinderen te begunstigen en daarom heb ik geweigerd het gevraagde bewijs te geven”. Deze dame vroeg me toen, of ik ook verplicht was in zo’n geval een bewijs van goed zedelijk gedrag te geven. Ik zei dat ik het volgens de wetten van de kerk verplicht was. “En wat zou er dan kunnen gebeuren”, vroeg ze wederom, “als u bij uw weigering bleef en ik wendde mij tot het classicaal bestuur?” “Ik zou geschorst en afgezet worden”, was mijn antwoord. Ze verzekerde mij, dat zij niet zou kunnen besluiten het die weg op te laten gaan, waarop ik haar antwoordde dat dit haar zaak was. Ik hoorde er nooit iets meer van.

De toestand van de kerk; zelf de schuldige

De toestand van de kerk en mijn positie in de kerk bleven mij drukken. Op een nacht droomde ik dat ik een gehele stad in brand zag staan; ik was erin, maar ontkwam het. Bij het ontwaken wist ik dat die stad de Nederlandse Hervormde Kerk was en dat ik daaruit verlost zou worden. In de tijd die daarop volgde, kwam voortdurend het woord tot mij: “ ’k Zal u, door macht en wijs beleid, uit Basan weêr doen komen” (Ps. 68:11 ber.). Niet lang daarna werd ik, terwijl de toestand mij erg bleef drukken, erbij bepaald, hoe ik ongeveer twaalf jaar geleden bij het proponentsexamen de belofte had afgelegd, de reglementen der kerk te zullen gehoorzamen. Ik kan niet uitdrukken wat er van dat ogenblik af door mijn ziel gegaan is. Christus, Die ik voor mijzelf als onmisbaar had leren kennen, zag ik in de verordeningen van de kerk buitengezet. Ik zag dat de mens zich de kerk had toegeëigend. Koning Willem I, of wie ook, had het niet gedaan; ik had het gedaan. Mijn gemoed was vol diepe rouw. De oneer, het Hoofd van de Kerk door mij aangedaan, was mij een grote smart. Ik kan ook niet zeggen, hoe geheel mijn hart al wat in de kerk tegen Christus was, dus de wetten, losliet. Het was mij als was ik in de kerk van vóór 1816 geplaatst en als was de kerk van ná 1816 geheel voor mij ondergegaan. Ik zag nu ook dat ik mijn ambt aanvaard en waargenomen had, niet om Christus wil, maar terwille van mijzelf. Ik was dus een “brooddienaar” geweest. O, wat boog zich mijn ziel! Ik verfoeide de waarneming van het ambt in gehoorzaamheid aan wetten die zózeer in strijd met het gebod Gods zijn.

De Heere had mij aan Zijn zijde geplaatst; ik was de schuldige geworden, ik alleen. ’k Had door genade een walging van mijzelf. Ik had een hartelijk leedwezen over mijn zonden. Ik verfoeide mijn wegen. Ik vroeg: “Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal?” Tegelijkertijd was het me zo’n wonder, dat de Heere mij ook hierin genade bewezen had. De waardigheid van het Opperwezen lag op mijn ziel. Daarop toonde de Heere mij dat Hij nu niet alleen in de Hervormde Kerk niet meer was, maar ook niet meer in de regering en in de Staten en op de scholen. Ik zag iets van de gezonken toestand, waarin wij ons bevinden. Als Christus niet meer in het openbare leven is, waar moet het dan heen? Ik had een onuitsprekelijk medelijden met onze koningin. Ik eerde haar, ik had haar lief, ik had medelijden met haar. En nooit was de wereld in die mate een woestijn voor mij geweest. ’t Gevoel van smart, dat ik had, was zo diep.

De ondertekening van de reglementen van de kerk was in het openbaar geschied, ik had behoefte deze zonde in het openbaar te belijden. Ik nam mij voor, dit te doen op de eerstvolgende rustdag. Donderdags was ik op mijn studeerkamer bezig met het maken van enige aantekeningen over een tekst waarover ik dacht te preken. Mijn vrouw kwam binnen en zei: “Wat heb je het druk!” “Ja”, antwoordde ik. Toen ik de volgende dag met dit werk weer bezig was, kwam mijn vrouw weer de kamer binnen en maakte dezelfde opmerking. Toen ze weg was, kwamen haar woorden zó naar mij toe: “Wat heb jij het druk!” Ik zei: “Ja, ’t is waar ook”. Daarop was het mij als werd mij de vraag gedaan, of ik nu wel wist dat ik de aanstaande rustdag over die tekst moest spreken (het was Psalm 119:28). Ik zei: “Neen, Heere, ik heb hem maar genomen omdat hij zo overeenkomstig mijn toestand is; maar wilt U mij dan zeggen waarover ik op de aanstaande rustdag moet spreken?” Toen werd tot mij gezegd dat ik de stof moest behandelen, waarover ik veertien dagen geleden had gesproken, de bekende geschiedenis die we in Daniël 3 vinden. Ik kreeg in het licht van wat we daar vinden nog duidelijker de nare toestand van de kerk te zien. Het was alsof ik op een bijzondere wijze werd onderwezen, en het lag vast bij me dat de Heere wilde dat ik dat onderwerp zou behandelen. Ik nam mij voor om bij het uitspreken van deze predikatie mijn zo-even genoemde zonde te belijden.

De volgende week woensdag, nadat deze dingen alzo geschied waren, dacht ik: “Hoe zou ds. Ledeboer onder dit alles het gemaakt hebben?” Ik sloeg het boekje van ds. Landwehr op, en vond daarin dat hij, toen hij de laatste keer in de Hervormde Kerk preekte, Daniël 3 behandeld had. Ik las ook, dat hij de opmerking gemaakt had: “De Heere leidde mij aan de hand van deze stof geheel in de toestand van de kerk in”.

Aangeklaagd bij het classicaal bestuur

Ik ontving in deze tijd nog het beroep naar de Hervormde gemeente te Gameren. Er waren verschillende redenen waarom ik voor deze plaats iets gevoelde. Een van deze redenen was de nabijheid van het dorp Brakel, waar ik enige goede vrienden had (ofschoon ik wel vreesde dat ik toch geen vrijmoedigheid zou vinden om mij als ’t ware opnieuw aan de Hervormde Kerk te verbinden). Het gevoel voor Gameren bleef intussen. Een van de ouderlingen in mijn gemeente vroeg, hoe ik ermee stond. “Denkt u er nog aan?” vroeg hij. Ik vertelde hem er iets van. “Maar u kunt toch zo niet gaan”, merkte hij op. “Neen”, antwoordde ik, “maar als de tijd van beslissen daar is, zal ik het wel weten”. Toen hij vertrokken was, was het alsof mij gevraagd werd of ik daar wel zo zeker van was, dat ik het op de tijd van de beslissing wel weten zou. Ik zei: “Ik heb zo geantwoord, omdat ik het tot nog toe altijd geweten heb, dat ik bedanken moest voor een beroep”.

Toen de drie weken bijna verstreken waren, ontving ik bericht van het classicaal bestuur van Arnhem, dat ik bij dit bestuur aangeklaagd was. Wat was er gebeurd? Weken geleden was tot mij het verzoek gekomen van de kerkenraad van de Nederlands Hervormde gemeente te Tiel het bewijs van goed zedelijk gedrag te willen opzenden van enige jonge mensen uit Bennekom, die in Tiel belijdenis des geloofs wensten af te leggen. Ik had geschreven aan Tiel, dat mij niet bekend was dat de ouders van deze jongelui in enige betrekking stonden tot de Nederlandse Hervormde Kerk. Meer had ik niet geschreven, omdat ik het niet nodig vond, ofschoon ik het plan niet had om aan het verzoek te voldoen. De jonge mensen ten behoeve van wie het verzoek gedaan werd, leefden, voor zover mij bekend, in de wereld. Maar al was dit niet zo geweest, en al was mij bekend geweest dat hun belijdenis rechtzinnig was, en al was mij ook bekend geweest dat Tiel rechtzinnig was, dan zou ik toch geweigerd hebben, tenzij men mij redenen had kunnen opgeven, die mij gegrond schenen. Een kerkenraad heeft een roeping, heeft een roeping tegenover een gemeente.

Niet lang daarna had ik van Tiel bericht gekregen van de aanneming, met verzoek de namen te willen inschrijven. Ik had geantwoord dit niet te kunnen doen. Het bleek nu uit het schrijven dat mij uit Arnhem gezonden was, dat Tiel de zaak voor het classicaal bestuur gebracht had. Terwijl ik dit schrijven las, was het mij alsof er tegen mij gezegd werd dat ik terwille van deze zaak in Bennekom moest blijven. Mijn gevoel voor de gemeente Gameren was weg en ik bedankte voor het beroep.

Het classicaal bestuur van Arnhem schreef ik dat het mij niet mogelijk was, de namen in het lidmatenboek in te schrijven. Men schreef mij terug, dat de wetten van de kerk er mij toe verplichtten. Ik vroeg of het dan niet mogelijk was in de Hervormde Kerk een consciëntiebezwaar te hebben. Arnhem bleef aandringen dat ik de namen toch maar inschrijven zou. Ik kon niet. Nadat er zo enige tijd lang correspondentie gevoerd was, ontving ik bericht dat het classicaal bestuur van Arnhem mondeling de zaak met me wilde bespreken. Bij het lezen van dit bericht viel er met klaarheid in mijn hart: “Ik acht mijzelven gelukkig, o koning Agrippa, dat ik mij heden voor u zal verantwoorden” (Hand. 26:2). Ik achtte het een bijzonder voorrecht dat ik de zaak des Heeren, die nu ook mijn zaak geworden was, zou mogen verdedigen. In het midden van december 1913 had deze samenkomst plaats.

Het voltallige classicaal bestuur was er en de kerkenraad van Bennekom. Alles werd nog eens weer opgehaald, en nadat men nog enige pogingen had aangewend om mij tot toegeven over te halen, kreeg ik verlof om enige dingen te zeggen. Het was mij toen alsof ik niets te doen had. ’k Had een gevoel dat ik sprak voor een zaak waarmee ik persoonlijk eigenlijk niets te maken had. Het was Gods zaak en ik mocht haar bepleiten. Ik vertelde hun hoe het lag in mijn gemoed, hoe ik daartoe gekomen was, en wat ik mij voorstelde dat ik te doen had. Ik ondervond waarlijk wat het woord betekende: “Gij zijt het niet die spreekt, maar de Geest uws Vaders Die in u spreekt” (Matth. 10:20). De voorzitter vond het nu het beste dat de vergadering maar gesloten werd. Een van de leden van het classicaal bestuur maakte nog de volgende opmerking: “Ik ben het in alles, voorzitter, met broeder Paauwe eens, maar ik trek tegenovergestelde conclusies”. “Mag ik u eens iets zeggen?”, zo wendde hij zich tot mij. “Ik heb uit uw verhaal gehoord dat u een ogenblik gehad hebt, waarin u zich van de kerk geheel los gevoelde”. “Ja”, antwoordde ik. “Toen had u ontslag moeten aanvragen”, zei hij. Ik antwoordde dat ik dat zo niet gezien had. “Ik behoef geen ontslag te vragen”, zei ik, “en ik ben niet van plan dit ooit te doen. De kerk behoort Christus toe”. “Nooit”, zei ik nog, “heb ik mij zozeer aan de kerk verbonden gevoeld, als in het ogenblik en vanaf het ogenblik dat ik me geheel los van de kerk (de Nederlandse Hervormde Kerk van na 1816) gevoelde”.

De voorzitter nam toen nog het woord: “U moet wel bedenken, als u blijft weigeren, dat wij u zullen schorsen en wel met ingang van 1 januari. We hopen echter zeer, dat het niet nodig zal zijn”. “Nog één woord”, zei ik toen. “Met de vraag of u mij zult schorsen, heb ik eigenlijk niets te maken. U zult dit doen als het u toegelaten wordt. Maar wordt het u toegelaten, dan zal dit betekenen de zekere ondergang van de kerk”. Een gegrom was het antwoord. Hiermede was de samenkomst afgelopen.

Mij restten dus nog veertien dagen, voordat ik geschorst zou worden. Ik was verblijd over de afloop van de zaken. Ik was verheugd dat ik had kunnen spreken zoals de Heere het mij had bekendgemaakt, maar ach, wat benauwde dagen zijn er gevolgd. Mijn omgeving, mijn gemeente, allen hadden gedacht dat de zaken nog wel een keer zouden nemen, of men hoopte dat ik nog wel een weg zou weten te vinden, om mij aan de moeilijkheden te kunnen onttrekken. Of men de kerk niet in staat achtte iemand, van wie men toch wel wist dat hij niet in een of ander opzicht schuldig was, te schorsen, weet ik niet. Ik houd het ervoor, dat men niet geloofde dat de kerk het zou aandurven mij af te zetten.

Het viel vreselijk tegen, toen men hoorde dat op 1 januari een schorsing zou plaatshebben. Ik ondervond dat de teleurstelling, volgend op een valse hoop, vijandschap baart. Het was alsof ieder zich aan mij onttrok; men scheen mij te schuwen. Vreselijk waren de aanvechtingen in deze dagen. Dag op dag had ik zware benauwdheid, alles drukte mij ontzaglijk. Aan het eind van de veertien dagen veranderde het echter. De moeilijkheden, die zeer groot en zeer vele waren, kreeg ik onverwachts in de hand des Heeren te leggen. De Heere nam alles en ook mij geheel over. Ik was niet alleen van mijn benauwdheid, van mijn druk verlost, ik geloofde ook dat ik ze nooit meer terug zou krijgen over deze zaak. Ik geloofde dat ik in dit alles geheel voor rekening des Heeren lag. Ik gevoelde een onuitsprekelijke verlichting, ik werd een diepe vrede gewaar en met mijn ganse hart zong ik: “Looft, looft verheugd den HEER’ der heren”, enzovoort (Ps. 105:1, 2, 3 ber.).

De kerk was geheel van me weggenomen. Ik stond op de vlakke baan. Ik had vele weken eenzaam geleefd. Ik vreesde in betrekking tot deze dingen de invloed van mensen. Ik had voortdurend gevoeld en ik bleef dit gevoelen, dat alleen dán wanneer het Opperwezen mij onderwees en leidde, ik een rechte weg zou hebben, een weg waarin de waarheid van de zaak waarom het ging, openbaar zou worden. Maar nu besloot ik een bezoek aan iemand te brengen. Er woonde tussen Wageningen en Bennekom een oude bekeerde vrouw. ’k Had haar in lange tijd niet ontmoet. Toen ze mij in de verte zag aankomen, trad ze naar buiten en riep me het welkom toe, vragende hoe het ging. “Goed”, antwoordde ik. “O, dat ’s gelukkig”, zei ze. Ik ging binnen en vertelde haar alles, en toen ik haar mededeelde hoe ik schuldig voor God geworden was en wat ik daarbij gezien had, zei ze: “Ja, en dan zou men willen bidden: Heere, open toch de ogen van Uw volk voor deze dingen”. Ik antwoordde dat ik dit juist gevraagd had.

In hoger beroep

Ik had gedacht het nu maar te laten gaan zoals het zou gaan. Ik had er nog niets voor gevoeld om bij een hoger bestuur in beroep te gaan. Maar op de eerstvolgende Rustdag was het alsof mij de vraag werd gedaan, waarom ik niet in hoger beroep wilde gaan. “Ik heb er eigenlijk nog niet ernstig over gedacht”, antwoordde ik. Hieronder werd ik opgewekt om in hoger beroep te gaan, en ik zag dat dit niet in strijd was met het Woord. Ik deed het de volgende dag, ten gevolge waarvan de schorsing op de bepaalde datum (1 januari 1914) niet kon doorgaan. In deze tijd had ik eens een onderhoud met de secretaris van het provinciaal kerkbestuur. Ik vroeg hem: “Heeft men nu werkelijk wel recht om mij af te zetten?” Hij bleef het antwoord schuldig en aangezien het gesprek een wending nam, vergat ik er op in te gaan. Toen ik op het punt stond te vertrekken, schoot mij dit te binnen. Ik zei: “A propos, u hebt mij nog niet geantwoord op mijn vraag”. Zijn antwoord was: “Ik zal er nog eens over denken”. Ik dacht: “Als er geen moeilijkheden zijn, dan gaat alles goed in de Nederlandse Hervormde Kerk, maar zodra er iets is, dan gaat het verkeerd, omdat ze geen God heeft, omdat ze God verbannen heeft”.

Als naar gewoonte hield ik in die tijd bijbellezingen voor de gemeente. Zes jaar geleden was ik bij mijn komst in de gemeente begonnen bij Genesis 12. In die tijd behandelde ik Genesis 31. Gedurig trof het bij de bespreking van de inhoud van dit hoofdstuk, hoezeer de dingen overeenkwamen met die welke ik doorleefd had en nog doorleefde. En dit was in zó sterke mate het geval, dat de mensen die de bijbellezing volgden, de opmerking maakten: “Had u een gedeelte der Schrift, dat met uw zaken overeenkomt, moeten zoeken, dan zou u geen beter hebben kunnen vinden”. Onderwijl naderde de tijd voor de lijdenspredikaties, ook deze stof was ik gewoon in volgorde te behandelen. Ik had dat jaar te spreken over het verhoor en de beschuldiging en veroordeling van Christus voor Kajafas. Ik had hetzelfde als bij de bijbellezingen over Genesis 31. Het was of het de geschiedenis van mijn zaak was. De overeenkomst viel aan verscheidenen mijner hoorders op onder de prediking.

Er is iets wat ik toen nog niet wist: dat een zaak, ten opzichte waarvan men onderwezen is door Gods Geest, moet gevonden worden in het Woord, met andere woorden, dat men wat waarheid is, altijd vindt in het Woord der Waarheid. In de weken die nu volgden, kon ik met mijn werk doorgaan. Ik had last van de volgende bestrijding. ’t Is tot hiertoe goed gegaan, je hebt licht gehad, dat licht ben je gevolgd, je hebt je er door laten leiden, zodat het nu in alle opzichten des Heeren weg schijnt te zijn, maar als de zaak straks zal beslist zijn, dan zul je achter andere dingen komen. Je zult zien dat het naar een diepere beoordeling alles verkeerd is geweest, en in de vreselijkste wanhoop zul je terechtkomen. Anderen van Gods kinderen en knechten zijn, wanneer zij waarlijk in de diepte van de dingen gekomen waren, getroost, maar dat zult gij missen. Het zal blijken dat je overgelaten bent aan jezelf.

Schorsing en afzetting

Een paar dagen na het Paasfeest (1914) kwam het bericht dat mijn hoger beroep was verworpen. Op 1 juni zou de tijd van mijn schorsing aanvangen. Ik was in die tijd bezig met de behandeling van de geschiedenis van Thomas. Op de volgende zondag moest ik spreken over de woorden: “Mijn Heere en mijn God” (Joh. 20:28). Bij deze gelegenheid moest ik aan de gemeente bekendmaken dat mijn schorsing zou doorgaan. Als naar gewoonte deed ik aan de trap van de preekstoel een gebed. Onder dit gebed werd ik wonderlijk gesterkt. Ik kreeg mij en mijn zaken bij vernieuwing in des Heeren hand te stellen. Op de preekstoel weende ik, de mensen dachten om de teleurstelling – want de uitkomst van de zaak was al onder de mensen bekend geworden – doch het was van verwondering en van blijdschap: de Heere had ook mij niet begeven. Hij had mij in mijn ellende willen troosten. Het prediken ging bijzonder gemakkelijk. Aan het eind van de prediking deelde ik de gemeente mee, hoe tot dusver alles verlopen was.

Ik heb me daarna nog eens gewend tot een ander bestuur in de Nederlandse Hervormde Kerk: de algemene synodale commissie. Deze commissie beoordeelt of bij het vellen van een vonnis de wet op de juiste wijze toegepast is. Maar dit heeft mij niet geholpen. Ik had ook niet anders verwacht, en dit onder meer om de volgende reden. Omstreeks nieuwjaar hadden enkele leden van het classicaal bestuur van Arnhem een bezoek gebracht aan de gemeente. Ik hoorde dat het hun bedoeling was, nu ze gezien hadden dat ik volhardde, de respectieve families van de jongelui te bezoeken, om ze te bewegen het verzoek om ingeschreven te mogen worden, in te trekken. Er waren enkele leden van de gemeente, die mij dit met grote blijdschap kwamen mededelen. Men dacht dat het nu nog wel alles zou geschikt worden. Met de woorden: “Mijn raad zal bestaan, en Ik zal al Mijn welbehagen doen” (Jes. 46:10), werd ik opnieuw verzekerd dat het einde zou wezen: afzetting. Het lag zo in mijn gemoed, en ik geloofde dat ik niet meer in de Nederlandse Hervormde Kerk zou werkzaam worden. Ik heb er dan ook niets voor gevoeld nog in hoger beroep te gaan bij de volle synode.

Tweede Pinksterdag ging mijn schorsing in en zou twee maanden duren. Enige dagen later werd door het classicaal bestuur, dat nu geroepen was te doen hetgeen des kerkenraads was, in de consistoriekamer een vergadering belegd en in deze vergadering zijn de bewuste namen ingeschreven. De bedoeling van dit bestuur was deze: zij zouden de namen inschrijven en dan zou ik met de leden van de kerkenraad, die mede geschorst waren, terugkeren. Ik was dus ontheven van de plicht, zelf de namen in te schrijven, en de verantwoordelijkheid van de inschrijving zou rusten op de leden van het classicaal bestuur. Ik gevoelde echter, dat het toch niet in orde zou zijn als ik terugkeerde. Ik moest de boeken overnemen van het classicaal bestuur. Wanneer ik dit deed en mijn werk hervatte, dan zou de zaak toch niet op de rechte wijze zijn opgelost. Ik noemde mijn bezwaren. Het classicaal bestuur antwoordde: “Goed, dan neemt u de boeken over onder protest”. Ik gevoelde dat ook dat niet kon. Van meer dan één zijde, ook van de zijde van de kerkelijke besturen, schreef men mij dat ik toch zou terugkeren. ’t Was toch voor rekening van het classicaal bestuur, alles wat er geschied was. “Neen”, zei ik, “ik kan niet”. Geen kerkenraad kan toelaten zo opzij gezet te worden. ’t Was in strijd met de meest eenvoudige opvatting van de roeping van een kerkenraad.

Intussen wist ik niet, welke stappen nu door mij gedaan moesten worden. De tijd naderde, het kwam erop aan. Ik moest nu weten wat ik te doen had, en ik wist het niet. Op een morgen gebeurde het volgende. Ik las aan het ontbijt 2 Petrus 2. De woorden: “Zo weet de Heere de godzaligen uit de verzoeking te verlossen” (vs. 9), maakten een diepe indruk op mij. Ik dankte, en onder diepe indrukken liep ik de tuin in. “O Heere”, begon ik te zeggen, “het is U bekend dat het gaat om Uw zaak en niet om de mijne. Ik weet niet wat ik doen moet, maar U kunt het mij zeggen”. Ik hield aan, ik bleef roepen. ’t Ging vanzelf. Telkens en telkens gevoelde ik mij aangedrongen. Ik sprak tot, ik sprak met het Opperwezen. Hoe lang dit geduurd heeft weet ik niet. Op een ogenblik liet ik los. Ik gevoelde, ik geloofde dat mijn roepen gehoord was. De Heere zou mij uit de verzoeking verlossen. Een paar uur daarna was de tijd aangebroken voor mijn afzondering in de morgen. Eigenlijk was ik op dat ogenblik met de zaak niet bezig, maar onverwachts begon het Opperwezen mij te onderwijzen. Ik moest schrijven dat ik ten volle bereid was, na afloop van de schorsingstijd, mijn werk in de gemeente te hervatten, maar dan moest het classicaal bestuur mij de boeken van de kerkenraad teruggeven in de staat waarin ik ze aan het classicaal bestuur overhandigd had, dus zonder de namen van de jonge mensen die in Tiel waren aangenomen. Het was me alsof me de woorden werden voorgezegd.

De door mij gestelde voorwaarde werd door de kerkelijke besturen niet aanvaard. Ik was en bleef dus geschorst. Op de zondag waarop ik, zo ik teruggekeerd was, had moeten preken, was op de kerk beslag gelegd door de gemobiliseerde soldaten. De wereldoorlog (1914) was ontbrand. Het classicaal bestuur had voor de volgende zondag niet gezorgd dat de predikdienst vervuld werd, ofschoon het wist dat ik mijn werk niet zou hervatten. De mensen waren samengekomen; ik bleef in de pastorie. Toen ik niet verscheen, deed de voorlezer de aanwezigen de vraag, of er iemand was, die een woord zou kunnen spreken. Een Rotterdams predikant heeft toen de dienst geleid.

Vele pogingen zijn daarna van verschillende zijden aangewend om mij voor de Hervormde Kerk te behouden. ’t Kon niet. De Heere had mij innerlijk ervan losgemaakt. Begin oktober bereikte mij het bericht van mijn afzetting. Ik had het gevoel dat ik tien jaar ouder geworden was, maar mijn hart had zich volkomen verenigd met de weg die de Heere met mij hield. Het is mij altijd een oorzaak van zeer grote blijdschap geweest, dat het zo gelopen is.